Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

laten - (in een toestand doen blijven; niet verhinderen; niet doen, ophouden met)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

laten ww. ‘in een toestand doen blijven; niet verhinderen; niet doen, ophouden met’
Onl. in de afleiding farlaton ‘verlaten’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. laten ‘laten’ in dat hene hen lange líte leuen ‘dat hij hen lang liet leven’ [1200; CG II], ‘in een toestand of op een plek brengen of doen blijven’ in gi selt dese jonvrowe quite laten ‘u moet deze jonkvrouw vrijlaten’ [1260-80; CG II], ‘nalaten’ in dat starke muniment dat ihesus kerst ons menschen lit ‘het sterke bewijs dat Jezus Christus ons mensen naliet’, ‘verlaten’ in so lietic uader ende moeder ‘toen verliet ik vader en moeder’ [beide 1265-70; CG II], ‘niet doen, nalaten’ in ende dat en selen wi niet laten ‘en dat zullen we niet nalaten’ [1285; CG I], ‘beëindigen’ hier bi liet abraham die tale ‘hiermee beëindigde Abraham zijn verhaal’ [1285; CG II], de aanvoegende wijs van het hulpwerkwoord in laet ons in iudea gaen ‘laten wij naar Judea gaan’ [1285; CG II], laten wy in Gods geleide varen ‘laten wij onder Gods hoede reizen’ [ca. 1410; MNW].
Os. lātan (mnd. lāten); ohd. lāzan (nhd. lassen); ofri. lēta (nfri. litte); oe. lǣtan (ne. let); on. láta (nzw. låta); got. lētan; < pgm. *lētan-.
Verwant met: Grieks lēdeĩn ‘vermoeid zijn’; Albanees loth ‘vermoeien’, lodhem ‘moe zijn’; en misschien Litouws léisti ‘loslaten’; bij de wortel pie. *leh1d- (IEW 666). Uit de nultrap van deze wortel: Latijn lassus ‘moe’ (< *ladstos < pie. *lh1d-to-) en (met secundaire la- i.p.v. ul-) pgm. *lata- ‘lui, traag’, zie → laat.
Reeds in het vroegste Middelnederlands heeft het hoofdwerkwoord laten een rijke schakering aan betekenisnuances; een deel daarvan is in de loop van de tijd overgenomen door afleidingen en samenstellingen als achterlaten, nalaten, overlaten, toelaten, verlaten, vrijlaten.
Omdat het werkwoord de betekenis ‘toelaten, toestaan’ had, kon het al in het vroegste Middelnederlands ook als hulpwerkwoord worden gebruikt, in de constructie laten + lijdend voorwerp + hoofdwerkwoord. Later in het Middelnederlands beginnen de vormen van de aanvoegende wijs laet mi gaen ‘ik moet maar eens gaan’, laet ons vechten ridderwise ‘we moeten als ridders vechten’ onder invloed van constructies als mogen wi ‘hopelijk zullen wij, wij zouden moeten’ geleidelijk te verschuiven naar laet ic, laten wi; zo ontstaat het modale hulpwerkwoord laten. De combinatie laat ons bestaat nog wel in formeel taalgebruik, in het BN meer dan in het NN, en met name in de vaste formule laat ons bidden ‘laten we bidden’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

laten* [niet verhinderen, nalaten, afstaan] {1236} oudsaksisch latan, oudhoogduits lazan, oudfries leta, oudengels lætan, oudnoors láta, gotisch letan; van laat2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

laten ww., mnl. lâten, os. lātan, ohd. lāʒʒan (nhd. lassen), ofri. lēta, oe. lætan (ne. let), on. lāta, got. lētan. — gr. lēdeĩn ‘vermoeid zijn’, alb. loth (< *lēd) ‘moe maken’, vgl. lat. lassus (< *lǝd-to) ‘vermoeid’ van idg. wt. *lē(i) ‘afnemen, verzwakken’, voor welke bet. zie ook: laat 2 (IEW 666).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

laten ww., mnl. lâten. = ohd. lâӡӡan (nhd. lassen), os. lâtan, ofri. lêta, ags. læ̂tan (eng. to let), on. lâta, got. letan “laten”. Verwant zijn lat. lassus “moe” en de overige bij laat besproken woorden, verder gr. lēdeĩnkopiãn, kekmēkénai (Hes.), obg. lĕnŭ, (*lêd-no-; ook anders verklaard) “lui”, alb. l’oϑ “ik maak moe”. Het is al te gevaarlijk, om, zooals veelal gebeurt, op de bet.-overeenstemming van germ. *lêt- met lit. léidżu, léisti “laten” conclusies te baseeren aangaande een idg. basis lêid- of een basis (i)-, waarvan lêid- en lêd- verlengingen zouden zijn; ook de sporadische on. en ohd. vormen van laten met i-vocalisme kunnen die hypotheses niet aannemelijk maken. De reeds idg. vormen met ǝ (lat. kelt. germ. a) pleiten er tegen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

laten o.w., Mnl. id., Os. lâtan + Ohd. lâʒʒan (Mhd. láʒen, Nhd. lassen), Ags. lœ'tan (Eng. to let), Ofri. léta, On. láta (Zw. låta, De. lade), Go. letan: Germ. wrt. let: z. laat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

laote (ww.) laten; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) lauten, Vreugmiddelnederlands laten <1200>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

laten (liet, heeft gelaten), (ook:) nalaten, achterwege laten, met rust laten, achterlaten, laten zitten, laten schieten, in de steek laten, verlaten enz. enz. En ik laat alles voor mijn kinderen (Doelwijt 1971: 60); hier: nalaten. Na afloop daarvan brachten de slaven bij wijze van dankbetuiging een groote hoeveelheid pluimvee en eieren voor den administrateur* [die naar de stad terugkeerde] ten geschenke. Het geschenk werd genadiglijk aangenomen - maar niets daarvan zag de stad. Alles werd voor den directeur* en de opzichters gelaten (Bartelink 13); hier: achterlaten. Twee vrienden van mij hebben om die reden de school gelaten (Dobru 1969: 20); hier: verlaten, laten schieten. En ik laat deze vrouw en kreeg nog twee kinderen met een andere vrouw (Doelwijt 1971: 60); hier: verlaten, in de steek laten. - Etym.: Er is grote overeenkomst met E to leave.
— : Zie laten groeten*.
— : laten halen (liet halen, heeft laten halen), importeren; geïmporteerd, ’import’. Heb je hem gezien? wilde Henk weten. In een reclame, jongen, zo ’n auto heeft niemand in Suriname, mijn tante heeft hem zelf uit Frankrijk laten halen (Doelwijt 1972b: 9). Hij wordt op school uitgelachen om zijn schoen waarvan de zool van voren los zit. Waarschijnlijk ook omdat de schoen van Surinaamse makelij is. Tegen zijn schoolvrienden kan hij niet trots zeggen: Late hale (van Muiier 1972: 44).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

laten (ik laat u) (vert. van Frans je vous laisse)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

laten ‘niet verhinderen; nalaten; afstaan’ -> Madoerees elat ‘losgelaten’; Berbice-Nederlands latn ‘niet verhinderen’; Skepi-Nederlands at ‘niet verhinderen; nalaten; afstaan’; Sranantongo lâte ‘wind laten; wind, scheet’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

laten* niet verhinderen, nalaten, afstaan 1236 [CG I1, 20]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1369. Men moet leven en laten leven,

volgens sommigen eene navolging van het hd. leben und leben lassen, dat het eerst door Wieland (1733-1813) gebruikt is, en daarna door Lessing, Möser en Goethe.Zeitschrift für D. Wortforschung, IX, 310. Bij ons komt de zegswijze evenwel reeds in de 17de eeuw voor (anno 1604Zie Ndl. Wdb. VIII, 1721 of Volkskunde XXIII, 87.); ook bij Tuinman II, 108 (anno 1727): ‘Men moet leven en laten leven, dit is een zeer regtmaatige stokregel in de menschelyke t'zamenleving en onderhandelingen; en in 't byzonder behoort dit tusschen verkoopers en koopers te zyn. Dan zal 'er geen bytende woeker, maar eene betaamelyke winst tot beider voordeel plaats hebben’; Sewel, 432: Men moet leeven en laaten leeven, all the world must live; Harreb. III, 43; Villiers, 72; Antw. Idiot. 1870: 'Ne mensch moet leven en laten leven; Teirl. II, 210: Ge moet leven en laten leven, men moet ook goed jegens een ander zijn, doogen dat hij ook leeft; Jong. 173: Ik zeg maar leve en late leve; O.K. 53: En daarom zeg ik nou: leven en laten leven; M. de Br. 211: Leven en laten leven, zegt Harpagon; A. Jodenh, 29: Leve en lááte leve; Handelsblad, 21 Sept. 1914 (avondbl.) p. 1 k. 2: Maar indien Duitschland werkelijk bereid is te ‘leven en te laten leven’, zullen wij zeker de smeulende vonk niet uitblusschen; fri. men moat libje en libje litte; oostfri. man mut läfen un läfen laten; fr. vivre et laisser vivre; eng. live and let live; Wander II, 1852: ‘Man muss leben und leben lassen, wo man dieses Wort mit der Moral übereinstimmend anwendet, enthält es das Gesetz der Bereitwilligkeit gegen andre. Sonst wird es wohl auch gebraucht, um zu sagen, man müsse zuweilen bei der ungesetzlichen Handlungsweise anderer ein Auge zudrücken, damit sie ein Aenliches in Beziehung auf uns thun möchten.’

2340. Ergens een veer laten,

d.w.z. verlies lijden; besproken, belasterd worden; eig. gezegd van een vogel, die in een gevecht een veer verliest; bij overdracht toegepast op personen, die iets van het hunne moeten inboeten; bep. schade lijden aan hun goeden naam. Zie mhd. ein feder lassen, einbusse erleiden; Sart. III, 2, 52: Ghy sulter van u veeren moeten laten, in hominem alieni rapacem ac violentem. Hier heeft dus de uitdr. de bet. van: gij zult er bestolen worden, gij zult iets van het uwe (nl. geld) moeten missen, schade lijden; vgl. in dezen zin Campen, 111: hy hefter al een stertveere gelaten; Sart. IV, 27: hem is een steert-veer getrocken; Hooft, Brieven, 199; Ned. Hist. 240: Zoo de Landtzaat naa de geringste vordering taalde, hy moest onder hunnen (der Spanjaarden) arm deur, en daar eerst van zyn' veêren laaten; Tuinman I, 24; Sewel, 837: Hy heeft 'er van zyn veeren gelaaten, hy heeft 'er schaade geleeden; Handelsblad, 28 Juli 1915 p. 4 k. 4: De uitslag der herstemming toont dat de vrijzinnigen vrij wat veeren in dezen strijd hebben gelaten. Dat zij al vroeg ook toegepast werd op iemands goeden naam blijkt uit Campen, 118: Daer en can niet een voegel verby vliegen oft ghy moeten der een veer afhebben; Van Moerk. 330; De Brune, Bank. I, 376: Niemand zoo scheut-vry, of hy moet by hun, of dye of vleugel, of ten minsten, van zijn veren laten; J.v.d. Veen, Zinnebeelden, 14: Gij spotters die verwaant van yeder-een een veer trekt, weet, dat men achter rugh met u noch tienmaal meer gekt; Paffenrode, 85:

 Daer halense dan de goe luy over, en spreken van idereen quaed;
 Ja, daer is haest in de heele stad niet een dieder niet een veer en laet.

Sewel, 837: Al wien zy zien, moet by hun een veer laaten (zy zien niemand of zy spreeken 'er van), no body can pass them unmolested. De zegswijze is dus te vergelijken met De Brune, Bank. I, 3: dye of vleughel laten; het Neder-Betuwsche 'ne vlarrek laoteOnze Volkstaal II, 112.; het Zuidnederlandsche van zijne pluimen latenSchuermans, Bijv. 246 b; Waasch Idiot. 527 b; Antw. Idiot. 981; 1972.; haar (moeten) laten (hd. Haare lassen), iets van het zijne moeten inboeten, het kind van de rekening worden, maar ook gebruikt ‘met betrekking tot de schade die aan iemands goeden naam door kwaadsprekende tongen berokkend wordt’; Ndl. Wdb. V, 1401; 1411; Handelsblad, 28 Januari 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 5: In de revue ‘Verboden Toegang’ moet de Haagsche Raad weer verscheiden veeren laten; Nw. School, V, 342: De hooge oomes, die boekjes leuteren, zullen veeren moeten laten; De Vrijheid, 28 Mei 1924, 3de bl. k. 2: Ook de sociaal-democraten echter hadden veeren moeten laten (bij de verkiezingen); Amsterdammer, 18 Aug. 1923, p. 1 k. 4: Onwaarschijnlijk klinkt het niet, dat de ambtenaren weer het kind van de rekening zullen worden. Onder Minister De Geer hebben ze al een veer moeten laten: de pensioensbijdrage; minister Colijn zal ze nog wat kaler willen plukken. Van lichamelijke schade is sprake in Handelsblad 25 Sept. 1915 p. 1 k. 5 (avondbl.): Nu terug, eindelijk terug (gewonde krijgsgevangenen) - Donnerwetter ze hadden een veer moeten laten in het vreemde land. Maar de dokters zouden wel helpen met kunstarmen en -beenen. In het fri. in fear litte; hd. Federn lassen, schade lijden; ook Wolle lassen (Schrader, 438); fr. laisser des plumes; tirer une plume de l'aile à qqn; tirer à qqn pied ou aile (Hatzf. 2153). Zie no. 2344.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut