Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

last - (vracht; hinder; opdracht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

last zn. ‘vracht; hinder; opdracht’
Onl. last ‘bepaalde gewichtseenheid; vracht’, alleen in Latijnse oorkonden: unum last allecis per singulos annos ‘één last haring per jaar’ [1107; ONW], venale afferentes fertonem de quolibet last solvant ‘zij die met koopwaar aankomen, moeten over ieder last een kwart zilvermark betalen’ [wrsch. 1122; Slicher van Bath]; mnl. last ‘taak, verplichting, opdracht’ in de last es mi al te grod ‘de last is me veel te groot’ [1285; CG II], ‘vracht’ [1287; CG II], sonder last van waterpenigghen ‘zonder waterbelasting’ [1297; CG I], ‘hinder’ in God [is] sonder last van waghen ‘God heeft geen last van wankelen, God wankelt niet’ [1380-1425; MNW-R].
Mnd. last (waaraan ontleend nzw. last); ohd. (h)last (nhd. Last); ofri. hlest (nfri. lêst); oe. hlæst (ne. last); < pgm. *hlasti-, ontwikkeld uit *hlaþ-ti-, afleiding van de wortel *hlaþ- van → laden. Uit *hlaþti- ontstond door Primärberührung eerst *hlassi- (waaruit nog on. hlass ‘last’), dat niet meer herkend kon worden als abstractum en waaraan opnieuw een achtervoegsel *-ti- werd toegevoegd. Het is ook mogelijk dat *hlasti- door assimilatie ontstond uit *hlaþ-sti-, met *-sti- als jongere, West-Germaanse variant van *-ti-, ontstaan door herinterpretatie van bijv. dors-t en vors-t als dor-st en vor-st. Zie ook bijv.bronst en → komst, die eveneens met pgm. *-sti- zijn gevormd.
Lit.: Schönfeld, par. 167

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

last* [vracht, hinder] {1275} middelnederduits last, oudhoogduits (h)last, oudfries hlest, oudengels hlæst; van laden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

last znw. m., mnl. last m. v. o., mnd. last v., ohd. hlast, last m. v., owfri. hlest, oe. hlæst o. Germ. *hlasta, *hlastu < *hlaðsta, *hlaðstu, een afl. met -sta, -stu van *hlaþan, waarvoor zie: laden. — > ne. dial. last ‘hoeveelheid, gewicht’ (sedert 14de eeuw; eerder uit mnl. dan mnd. meent Bense 178); > fra. last, laste ‘gewicht van 2 ton’ (sedert de 17de eeuw; vgl. Valkhoff 179).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

last znw., mnl. last m. v. o. = ohd. (h)last m. v. (nhd. last v.), mnd. last v., owfri. hlest (m. v. o.?), ags. hlæst o. “last”. Germ. *χlasti-,*χlastu-,*χlasta- (χlastiz-, -az-?) uit *χlað-sti- of *χlaþ-sti- enz. Van den stam van laden met dgl. st-formans als dienst van dienen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

last m., Mnl. id. + Ohd. hlast (Mhd. last, Nhd. id.), Ags. hlœst (Eng. last), Ofri. hlest, On. hlass (Zw. en De. last): *hlaþ-t- of *hlaþ-st-, van laden (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

las II: iets wat op iemand of iets gelaai is; ergernis, moeite; Ndl. last (Mnl. last), Eng. (sedert 14e eeu dial.) last, “hoeveelheid; gewig”, wu. Fr. (sedert 17e eeu) last(e), “gewig v. 2 ton”, almal verderop verb. m. laai II.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

last (but) not least (Engels last (but) not least)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

last ‘hinder’ -> Negerhollands last ‘hinder’; Sranantongo last ‘hinder van een vloek’.

last ‘vracht’ -> Deens last ‘vracht’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors last ‘vracht, lading’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds läst ‘oude inhoudsmaat voor het verschepen van o.a. houtskool’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds last ‘vracht, lading’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins lasti ‘vracht’ ; Ests last ‘vracht’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans lest ‘ballast (gewicht om een schip te stabiliseren); gewicht (meestal zand) om een luchtballon te stabiliseren’; Frans last(e) ‘gewicht van 2 ton of 2000 kg’; Italiaans lasta ‘vracht, gewicht’ ; Spaans lastre ‘ballast’ ; Portugees lastro ‘gewicht dat zich onder in het ruim van een schip bevindt om het stabiliteit te geven; waarborgsom in goud dat dient als garantie voor papiergeld’ ; Baskisch lasta ‘ballast’ ; Russisch † last ‘vracht’; Lets lasts ‘oude inhoudsmaat’ (uit Nederlands of Duits); Litouws lastas ‘oude inhoudsmaat voor het verschepen van o.a. houtskool’ (uit Nederlands of Duits); Negerhollands last ‘vracht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

last* vracht 1122 [Slicher]

last* hinder 1301-1400 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

545. Het einde zal den last dragen,

d.w.z. het begin eener zaak kan gemakkelijk schijnen, doch aan het einde komen de moeilijkheden, ‘bij de uitkomst ontdekken zich de zwarigheden’. In de middeleeuwen te vinden in Scaecspel, 29: Want al heeft dat beghinne een goet behaghen, teynde voorwaer moet den last draghen; bij Matthysz, 78: Het is een out woirt: tbeghinsel is een goet behaghen mar teynde moet den last dragen; bl. 219: Die achterste lasten meest weghen. Zie verder Goedthals, 19: tBeginsel magh behaghen, het eyndeken moet den last draghen, la fin loue l'oeuvre; Campen, 35: een guedt begin is een guedt behaghen, mer t Eynde moet den last draghen; Spieghel, 275; Winschooten, 57: Het end draagt den last: dat is, de swaarigheid komt op het laatst; De Brune, 368; Smetius, 237; 274; Pers, 283 b; Lichte Wigger, 14 r; Sewel, 213; Bebel, no. 475; Erasmus, LXXX en bl. 494; Wander I, 815; Joos, 150; 211: Het eindeken lijdt dikwijls den last; Antw. Idiot. 1677: 't Endeken lijdt de(n) last; Harrebomée I, 3 b en III, 121-122; het oostfri.: anfang is 'n walbehagen, man 't endje mut de lasten draghen; fri.: it ein scil de lêst drage; hd. das End muss den Last tragen; nd. das Enne dreggt de Last (Eckart, 98).

916. Holland is in last,

d.w.z. er is groote nood; meestal toegepast op hen, die van een beuzeling een groote zaak, veel drukte maken; zie ook Molema, 163 b. Dat deze zegswijze niet, zooals Borchardt bij de verklaring van Holland in Nöten meent, uit den tijd van onze oorlogen met Lodewijk XIV dagteekent, bewijst het voorkomen bij Sartorius III, 4, 82: Bijt hem een vloo, soo is Holland in last: in eos, qui quamtumlibet levi de re graviter perturbantur, perinde ut in maxima. Zie ook Winschooten, 134; Smetius, 72; Brederoo, Sym. s. Soet. 448; Ndl. Wdb. VI, 881; De Amsterdammer, 4 Jan. 1914, p. 2 k. 2: En als er dan, na maanden, nog een kindje komen moet, is Holland natuurlijk in last; O.K. 8: Ja, lach jij maar, later is Holland in last, als je maag geen enkele fatsoenlijke neiging meer heeft; Het Volk, 1 Nov. 1913, p. 6 k. 2: Hadden zij niet zooveel huizen onbewoonbaar verklaard, dan was Holland nu niet in last geweest; enz. Volgens Tuinman I, 300 ziet deze zegswijze op den toestand van ons land in 1562, toen we geteisterd werden door een watersnood, en er ‘een penning geslagen wierd, vertoonende een schip, dat van hevige stormwinden en watergolven geslingert, en op 't zinken was. Hierop stonden mannen, die met de handen op hunne hoofden, volgens 't omschrift, baden: Domine, salvo nos, perimus’. Ook dit kan niet juist zijn, daar, zooals gebleken is, de uitdr. reeds in 1561 bij Sartorius voorkomt. Tot nu toe is de oorsprong dus niet bekend.Dr. A. J Botermans meent, dat men niet aan een bepaald feit behoeft te denken, daar men eigenlijk wilde zeggen: ‘of de andere provinciën al in moeilijkheden geraken of verkeeren, of zij zich al opofferingen moeten getroosten ten gerieve van Holland en Zeeland - dat komt er natuurlijk niet erg op aan, als 't Holland (en Zeeland) maar wèl gaat. Maar o jé - als men 't daar te kwaad krijgt: dan is Holland in last; en dat is heel wat erger!’ (Taal en Letteren XI, 442). Vgl. Leiden is ontzet! Leiden in nood (Harreb. II, 15 a) en Fokke, B.R. 2, 197: Dan was Holland in last en Zeeland in arbeid (dan was alles angst en vrees).

Naast dez uitdr. vindt men ook Leiden is in last; zie o.a. Het Volk, 13 Sept. 1913, p. 2 k. 4: Toen was Leiden natuurlijk in last (toen had je de poppen aan 't dansen); 30 Oct. 1913, p. 2 k. 4: Dan zou Leiden in last geweest zijn; Nkr. I, 1 Dec. p. 6: Na het vreeselijk gebeuren was Leiden in last; Handelsbl. 8 Oct. 1913 (ochtendbl.) p. 3 k. 2: Toen had hij ternauwernood genoeg om een bordje rijst te koopen. Leiden in last.

956. De hoogte krijgen (of hebben),

d.w.z. dronken worden of zijn, de pruif, de last hebben (Köster Henke, 56; 38); eene sedert de 17de eeuw gebruikelijke uitdrukking naast de hoogte van zijn gedachten krijgen (d.i. niet verder kunnen denkenZie Ndl. Wdb. VI, 1046, waar ook het vermoeden wordt uitgesproken dat de oorsprong der uitdr. in het zeewezen moet worden gezocht, wat met het oog op de vele synonieme zegswijzen, die veelal aan 't zeewezen ontleend zijn, niet onmogelijk is. Zie De Cock1, 240.. Zie Winschooten, 212: Een roes suipen, soo veel drinken, dat men de hoogte heeft, en lustig vroolijk begint te werden. De zin van de uitdr. hij heeft de hoogte is volgens Tuinman I, 121: ‘'t Loopt met hem zo hoog als 't gaan mag, hem dient niet meer’; vgl. ook Halma, 572: Hij heeft al een halven roes weg, hij heeft de hoogte al; fri. hy het de hichte of de miette; eng. to get into one's altitudes, opgewonden worden. Syn. boven of over zijn bier of zijn thee(water) zijn (Harreb. I, 55); vgl. eng. cold tea, alcoholische drank; Harreb. II, 329: Hij drinkt sterke thee, hij is een liefhebber van sterken drank; M.z.A. 170: Allengs gebeurde het vaker dat hij boven zijn thee was; Speenhof VII, 63: Als tie 's middags dan naar huis komt, istie boven z'n thee; Lvl. 65: Ik ben gisterenavond 'n beetje boven m'n theewater thuis gekomen; Kalv. II, 47: Hij deed alsof hij een beetje boven zijn theewater was; O.K. 173; 't Was een goedhartige kerel en leuk! - vooral als ie 'n klein beetje boven z'n theewater was; Handelsblad, 27 Januari 1915 (avondbl.), p. 5 k. 6: Er wordt wel eens een pintje bier te veel gedronken en er raakt wel eens iemand boven zijn theewater; Propria Cures, XXVI, 173: O, zult ge zeggen dan was er zeker een examen-fuif en waren de lui een klein beetje boven hun tweewater; Kippev. II, 258: Ik voel zelf al dat ik behoorlijk de hoogte krijg; I, 232: Maar ik ben boven mijn bier; Nw. Amsterdammer, 8 Mei 1915 p. 3 k. 2: De barbier boven de bierbar was bar boven zijn bier; Handelsblad, 17 Aug. 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 2: De man kon toen de weelde van al dat geld niet meer dragen. Hij raakte boven zijn bier; fri. oer (of boppe) syn bier wêze; vgl. ook het eng. to be over one's cups.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut