Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lat - (lang, dun en smal stuk hout)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lat zn. ‘lang, dun en smal stuk hout’
Mnl. latte ‘dakdekplaat’ [1240; Bern.], van latten ende van staken ‘van latten en palen’ [1285; CG I], ook wel de vorm laten ‘latten’ [1318-19; MNW]; vnnl. latte ‘lang, dun en smal stuk hout’ [1599; Kil.]; nnl. lat ‘id.’ [1773; WNT loopen I].
Os. latta (mnd. latte); ohd. latta (mhd. late, latte, nhd. Latte); me. laþþa (ne. lath); < pgm. *laþþō-; daarnaast pgm. *lattō-, waaruit oe. lætt (ne. dial. lat); nijsl. latta. Minder zeker is of er verband is met mhd. lade ‘plank, vensterluik’ (vnhd. lade(n) ‘winkeltje’, nhd. Laden ‘verkoopruimte, winkel’).
Etymologie onduidelijk. De gegemineerde -þþ- in de stam is uniek en moeilijk verklaarbaar. Er zijn geen met zekerheid verwante woorden buiten het Germaans, behalve misschien in het Keltisch: Oudiers slat ‘roede’, Welsh llath, Bretons laz; < Proto-Keltisch (s)lattā ‘stengel, stam’. De Romaanse talen hebben het woord wrsch. ontleend: Oudfrans late ‘daklat’ [ca. 1155; Rey] (Nieuwfrans latte [16e eeuw; Rey]), Italiaans latta, Oudspaans lata ‘daklat’ [13e eeuw; Corominas] (Nieuwspaans lata o.a. ‘lange stok of paal’), Catalaans llata ‘daklat’ [13e eeuw; Corominas].
Gezien deze beperkte geografische spreiding en de variatie in de slotmedeklinker van de stam, die op Indo-Europees niveau onverklaarbaar is, is dit woord wrsch. ontleend aan een voor-Indo-Europese substraattaal. Corominas meent dat Spaans lata en Catalaans llata, die beide al vroeg frequent geattesteerd zijn, wellicht inheems Iberisch zijn. Hierbij kan dan ook Baskisch lata ‘daklat’ worden aangevoerd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lat* [lang stuk hout] {lat(te) 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits latta, oudengels lætta (engels lath) en middelnederduits lade [tak, spruit], middelhoogduits lade [plank, kraam]; buiten het germ. (oud)iers slat, welsh llath [stok, paal].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lat znw. v., mnl. latte, os. ohd. latta, me. laþþe (ne. lath) wijzen op een grondvorm *laþþō; daarnaast echter ook *lattō blijkens oe. læt, nijsl. latta. Verder zijn te vergelijken mhd. lade m. ‘balk, vensterluik, winkel’ (nhd. laden) en met nasaal-infix mhd. lander n. ‘hek van latten’ (nhd. geländer). Daarnaast ook vormen als noorw. slindr ‘lange splinter, buigzame stang’, slind v. ‘dwarsbalk, muurplank’. — Idg. grondvorm is dus *(s)lat, vgl. iers. lat, kymr. llath (< *slatnā). Dus een stam alleen van het germ. en kelt.

De geminatie --þþ- in germ. *laþþō is niet duidelijk; daarnaast moet dan latto een jongere formatie zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lat znw., mnl. latte v. = ohd. latta (nhd. latte), os. latta v. “lat”. Deze vormen zouden op germ. *lattô(n)-, met tt uit idg. tn, dn of dȟn kunnen teruggaan, evenzoo ags. lætt v. “lat”. Aangezien wij dan echter den hd. vorm voor ontleend moeten houden en voor ’t Ags. blijkens meng. laþþe (eng. lath) “lat” ook een vorm met ðð aangenomen moet worden, is het waarschijnlijker, dat wij voor alle vormen van wgerm. *laþþô(n)- moeten uitgaan. De þþ is vreemd; vgl. mot I. Verwant is mhd. lade m. “plank, blind, kraam, winkeltje” (nhd. laden), Kil. laede (“Ger. Sax. Sicamb.”) “id.”, mnl. (oostelijk en in du. getinten tekst) lāde v. “tak, spruit, twijg”, mnd. lāde v. “tak, spruit, nakomeling”. Wellicht echter hebben deze woorden in de beteekenis “twijg” een germ. ð: vgl. mhd. sumerlate (-latte) v. “spruit van ’t laatste jaar”: dan staat deze vorm met den þ-vorm in gramm. wechsel. Verwant zijn ier. slat “virga”, russ. lotók “goot”, oi. latâ- “slingerplant, rank”. Ook arm. last “houtvlot, scheepskiel, boot”? Uit het Germ. fr. latte “lat” e.a. rom. woorden; ook in ’t Slav. is lat overgegaan.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lat. Bij de als verwant genoemde woorden buiten het Germ. is russ. lotók ‘goot’ nogal onzeker. Sommigen (o.a. Petersson Idg. Heterokl. 61) voegen hierbij nog lit. luõtas ‘boot’; ook onzeker, o.a. wegens het vocalisme.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lat v., Mnl. latte + dial. Hgd. latz, Ags. lœtta; daarnevens Ohd. latta (Nhd. latte), Ags. lœþþa (Eng.lath); ook nog Mhd. lade (Nhd. laden) = plank, blind, kraam, Hgd. laden = uitnoodigen, eig. met een plankje iets te kennen geven (cf. het kloppertje bij een geboorte) + Skr.latā = rank, Ier. slat, Bret. laz = roede, Ru. lotok = goot. Het Fr. latte, It. latta zijn ontleend aan 't Germ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1lat s.nw.
1. Lang, dun stuk hout wat van 'n tak of loot verkry en vir allerlei doeleindes aangewend word. 2. Lang, skraal man. 3. Buigsame loot as slaanding gebruik. 4. (geselstaal) Man. 5. (geselstaal) Seun wat aan die grootword is, of jong man. 6. (geselstaal) Been van 'n mens of dier.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. lat (Mnl. latte). Bet. 3 - 6 het in Afr. self ontwikkel. 'n Lang, skraal man word so genoem omdat sy voorkoms aan dié van 'n lat (1lat 1) herinner. Hierdie bet. is veralgemeen om ook bloot 'man' te beteken. 'n Seun wat opgroei of 'n jong man word wsk. so genoem omdat hulle in hul vormingsjare is en dit aan die buigsaamheid van 'n lat (1lat 1) herinner. Die been van 'n mens en dier word so genoem omdat dit aan die voorkoms van 'n lat (1lat 1) herinner. Eerste optekening in Afr. in bet. 3 by Mansvelt (1884).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

lat (de, -ten), (i.h.b.:) lineaal, meetlat. De onderwijzer van onze klas heeft een lat die gemaakt is van Bruynzeel en als hij je ermee slaat, word je direkt ziek. Daarom slaat hij niet snel, maar als hij boos is, slaat hij met alle kracht (Doelwijt 1971: 47). - Zie ook: schoollat*.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

lat: mager persoon. Reeds bij Cornelissen en Vervliet en bij Boekenoogen.

‘Bespottelijk,’ dacht Pit. ‘Wat zagen ze in die lat zonder charme?’ (Cissy van Marxveldt, Een zomerzotheid, 1927)
Maar ik laat me niet door zoo’n lat veraffronteeren. (De Vooys, Scheldnamen, spotnamen en vleinamen. Uit: Taalkundige opstellen. Deel III, 1941)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lat ‘lang stuk hout’ -> Zweeds latta ‘lang stuk hout, zeillat’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins † latta ‘meetplank; plank ter bevestiging van een zeil’ ; Ests latt ‘lang stuk hout’ (uit Nederlands of Duits); Indonesisch lat ‘lang stuk hout’; Jakartaans-Maleis lat ‘lang stuk hout’; Keiëes lat ‘lat, draagbaar’; Kupang-Maleis lata ‘lang stuk hout’; Sranantongo lati ‘lang stuk hout’; Saramakkaans láta ‘daklat’; Sarnami láti ‘lang stuk hout’; Surinaams-Javaans lati ‘lang stuk hout’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lat* lang stuk hout 1240 [Bern.]

lat munteenheid van Letland 1991 [2000 Standard Catalog of World Coins] <Lets

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1111. (Van) katoen geven,

buitengewoon zijn best doen; iemand duchtig afranselen, dial. iemand katoenen, iemand afranselen; de les lezen. In tooneeltaal verstaat men er onder zinnen met overdreven stemuitzetting en kracht zeggen; hol pathos; syn. van van draad geven of (hem) van hakkiedou geven (Onze Volkstaal III, 254; Handelsblad, 7 Maart 1917 (O), p. 3 k. 2Een werkelijke actrice, die zooals 't heet ‘'m van hakkidouw gaf’., naast een ww. hakkidouwen in Handelsblad, 17 Juni 1919 (A): Soberheid in elke uiting, ‘hakkidouwen’ is gedaan; het tooneel moet ons ontroeren, zonder lach en zonder traan). De uitdr. is algemeen bekend ook in den vorm katoen geven in Zuid-Nederland; zie Molema, 197: Van ketoen geven, er dapper op inslaan, uit alle macht werken, kloppen, enz.; Gunnink, 146; Nkr. IV, 15 Mei p. 2; 8 Mei p. 4; VI, 1 Juni p. 3; 14 Sept. p. 2; 9 Nov. p. 4; Zondagsblad v. Het Volk. 2 Mei 1914, p. 1 k. 2: Hij sprak als deelde hij meppen uit; hier een en daar een, en geef-'m-van-katoen; Handelsblad, 18 Sept. 1913 (ochtendblad), p. 1 k. 6: Zelf speelde de heer Schwab den aanvoerder der familie, graaf Ladislaus. Het deed deugd hem zoo ‘van katoen’ te zien geven; 27 April 1913, p. 1: In Paljas gaf hij 'm te veel van katoen, wellicht aangemoedigd door het applaus, dat des te sterker weerklinkt, naarmate het spel pathetischer is; Zondagsblad van Het Volk, 25 Oct. 1913, p. 1 k. 2: Ha, dat pakt! Nou zal ik 'em van katoen geven; Nw. School, VIII, 184: En dan besluit-ie, 'em even modern van katoen te geven; Handelsblad, 5 Sept. 1915 (ochtendbl.) p. 6 k. 4: Mevrouw de Vries geeft 'm van schietkatoen. We sidderen bij 't schermvallen; Schuermans, Bijv. 150; Joos, 79; 't Daghet XII, 187; Rutten, 108: katoengeven, hardloopen, alle pogingen aanwenden om iets te bekomen; Teirl. II, 115: katoen geven, met kracht, drift, geweld te werk gaan; zijn uiterste best doen; fr. donner du coton, donner de la peineLorédan Larchey, I, suppl. 36; nouveau suppl. 68.. Van katoen krijgen, er vanlangs krijgen, vgl. C. Scharten, de Roeping der Kunst, bl. 228: In het derde gedeelte van het tweede hoofdstuk krijgt zóó eerst Neels schoonzuster, de goedhartige en heerschzuchtige Nel, van katoen. In de plaats hiervan zegt men ook lamet -, peper -, scheut -, sneê -, draad -, lonte - (Schuermans), snaar geven (Schuerm. Bijv. 308); klouw geven (Joos, 79); fut -, (van) de kodde -, lament -, van de latte -, van (n)ijken -, van de neute -, krepee -, snoer -, poer of poeier, zwee geven, enz. (zie De Bo), gers of beurze geven (Kl. Brab.), gas, jas, kemp, van den moor, borze geven (Waasch Idiot.); feter geven of krijgen, een pak slaag (Antw. Idiot. 417); gort, gras, wind geven, hardloopen (Kinderspel en Kinderlust I, 67). Blijkens de Zuidnederlandsche uitdrukkingen van de lamet of lament geven, d.i. (van) de lampepit geven, moeten wij onder katoen lampekatoen, katoengaren verstaan, dat in groote rollen kluwens wordt opgewonden en een lange lijn vormt, zoodat we de uitdr. kunnen vergelijken met feter -, bucht -, (van) draad -, snoer -, snaar -, klouw (kluwen) geven en onze uitdr. bocht geven en botgeven. (Van) katoen (geven) beteekent derhalve ruimschoots (eig. waarbij de schoot gevierd is), in volle mate, niet gering, flink geven (zie no. 973) en in toepassing op eenigen arbeid: flink werken, zich krachtig inspannen; of bij een strafoefening: duchtig afranselen, van Delft tot Leiden geven, zooals men in de 17de eeuw zeide, waarvoor men in Groningen, volgens Molema, 538 a, nog zegt: hij krigt van Laiden noa Delft (zie Ndl. Wdb. VIII, 231). Misschien mag ook vergeleken worden iemand trens, laken (zie Schoolm. 254) geven, iemand afrossen; hij geeft 'm van Jetje (eig. sajet? Köster Henke, 28Door Voorzanger en Polak, bl. 165 wordt gedacht aan een verkleinw. van jad, hand.); Haagsche Post, 20 Juli 1918, p. 857, k. 3: Die lui van 't Rembrandtplein geven hem, wat je noemt, geweldig van Jetje; A.v.A.: 'k Ga na 't Zeemanshuis, dan lichten ze je daarover eventjes bij..... van geef 'm jetje; V. Hulzen, Machteloozen, bl. 117; Kunstl. I, 1: Stil toch lieve mins, schreeuw soo niet.... de bure salle denke dat 'k m'n wijfje van jetje geef; Handelsblad 4 Sept. 1915 (avondbl.), p. 6 k. 4: Armzwaaiend vloog ze over de heele breedte van de Bühne, al maar roepend: ‘'t Is vreesselk, 't is vreesselk’. Het was duidelijk: Do wou 'm van Jetje geven; Do wou, bij wijze van verrassing, es laten zien wat ze kon.

1127. Hij heeft veel op zijn kerfstok,

d.w.z. hij heeft veel misdreven; hd. er hat viel auf dem Kerbholz; fri. hy het gâns op syn kerfstok; Afrik. hy het al baie op sy kerfstok. Onder een kerfstok verstond men vroeger een stok of hout, waarin kerven of insnijdingen werden aangebracht; bepaaldelijk een stok, die het ‘rekenboec’ (het afrekeningsboek, het boekje) vervangt bij personen, die niet schrijven kunnen; de betaling werd door een kerf of insnijding aangeduid, terwijl schuldeischer en schuldenaar elk een stok hadden, die te gelijk gekerfd werden en waarvan dus de insnijdingen nauwkeurig met elkander moesten overeenkomen, zoodat vervalsching onmogelijk was. Veel op zijn kerfstok hebben wil derhalve eig. zeggen veel schulden hebben, diep in de schulden zitten, doch wordt tegenwoordig alleen van zedelijke schulden gezegd; vgl. ook den kerfstok vol hebben in den zin van zooveel op zijn geweten hebben, dat er niet meer bij kan (zie ook Villiers, 61) en hoog op stok (= kerfstok) loopen, duur wordenHarreb II, 308 a; Paffenr. 102.; 17de eeuw en thans nog dial. zijn kerfstok is van ijzer, hij kan geen kwaad doen, hem wordt alles vergeven (Boekenoogen, 412). Zie het Mnl. Wdb. III, 1345; Tuinman I, 137; Schuerm. 234 a; Afrik. dit gaan bo sy kerf, dat gaat hem te ver naar zijn zin, en vgl. no. 972. In Zuid-Nederland zegt men op 'nen nieuwen kerf beginnen, de oude schuld betalen en weer eene nieuwe maken (Waasch Idiot. 336 a; Teirl. II, 125); veel op zijn kerf hebben; zie Antw. Idiot. 1805; De Bo, 511, waar uit Poirters wordt aangehaald:

En soo ick 't u eens seggen derf,
Daer staet al veel op uwen kerf.

Zie nog Volkskunde X, 26; De Cock1, 44; Wander II, 1243-1244; vgl. het Friesche breaprikke en breastok (kerfstok van den bakker).

Syn. van kerfstok is lat; vgl. Boekenoogen, 560; Ze haalt alles op de lat; Köster Henke, 38: lat, kerfstok. Me olmse (vader) had daar aardig op de lat (op de pof, op crediet) gedronken; een lange lat, veel schuldNdl. Wdb. VIII, 1040.; Amst. 99: Op de lat drinken (syn. van op lef drinken); Slop, 15: Op de lat drinken heeft z'n tegen, is ook niet dàt!; bl. 37: De kastelein dacht er aan dat de kermis slecht ging en er van Pier breed op de lat stond; P.K. 150: Er is geen cent meer in huis, en 'k heb overal op de lat gehaald; Amst. 172: 'k Zal zien dat ik voor de kinderen wat melk en brood op de lat krijg; Jord. II, 330: Vader Tram! ..... schreeuwde Piet naar 't buffet..... geen druppel op de lat!; zie ook bl. 355 en 362; in Twente: wat an de latte hebben.

Ook foelie heeft de beteekenis van kerfstok (eig. blad uit een koopmansboek); Köster Henke, 17: foelie, kerfstok: Je hebt veel op je foelie; Zandstr. 58: Omdat hij al zooveel op zijn foelie had; Dievenp. 98: 't Is 'n schandaal! vloekt ie, om me als 'n boef op te knappen, als ik niks op m'n foelie heb; ook foelielat (zie Peet, 406). Eveneens is dial. bekend iets op den reutel halen (vgl. Menschenw. bl. 99; 210; 513Vgl. De Vries, 92: Reutel, been uit een varkenspoot, waarin een paar gaatjes zijn geboord. Door deze gaatjes wordt een touw gestoken en nu kunnen de kinderen er een snorrend geluid mee maken. Of dit hetzelfde woord is?); Jord. II, 368: Riek, die beweerde dat ze alles op den reutel kon krijgen wat ze hebben wou; Menschenw. 538: Hij zoop op den reutel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut