Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lassen - (door samensmelting verbinden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lassen ww. ‘door samensmelting verbinden’
Mnl. lasschen ‘verbinden m.b.v. een verbindingsstuk’ in van eenre balke, daer die roede mede ghelasschet wert ‘van een balk waarmee de molenroede verbonden wordt’ [1343-44; MNW]; nnl. ‘verbinden van metalen voorwerpen d.m.v. samensmelting’ in onder ... lasschen verstaat men ... zonder bindmiddel vereenigen, als het ware aaneensmelten, van ... metaal [1908; WNT].
Herkomst onzeker, maar wrsch. ontleend aan Frans lacer ‘vastbinden’, ontwikkeld uit Latijn laqueāre ‘id.’. De betekenis moet zich dan in het Nederlands hebben uitgebreid van ‘verbinden m.b.v. veter, snoer, touw e.d.’ naar ‘verbinden met een verbindingsstuk in het algemeen’. Minder wrsch. is dat de oorspr. betekenis ‘lap, flard’ is en het woord afgeleid zou zijn van een Germaans bn. dat ‘slap’ betekent.
Bij die laatste mogelijkheid horen o.a.: mnd. lasche, las ‘wigvormige lap’ (waaraan ontleend nzw. lask ‘lap’); mhd. lasche ‘lap’ (nhd. Lasche ‘strook stof; las’); misschien van pgm. *las- ‘slap, zwak’, waaruit: mnd. lasich, las(ch) ‘moe, uitgeput’ (ontleend als nhd. lasch ‘slap, futloos’); nfri. lask ‘dun, mager, ongetrouwd, vrij’; on. löskr ‘flauw’; got. lasiws ‘zwak’.
las zn. ‘verbindingsstuk’. Mnl. lasch(e) ‘soort houtverbinding’ in 3 lassche [1367; Coutant 1994], een lasch ‘verlengstuk dat aan een ander stuk hout gezet is’ [1400; Coutant 1994]; vnnl. ‘tussenzetsel, ingezette lap’ [1599; Kil.], gansch sonder naad of lassen [1622; WNT]. Afleiding van lassen.
Lit.: Y. Coutant (1994), Middeleeuwse molentermen in het graafschap Vlaanderen, Tongeren

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lassen* [een verbinding maken] {lasschen [een las aanbrengen, samenvoegen] 1317} van las1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lassen ww., mnl. lasscen ‘een houtverbinding maken’, nhd. laschen ‘met zwaluwstaarten (laschen) verbinden, samenvoegen, lappen’, ne. lash ‘verbinden’. — Afl. van las 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lasschen ww. Afl. van las. Mnl. lasscen “een houtverbinding (lassce) aanbrengen, samenvoegen, verbinden”. = nhd. laschen “met laschen (zwaluwstaarten) verbinden, voegen, lappen”, eng. to lash “verbinden”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lassen ‘een verbinding maken’ -> Indonesisch las ‘twee constructiedelen in de lengterichting aan elkaar verbinden’; Jakartaans-Maleis las ‘een verbinding maken’; Madoerees las ‘een verbinding maken’; Menadonees las ‘een verbinding maken’; Muna lasi ‘een verbinding maken’; Negerhollands las ‘wikkelen, binden’; Berbice-Nederlands lasi ‘een verbinding maken’; Papiaments las (ouder: lasch) ‘een verbinding maken’; Sranantongo las ‘een verbinding maken’; Surinaams-Javaans ngelas ‘een verbinding maken’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lassen* een verbinding maken 1317 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal