Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lap - (stuk doek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lap zn. ‘stuk doek of stof’
Onl. lap ‘zoom van een kledingstuk’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. lap, lappe ‘stuk doek of stof’ wrsch. al in de toenaam van Willames Lap ‘... kleermaker’ [1351; Debrabandere 2003], maar in elk geval in eene rode lappe [ca. 1468; MNW], ook wel van iets anders, bijv. ‘stuk grond’ in van den 2 morghen ende van den lappen ‘voor de twee morgen (aan land) en voor de lapjes grond’ [1343-46; MNW].
Os. lappo (mnd. lappe); ohd. lappo, lappa (nhd. Lappen); ofri. lappa (nfri. lape); oe. læppa (ne. lap ‘schoot’); nzw. lapp; alle oorspr. ‘lap, afhangend stuk stof, enz.’, < pgm. *lappa-. Met umlaut bovendien on. leppr ‘lok, lap’ (nijsl. leppur). De *-pp- kan ontstaan zijn door hetzij assimilatie, van *lapna- (FvW, BDE) of al in het pie. *-bn- > *-bb- > pgm. *-pp-, hetzij door expressieve geminatie uit *lapa- (NEW).
Verdere etymologie onduidelijk. Wellicht ontwikkeld uit de nultrap pie. *lh2b- van de wortel *(s)leh2b-, die ook ten grondslag ligt aan → slap en → slapen. Misschien is ook → laf verwant. Minder wrsch. is verwantschap met een groep Oost-Europese woorden met betekenissen ‘blad, bast e.d.’: Grieks lépos ‘schors’, lépein ‘pellen’; Litouws lāpas ‘blad’; Russisch vero. lepen' ‘lap’, lepest ‘bloemblad’; en ablautend: Litouws lõpas ‘lap’; Russisch lapot' ‘schoen uit boombast’; Albanees lapë ‘vod, lap’; < pie. *lep- (IEW 678), met in het Germaans een achtervoegsel *-na- < pie. *-no-. Problematisch hierbij is dat men hier het achterwege blijven van de Germaanse klankverschuiving in de cluster *-pn- moet veronderstellen.
lappen ww. ‘herstellen’. Mnl. item iiij s van lappene ‘evenzo vier schelling voor het herstellen (van een tent)’ [1285; CG I]. Afleiding van het zn. lap. ♦ lapjeskat zn. ‘bonte, driekleurige kat’. Nnl. lapjeskat [1921; WNT kat I]. Samenstelling met → kat. De vacht van een lapjeskat ziet eruit alsof hij van verschillende lapjes stof is gemaakt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lap1* [stuk doek] {oudnederlands lap 901-1000, middelnederlands lap(pe)} oudsaksisch lappo, oudfries, oudhoogduits lappa, oudnoors lappr (vgl. labarum). De uitdrukking een nieuwe lap op een oud kleed [een nutteloze verbetering] is ontleend aan Mattheus 9:16 en Lucas 5:36. In op de lappen gaan [aan de zwier gaan] betekent lap ‘schoenzool’. De uitdrukking voor 't lapje [vóór de wind] is een zeilterm waarin lapje ‘zeil’ is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lap znw. m., mnl. lappe v. ‘lap, brok, stuk’, onfrank. lap ‘zoom van een kledingstuk’, os. lappo m. ‘slip van een kleed’, ohd. lappa v. ‘afhangend stuk goed, lap (nhd. lappen), ofri. lappa m. ‘lap, stuk, brok’, oe. læppa m. (ne. lap) ‘lap, zoom, district’, on. leppr m. ‘lap, vod; haarlok’. — De geminatie -pp- is eerder als een expressieve geminatie op te vatten, dan uit een idg. pn- of bn-. Germaans *lapa is te vergelijken met gr. lobós ‘peul, oorlel’. — Zie ook: lip.

Reeds in het idg. stonden naast elkaar wortels als *leb en *lep (IEW 655-6); zie verder bij: laf. Hiertoe behoort ook het woord lepel voor hazenoor, vgl. mhd. leffel (nhd. der löffel) naast mnd. ōr-lepel ‘oorlel’ en oe. ear-liprica ‘id’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lap znw., mnl. lappe v. “lap, brok, stuk (ook: een deel van de wapenrusting)”. = onfr. lap “oram vestis”, ohd. lappa v. “afhangend stuk goed, lap” (nhd. lappen m.), os. lappo m. (of lappa v.?) “slip van een kleed”, ofri. lappa m. “lap, stuk, brok”, ags. læppa m. “lap, zoom, district” (eng. lap); on. leppr m. “haarlok, lap van een kleed” flecteert sterk (of pp < mp?) Zie lomp I). Verschillende verklaringen zijn mogelijk: 1. de germ. vormen van idg. *lop-no- of *lop-(o)n- “het afgesnedene”, verwant met gr. lépō “ik schil”, slov. lepen, lit. lãpas “blad”, lõpas “lap”, 2. idg. *lob-no-, *lob(o)n-: vgl. gr. lobós “oorlel, lapje van den lever, peul”: vgl. over de genasaleerde basis le-m-b- “afhangen” bij glimp; en zie laf II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lap. Als scheldwoord b.v. in dronkenlap hetzelfde woord, wsch. ook in de bet. ‘klap’. — Over idg. pn, bn > germ. pp vgl. bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lap 2 m. (slag), + Ohd. lappo = vlakke hand, Zw. labb, De. lab; daar nevens Mhd. laffe, On. lófi, Go. lofa; ook Ohd. laffa = blad van een roeiriem + Ru. lapa = poot, Opru. lopto = spa.

lap 1 m. (stuk stof), Mnl. lappe. Onfra. lap (= zoom) + Ags. læppa (Eng. lap), Ofri. lappa, On. leppr (Zw. lapp, De. lap) + Gr. lobós = oorlel, leverlap: van denz. wortel als lepel (z.d.w.); ook Lit. lopas = lap? Hgd. lappen in plaats van lapfen is niet duidelijk; toch is 't niet ontleend. - In op de lappen gaan heeft men lap = schoenzool. Voor iem. voor 't lapje houden denke men aan een lap van een vent (ook Fr. une loque); verder getrouwde lap, dronkenlap, zatlap.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

lap (de, -pen), (ook:) stuk textiel of ander materiaal waarmee een gat dicht gemaakt wordt of is. Hij wist niet dat zijn bootje zich nu ook nog volzoog met water. De lap van klei had niet voldaan (Trefossa 1944, cit. volgens Doelwijt 1972a: 99). - Etym.: In AN alleen gebr. in het geval van textiel en enkele andere gevallen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lap ‘klap, mep’ -> Creools-Portugees (Batavia) laap ‘oorvijg’; Negerhollands lap ‘klap, mep’.

lap, lapje ‘stuk doek; klein of dun stuk van bijv. vlees’ -> Ests lapp ‘stuk doek’ (uit Nederlands of Duits); Frans dialect lape; lapiote ‘sou (geldstuk); stukje doek om een scheur te dichten’; Frans dialect † lappequin ‘gulp van een broek als opgenaaid lapje’; Zuid-Afrikaans-Engels lappie ‘(vaat)doekje’ ; Xhosa laphu ‘stuk doek’ ; Indonesisch lap ‘stuk doek om mee schoon te maken, stofdoek’; Indonesisch lapis ‘vlees dat in platte stukjes is gesneden’; Ambons-Maleis lap ‘tampelin’; Balinees lap ‘stuk doek’; Jakartaans-Maleis lap, elap ‘stuk doek’; Javaans elap, lap ‘poetslap; vloeipapier’; Javaans lapis ‘bekleedsel, laag over iets heen; plat, dun stuk vlees’; Keiëes lap ‘stuk doek, doek, servet, handdoek, zakdoek’; Madoerees ēllap, lap ‘stuk doek’; Menadonees lap-lap ‘stuk doek’; Minangkabaus lap ‘stuk doek’; Muna lapu ‘stuk doek’; Creools-Portugees (Batavia) laap ‘stuk doek’; Singalees † lāppaya, lapayya, lappiya ‘stuk doek’; Amerikaans-Engels dialect † loppie, lappey ‘matje gemaakt van lompen’; Negerhollands lap ‘stuk doek, vod’; Papiaments lapi ‘stuk doek’; Sranantongo lapu ‘stuk doek’; Surinaams-Javaans lap ‘(poets)lap, stofdoek’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lap* stuk doek 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1334. Een nieuwe lap op een oud kleed.

Men bezigt deze woorden om er mede aan te duiden: ‘nieuwe gebruiken, nieuwe bepalingen en instellingen, die van een geheel anderen geest getuigen bij een oud stelsel, eene wijziging b.v. in vrijgevigen zin van een of ander artikel in eene wet van behoudende strekking; het nuttelooze, ja schadelijke van zulk een wijziging wordt daarbij tevens bedoeld’; Zeeman, 341. De spreekwijze is ontleend aan de gelijkenis van Jezus, die voorkomt in Matth. IX, 16-17; Luc. V, 36-37. Vgl. hd. niemand flickt einen Lappen von neuem Tuch an ein altes Kleid.

1336. Op zijn lappen krijgen,

d.w.z. slaag krijgen, op zijn jak, zijn huid, zijn kop, zijn ziel krijgen; eig. op zijn kleeren krijgen. Vgl. Van Effen, Spect. II, 220: Een brief, in welken ik geen kleintje op de lappen kryg; zie ook Spect. VI, 150; Molema, 238: Iemand wat op de lappen, op de litsen, op pokkel, op 't jak, op hoed (huid), op pens, op nek, op rös geven, een pak slaag toedeelen, afrossen, en vgl. het oostfri.: hê hed wat up de lappen kregen; nd. enen wat up de Lappen geven (Eckart, 309). Zie no. 126 en 978 en vgl. W. Leevend, IV, 87: Ook zit ik ze (de schoonmaaksters) altoos agter de lappen.

1337. Een gezicht van oude lappen,

d.w.z. een zuur, ontevreden, huilerig gezicht (Ndl. Wdb. IV, 2209; VIII, 1086); eig. een gezicht als 't ware samengevoegd uit oude lappen, zooals men in het Friesch zegt: in gesicht fen âlde lappen gearset (samengevoegd). Vgl. verder in Roermond: du hebst een gezicht wie abéplenske (Schuerm. Bijv. 4 b); Rechtb. III, 9: Sy laet de lippen hangen, ende siet oftse Besem-stocken te koop hadde; in den Gew. Weeuw. III, 11: Bek van ouwe lappen! Van Deyssel, Verz. Opst. IV, 77: Zijn snoet van oude lappen; Menschenw. 147: Is da' snuit van oue lappen al hier weest? In Groningen: 'n gezichte trekken as twei lood slechte tabak (Molema, 568); Breuls, 85: e gezieg zette wie e putsche vol duvele; in Antw.: e gezicht gelijk e sauspanneken, 'en elfurenlijk, den H. Octus (Antw. Idiot. 492).

1338. Weer op de lappen zijn,

d.w.z. weder hersteld zijn, weer op de been zijn; onder ‘lappen’ verstaat men eig. de schoenzolen of lapzolen (Zuidnederl.); zie Boekenoogen, 558 en vgl. Waasch Idiot. 388 b: veur of op de lappen kommen, voor den dag komen; De Bo, 610 en Schuermans, 326: op zijne lappen zijn, gezond zijn; Antw. Idiot. 746: op de lappen zijn, aan den zwier zijn. De uitdr. is dus syn. met: weer op de been, op de proppen, op zijn stokken (Rutten, 220 b), ter leê zijn (Schuerm. 328 b); weder op de bouten komen (Ndl. Wdb. III, 759). Dezelfde beteekenis heeft ‘lappen’ in de uitdr. met iets op de lappen komen, met iets voor den dag komen, iets ter tafel brengen (Molema, 238), dat in de 18de eeuw voorkomt in de Brieven van Abraham BlankaartPenon V, 277; Kom aan! het Evangelie eens op de lappen. Want, hoe wy ook in veelen dwars van elkander afwyken, zo heb ik toch nooit bespeurt, dat wy over dat Boekje het niet eens waren!, alsook bij Harreb. II, 9: Hij durft er niet mede op de lappen komen; en in op de lappen gaan, 17de eeuw: zich op de lappen maken (in de Gew. Weeuw. II, 12); hd. sich auf die Socken machen; nd. sik up de Scholappen geven, er vandoor gaan; zie Welters, 90: hij geeft zich op de lappen, zolen (= op reis); Rutten, 129: op de of zijn lappen gaan, zijn of loopen (op zwier gaan; zie ook De Bo, 610 en Schuerm. 326; Claes, 132; Teirl. II, 200; Antw. Idiot. 746); Afrik. op die lappe kom, bring, openbaar worden, ter sprake komen. Ook in het Oostfri. is bekend frô up de lappen wesen, früh auf die Sohle sein, sich früh aufmachen (Ten Doornk. Koolm. II, 470 b); vgl. ook Eckart, 472; Woeste, 157: he mâket sich op de lappen; fri. op 'e lappen (komme).

1339. Iets in den lap laten hangen,

d.w.z. iets verwaarloozen, laten loopen; vgl. Handelsblad, 10 Sept. 1921 (A), p. 2 k. 2: De waarnemende penningmeester had den boel maar in den lap laten hangen, gezien deze niet bijzonder rooskleurige toestand; 8 Sept. 1921 (O), p. 3 k. 1: De wethouder had het op een ongelukkige manier in den lap laten hangen en een allertreurigst figuur geslagen. Inden lap loopen, d.i. verslappen, misloopen, verkeerd afloopen; Handelsblad, 12 Febr. 1919 (A), p. 2 k. 3: De schrijver bestrijdt het denkbeeld van dr. Bonebakker, die in elke onderwijsinrichting een schoolbioscoop zou willen brengen, op verschillende gronden en zegt daarvan o.m. ‘Doch op den duur zou het in den lap gaan loopen..... dan staat daar de dure bioscoop-installatie en niemand, die er meer naar omkijkt’. Vermoedelijk hebben we den oorsprong te zoeken in de wielerwedstrijden, waar men iemand lapt (voorbijrijdt) of een lap geeft. Doet men nu niet zijn best ‘zijn lap terug te nemen’, dan blijft men in den lap of laat men het in den lap hangen. (?)

1340. Voor 't lapje gaan,

eene uitdrukking, die wil zeggen vóór den wind gaan, waarvoor men in de 17de eeuw zeide voor 't laaken gaan, waarbij men met laken een zeil bedoelde; zie Winschooten, 132: ‘te scheep noemen sij laaken een seil’. Ook werd het van de zeilen van een molen gezegd; vgl. Huygens VI, 1: De Molen heeft voorwind, en 't waeyt voor in syn laken. Onder lap(je) moet men eveneens het zeil verstaan (zie B.B. 364: Het groot zeil.... de groote lap gaat los en het zeil wordt gezet; bl. 489: De lappen er maar weer op, stuurman). Vgl. W. Leevend, IV, 334: 't Is my altyd voor 't lapje gegaan, hoewel ik het op Gods zegen, maar nooit op zijn weer en wind heb laaten aankomen, maar zelf te roer stond; P.K. 121: Komaan maat, zeil maar voor 't lapje weg, riep oom; De Padvinder, 1912, 606: Ze laten zich voor het lapje van den Zuidwal in de richting van Hoorn afzakken; Ndl. Wdb. VIII, 1090; fri. flak foar 't lapke, vlak voor den wind, bij 't zeilen. Vgl. voor top en takel gaan (hd. vor Top und Takel segeln), zonder zeilen voor den wind gaan; bij overdr.: van een leien dakje gaan.

1341. Iemand voor het lapje houden,

d.w.z. iemand voor den gek houden, iemand iets op de mouw spelden, hem in het lange jak laten loopen (in C. Wildsch. VI, 239). Deze uitdr. wordt in de 17de eeuw aangetroffen in de Klucht v.d. Pasquilmaecker, I, 19: Hebbense my eens voor 't lapje gehadt, 'k salder die koek nou wel so weten te backen, dat, enz.Op bl. 8 lees ik: ‘Ondertussen houje ons veurt lappen,’ welke vorm mij niet duidelijk is. Verder trof ik haar aan bij Winschooten, 304; Van Effen, Spect. VII, 60 en 63; C. Wildsch. IV, 41; bij Tuinman, I, 274: Hy loopt voor 't lapje. Vgl. ook Jong. 273: Zij hielden de juffrouw voor 't lapje; P.K. 43; Het Volk, 3 Maart 1914 p. 10 k. 4: Wat ergerlijk is, is dat de arbeidsinspektie zich maar goedwillig jarenlang voor het lapje heeft laten houden; Kalv. II, 145: Onderlinge malkaar van 't lappiehouwerij; Molema, 538 b: iemand veur t lapke hollen, waarnaast lapperij, gekheid (Volkskunde XIII, 168); Noordbr. veur 't lapke haauwen; Overijs. veur 't lepken holden; Schuermans, 326: iemand voor 't lapken houden, met iemand spotten; Ten Doornk. Koolm. II, 470 a: ên fôr 't lapke hebben; Woeste, 157 a: ümmes för en läppken brûken, einen zum besten haben; Eckart 309: jemes för et Lappken halden. Het in deze spreekwijze voorkomende znw. lapje is het verkleinwoord van lap, dat in het mhd., mnd. en ook later beteekende homo stolidus, ineptus, iners; vgl. Grimm VI, 192, die vele plaatsen citeert, waar sprake is van ein junger Lappe (vanwaar nog läppisch, närrisch en Lappalie), waarnaast ook ein junger Laffe, dat thans nog in het hd. zeer gewoon is. Eig. zou volgens Grimm dit lappe, laffe moeten beteekenen een kind dat lept; en vandaar een sukkel, een onnoozele hals; vgl. het oostfri. laffert, een jongen, die als een zuigend kind vrijt, met den mond lekt; en lapsak, in Kl. Brab. een lapper(t), een onnoozel mensch, domoor; Holst, lapp, lappert, lafbek (Molema 235 a en 238). Waarschijnlijker komt het mij voor, dat we moeten denken aan eene beteekenis slap neerhangen, krachteloos, moe zijn, die beide wortels laf en lap in zich vereenigenZie Franck-v. Wijk, 367; 368 i.v. laks; Mnl. Wdb. IV, 154; Schuermans, 321 i.v. labbe., zoodat een lap eig. is: een slappe vent (vgl. het 17de-eeuwsche een slappe gans, eene onnoozele vrouw), een weekeling, een knul, een sukkel. Synoniem is maf, dat in de 17de eeuw beteekende moe, traag en als znw. een gek, in welken zin het vrij gewoon is in de uitdr. voor het mafje loopen (Sewel, 469; Halma, 334) en iemand voor het mafje (of de maf) houdenDe Jager, Frequ. I, 401; Teirlinck, Wdb. van het Bargoensch 43-44; Gew. Weeuw. II, 44; C. Wildschut III, 26, 264; IV, 32; V, 272; VI, 56; Sewel, 474; Ndl. Wdb. IX, 87; enz. Voor ‘het is maf weer’ zegt men in Zuid-Nederland ‘het is laf weer’, dat ook dialectisch bij ons bekend is (no. 1319 noot)., synoniem van iemand voor het jobje (deminutief van jobbe, homo ignavus, obtusus) houdenVan Hasselt op Kiliaen, 268; Oudemans III, 279 i.v. jubben; Epkema II, 228., iemand voor den boer houden (Halma II, 68) en iemand voor het sotje houden, dat voorkomt in den Sp. Brab. vs. 1783; vgl. ook mnl. sijn foolken met enen houdenMnl. Wdb. II, 835.. Zie no. 1319.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut