Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lariks - (naaldboom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lork zn. ‘lariks, naaldbomengeslacht (Larix)’
Vnnl. in de samenstelling lorckenboom [1584; Dodonaeus], lercken-boom [1599; Kil.], larckenboom [1660; WNT overslaan]; nnl. lerken-boom, larixboom [1758; WNT], lork [1874; WNT].
Ontleend aan Latijn larix (genitief laricis) ‘lariks’, een leenwoord uit een onbekende taal, wrsch. uit het Alpengebied, waar de Larix decidua ‘Europese lariks’ inheems is. Wisseling van -er-/-ar- voor medeklinker komt in het Nederlandse vaak voor (zie → merk); de variant lork kan dan zijn ontstaan uit lark.
Ohd. lerihha, lerihboum (mhd. larche, lerche, nhd. Lärche); door ontlening aan het Duits bovendien: ne. larch, nzw. lärkträd. Fries heeft voor ‘lariks’ de moeilijk te verklaren vorm liere.
De Keltische stam *daru- ‘eik’ (Oudiers daur, Welsh dar), die door sommigen met larix wordt verbonden (Ernout/Meillet, OED), is niet verwant, zie → teer 1 ‘pek’.
lariks zn. ‘lork’. Vnnl. larix ‘boom lijkend op de pijnboom’ [1544; Paludanus], de Larix of Leeuwerken-boom [1682; WNT]; nnl. lariksboom [1820; WNT zwam I]. Jongere rechtstreekse ontlening aan Latijn larix.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lariks [naaldboom] {1682} < latijn larix [lork], misschien gallisch. Het woord is in het nl. tweemaal uit het lat. overgenomen, vroeg als lork en laat als lariks.

lork [lariks] {lorckenboom 1554} < latijn larix (vgl. lariks).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lariks znw. m., laat-nnl. < lat. larix. De Romeinen leerden de boom in de Alpen kennen en namen ook de naam, die hij bij de keltische bevolking had, over. Reeds vroeg (nog met uitspraak van lat. k voor e) werd de naam door de Duitse bevolking ontleend: ohd. *larihha, *lerihha, mhd. lerche, larche (nhd. lärche), maar ook in het nnl. (saksische dial.) lark, lerk, waaruit later lork (vgl. reeds Kiliaen lorckenboom).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lariks znw. Jonge ontl. uit lat. larix. Een oude ontl. hieruit is ohd. *lerihha, *larihha, mhd. lerche, larche (nhd. lärche) v. “lariks”. Eng. larch “id.” kan ook een oude ontl. zijn, al komt ʼt eerst later voor. Nnl. lorkeboom, Kil. lorckenboom zal wel een vervorming van *larkenboom, *larkenboom zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lariks. Ouder-nnl. en in nnl. (vooral saks.) diall., komt de aan het slot vermoede vorm lark(eboom), lerk(eboom) inderdaad voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lariks m., uit Gr.-Lat. larix (z. lorkeboom).

lorkeboom m., gelijk Hgd. lorche, met bijvorm lärche, uit Lat. acc. laricem, terwijl lariks (z.d.w.) uit nom. larix.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lariks (Latijn larix)
lerk (Duits Lärche)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lariks naaldboom 1682 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut