Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lats - (broekklep)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lats znw. v. ‘broekklep’, eerst na Kiliaen bekend (vgl. nog. Gron. in de latse steken ‘zich meester maken van’) < nhd. latz ‘broekklep’ < ofra. laz (fra. lacs) ‘band om vast te snoeren, nestel’, en < ital. laccio ‘veter, snoer’, beide < lat. laqueus ‘strik’. — Zie ook: lis 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lats (broekklep), nog niet bij Kil. Ontl. uit hd. latz m. “broekklep”, oorspr. “snoer, band”, dat in de latere ME. uit ofr. laz (fr. lacs) “id.”(> eng. lace “boordsel, veter, snoer”) of it. laccio “id.” ontleend is, die evenals spa. lazo (zie lasso) op lat. laqueus “strik” (vulgairlat. met c) teruggaan. Vgl. bij verlakken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lats v. (broekklep), uit Hgd. latz, van It. laccio = snoer, dat zelf uit Lat. laqueum (-us) = strik. De bet. zijn: snoer, snoerstuk, klep. Mnl. latse, letse, gelijk Eng. lace, uit Ofra. laqs, dat ook van Lat. laqueus.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut