Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lauw - (tussen heet en koud)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lauw bn. ‘halfwarm’
Mnl. lau ‘halfwarm’ [1240; Bern.], gif it lau drinken ‘geef het lauw te drinken’ [1250; CG II], met lawen wine ‘met lauwe wijn’ [1287; CG II].
Erfwoord. In de onverbogen vorm was al in het West-Germaans de -w (na lange klinker) weggevallen, evenals in de woorden → blauw en → grauw, die in het Middelnederlands dan ook voorkomen als bla en gra; in de verbogen naamvallen bleef de -w- bewaard en door analogiewerking verscheen de -w later ook weer in de nominatief.
Mnd. lauw; ohd. lāo (nhd. lau); oe. hlēow ‘warm, zonnig’ (ne. dial. lew); < pgm. *hlēwa-; daarnaast pgm. *hlēwia-, waaruit on. hlær ‘mild, warm’. Zie ook → flauw, dat misschien, maar dan via het Frans, ook teruggaat op dit erfwoord.
Verwant met: Latijn calēre ‘warm zijn’, zie ook → kandeel; Litouws šìlti ‘warm worden’; < pie. *ḱlh1- (IEW 551); pgm. *hlēwa- gaat dan terug op de afleiding *ḱleh1-uo-. Wrsch. niet verwant met → lij en → luw.
Lit.: Schönfeld, par. 54, 2; Schrijver 1991, 206-207

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lauw1* [tussen heet en koud] {laeu, lau 1201-1250} oudhoogduits lao, oudengels hleow [warm] (engels lew [lauw]), oudnoors hlaer [zacht (van het weer)]; buiten het germ. latijn calidus [warm], litouws šiltas [warm]; verwant met lij, luw.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lauw bnw., mnl. laeu, mnd. lauw, ohd. lāo (nhd. lau); voor ofrank. *hlāo zie onder flauw. Grondvorm is *hlēwa-, waarnaast *hlēwia in on. hlær ‘lauw van het weer’; in on. rijke ontwikkeling, vgl. hlāna ‘zacht worden’, hlāka ‘dauwweer’. — lat. caleō ‘warm, heet zijn’, kymr. clyd (< *ḱḷ-to) ‘warm’, oi. śarad- v. ‘herfst’, osset. särd ‘zomer’, van de idg. wt. *ḱel (IEW 551-2). — Zie ook: lij en luw.

Het is opmerkelijk dat de idg. wt. *ḱel ook ‘vriezen, koud’ betekent, waarvoor zie: hal 2. Misschien is dit niet een voorbeeld van ambivalente betekenis (IE 551 denkt aan een tussenbetekenis ‘brandend’), maar eerder van religieuze aard. De sjamaan zowel als de yogi bewezen hun het menselijke niveau overtreffende kwaliteit daardoor dat zij zowel ongevoelig waren voor uiterste koude als warmte (vgl. M. Eliade, Forgerons et alchimistes (1956) blz. 83). — Er is verder nog een idg. wt. *gel, waarvoor zie: koud.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lauw bnw., mnl. laeu. = ohd. lâo (nhd. lau), mnd. lauw “lauw”, germ. *χlêwa-. Hiervan *χlêwia-, on. hlæ̂r “zacht (van het weer)”. Voor andere afll. van de germ. basis χlêw-, χlew-, χlu- vgl. lij. Deze basis is een verlenging van idg. kelê- of ḱalê-, waarvan lat. caleo “ik ben warm”, calidus “warm”, lit. szylù, szílti, “warm worden”, szíltas “warm”; ook arm. çolanam “ik schitter, schjjn”?? On. hlâka v. “dooi”, hlâna “minder koud worden” kunnen ook direct van deze basis komen, ’t zullen echter wel veeleer jongere vormen wezen. Vgl. nog laai. Een gelijkluidende idg. basis beteekent “koud zijn”: zie bij hal II en koud.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lauw. “Lit. šíltas”, lees: “lit. šil̃tas”. Dial. (Tw., Achterh.) slauw ‘luw, lauw’ is een jonge vorm; voor het ontstaan vgl. sloom Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lauw 1 bijv.(warm), Mnl. lau + Ohd. lâo (Mhd. , Nhd. lau),On. hlœ'r = zoel (weer), van Germ. hlêw- + Lat. calere = warm zijn, calidus = warm: Idg. kal- (z. haal 2) Voor de afwisseling van la, lau, vergel. blauw; z. ook flauw en leuk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

law (bn.) lauw; Vreugmiddelnederlands lau <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1lou b.nw.
1. Tussen warm en koud, of effens warm. 2. Belangeloos, sonder geesdrif of ywer. 3. (by soek- of raaispeletjies aan of van 'n soeker of raaier gesê) Redelik naby aan 'n persoon, voorwerp, antwoord of oplossing.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. lauw (Mnl. laeu). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

law, lauw ‘tof, geweldig’ (Sranantongo law)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lauw ‘tussen heet en koud’ -> Ambons-Maleis lau-lau ‘tussen heet en koud’; Kupang-Maleis lau-lau ‘tussen heet en koud’; Menadonees lau-lau ‘tussen heet en koud’; Ternataans-Maleis lau-lau ‘tussen heet en koud’; Papiaments † lauw, louw ‘tussen heet en koud’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lauw* tussen heet en koud 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut