Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

laster - (schandelijke bejegening, kwaadsprekerij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

laster zn. ‘schandelijke bejegening, kwaadsprekerij’
Onl. laster ‘schande, smaad’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. laster ‘schande; schandelijke bejegening’ [1240; Bern.], daarnaast de vorm lachter in die yemene lachter seget ‘wie tegen iemand lastertaal uit’ [1237; CG I].
Os. lastar (mnd. laster); ohd. lastar (nhd. Laster); ofri. laster; alle ‘smaad, hoon, verwijt, berisping, gebrek’, < pgm. *lah-stra-. Daarnaast pgm. *lah-tra- ‘id.’, waaruit: mnl. lachter; oe. leahtor. En pgm. *lah-stu-, waaruit on. löstr ‘id.’. Alle pgm. vormen zijn afleidingen van de stam van het sterke werkwoord pgm. *lahan- ‘berispen, verbieden’, waaruit: os. lahan; ohd. lahan; oe. lēan; nijsl. ; in de West-Germaanse talen is het werkwoord niet bewaard gebleven.
Pgm. *lah- is wrsch. verwant met Oudiers locht ‘schuld, fout’ (IEW 673), bij een te reconstrueren wortel pie. *lok-. Als deze woorden afkomstig zijn uit een voor-Indo-Europese substraattaal (Boutkan/Siebinga 2005), zouden met prenasalisatie, wat een frequent verschijnsel is bij Noord-Europese substraatwoorden, ook verwant kunnen zijn: Lets lañgât ‘honen, lasteren’ en misschien Middeliers lang ‘verraad’.
De vorm lachter raakte in de 17e eeuw in onbruik.
lasteren ww. ‘kwaadspreken’. Onl. *lasteron ‘berispen’ in lastrindero (teg.deelw.mv.) ‘de berispenden, zij die berispen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. lasteren ‘afkeuren, verwijten, beschuldigen’ [1240; Bern.], ook lachteren in wie so schepene ... lachter met worden ‘ieder die kwaad spreke over schepenen’ [1254; CG I]. Afleiding van laster, lachter.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

laster* [kwaadsprekerij] {oudnederlands laster [schande] 901-1000, middelnederlands laster, lachter [schande, smaad]} oudsaksisch, oudhoogduits lastar, oudfries laster, oudengels leahtor, oudnoors lǫstr; buiten het germ. iers locht [gebrek]; verwant met een ww. voor berispen dat luidt oudsaksisch, oudhoogduits lahan, oudengels lean.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Laster

Het woord laster heeft in het Nederlands een bijzondere en beperkte betekenis gekregen. Men verstaat er onder: het vertellen van leugenachtig kwaad over iemand met de bedoeling hem in zijn eer en goede naam aan te randen. Een woord dat er ongeveer synoniem mee is, is eerroof.

Vroeger en nu nog in het Duits had laster een wijdere betekenis. Het werkwoord dat er bij hoorde betekende: berispen en het zelfstandige naamwoord: schande, hoon. Vandaar de betekenis: ondeugd, zonde. In die betekenis worden laster en lasteren nu niet meer gebruikt, behalve in Godslastering. Daar is de oude betekenis: schimpen, honen bewaard gebleven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

laster znw. m., mnl. laster m. ‘schande, hoon’, onfrank. laster ‘improprium’, os. ohd. lastar ‘schande, gebrek’, ofri. laster ‘beschadiging, hoon’ uit grondvorm *lah-stra, waarnaast *lah-tra in mnl. lachter ‘schande, hoon’, oe. leahtor ‘slechte daad, gebrek, schade’ en *lah-stu in on. lǫstr m. ‘schade, gebrek, blaam’. De stam *lah in het ww. *lahan, vgl. os. ohd. lahan, oe. lēan, nijsl. ʿ berispen’. — Daarmee is alleen te verbinden oiers locht ‘schuld, fout’ (IEW 673); dus voorbeeld van een woord van het germ.-kelt. taalgebied.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

laster znw., mnl. laster m. “schande, hoon”. = onfr. laster m. “improperium”, ohd. lastar o. “schande, hoon, gebrek” (nhd. laster), os. lastar o. “berisping, hoon”, ofri. laster o. “beschadiging, hoon”. Uit germ. *laχ-s-tra-, waarmee on. lǫstr m. “schade, gebrek, blaam”, uit *laχ-s-tu-, verwant is, en verder mnl. lachter m. (o.) “schande, hoon”, ags. leahtor m. “slechte daad, gebrek, zonde, schade, iets kwaads”, uit *laχ-tra-. Al deze woorden komen van laχ-, den stam van het ww. ohd. os. lahan “berispen”, ags. lêan “id.”. Verwant is ier. locht “gebrek”. Wegens de bet. is de verdere combinatie met lat. loquor “ik spreek”, gr. láskō “id., ik schreeuw” (aor. élakon) te verwerpen. Andere combinaties (met gr. élenkhos “smaad” e.a.) zijn nog onaannemelijker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

laster. De afl. lasteren ook ofri.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

laster m., Mnl. id., Onfra. id. + Ohd. laster (Mhd. laster, Nhd. id.); daarnevens lachter, Mnl. id. + Ags. leahtor: het eerste met -str-, het tweede met -tr- van Os. en Ohd. lahan, Ags. léan = berispen + Oier. locht = gebrek.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Laster is een afl. van een w.w., dat in ’t Os. lahan = afkeuren, berispen bet. Het Oudgerm. had als z.n.w.: lahstra (waarin stra een achtervoegsel is), en dat in het Os. lastar luidde. Vgl. Hooft: „Uit vrees voor algemeenen laster” (afkeuring van zijn boek).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

laster ‘kwaadsprekerij’ -> Duits dialect im Laster liggen ‘belasterd worden’; Negerhollands laster ‘kwaadsprekerij’; Papiaments † laster ‘blasfemie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

laster* kwaadsprekerij 1599 [kil]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut