Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lank - (zijde)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lank* [zijde] {lanke [deel van het lichaam] 1201-1250} oudhoogduits hlanca (vgl. flank).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lank v. (zijde), Mnl. lanke + Ohd. hlanca (Mhd. lanke): z. flank.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

lank, zn.: lende. Br. ‘flank (van een dier)’. Mnl. lanke ‘het weke deel van het onderlijf; zijde, flank; heup, lende; onderbuik’, Vnnl. lan(c)ke ‘le flanc’ (Lambrecht), lancke ‘onderbuik’ (Kiliaan). Mnd. lanke, Ohd. hlanka, Mhd. lanke ‘heup, lende, flank’, Oe. hlanc ‘buigzaam’, Frankisch hlanka ‘heup’. Vgl. Ndl. flank < Fr. flanc < Frankisch hlanka. Ndl. l < Germ. hl is de normale, klankwettige ontwikkeling. De grondbet. ‘buigen’ schuilt nog in D. lenken ‘buigen’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

langen 2, lengen, zn. mv.: lenden, zijkant van de buik, flank. Uit lanken, zie lank. De meervoudsvorm is vermoedelijk beïnvloed door lenden.

lank, zn.: flank (van een dier). Mnl. lanke ‘het weke deel van het onderlijf; zijde, flank; heup, lende; onderbuik’, Vnnl. lan(c)ke ‘le flanc’ (Lambrecht), lancke ‘onderbuik’ (Kiliaan). Mnd. lanke, Ohd. hlanka, Mhd. lanke ‘heup, lende, flank’, Oe. hlanc ‘buigzaam’, Frankisch hlanka ‘heup’. Vgl. Ndl. flank < Fr. flanc < Frankisch hlanka. Ndl. l < Germ. hl is de normale, klankwettige ontwikkeling. De grondbet. ‘buigen’ schuilt nog in D. lenken ‘buigen’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

lank(e) zn. v.: flank, zijde (van rund). Mnl. lanke ‘het weke deel van het onderlijf; zijde, flank; heup, lende; onderbuik’, Vnnl. lan(c)ke ‘le flanc’ (Lambrecht), lancke ‘onderbuik’ (Kiliaan). Mnd. lanke, Ohd. hlanka, Mhd. lanke ‘heup, lende, flank’, Oe. hlanc ‘buigzaam’, Frankisch hlanka ‘heup’. Vgl. Ndl. flank < Fr. flanc < Frankisch hlanka. De grondbet. ‘buigen’ schuilt nog in D. lenken ‘buigen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

lank(e) (D, G, M, Nevele, W, ZV), lenke, linke, zn. v.: het weke van de buik; flank (van rund). Mnl. lanke 'het weke deel van het onderlijf; zijde, flank; heup, lende; onderbuik', Vnnl. lan(c)ke 'le flanc' (Lambrecht), lancke 'onderbuik' (Kiliaan). Mnd. lanke, Ohd. hlanka, Mhd. lanke 'heup, lende, flank', Oe. hlanc 'buigzaam', Frankisch hlanka 'heup'. Vgl. Ndl. flank < Fr. flanc < Frankisch hlanka. De grondbet. 'buigen' schuilt nog in D. lenken 'buigen'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

lanke flank (Achterhoek, Vlaanderen). = mnl. lanke ‘id.’ = ohgd. hlanka ‘heup’. Dit Germaanse woord van het Frankische superstraat leverde fra. flanc op, waaraan weer nl. flank ontleend is. Van een basis die ‘buigen, samendraaien’ betekent en ook aanwezig is in oijsl. klykkr ‘kromming’, klekkr ‘ring’, mhgd. lenken ‘buigen’, hgd. lenken ‘leiden’.
Hulshof/Schaars 71, WVD I afl. Rund 94, 113, IEW 603.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

lanke (DB, FS: K, WVD: FV, WV), zn. v.: flank, lende van dieren. Mnl. lanke, Vroegnnl. lancke ‘ilia, inguen’ (Kiliaan). Mnd. lanke, Ohd. hlanka, Mhd. lanke ‘heup, lende, flank’, Oe. hlanc ‘buigzaam’, Frankisch hlanka ‘heup’. Vgl. Ndl. flank < Fr. flanc < Frankisch hlanka. De grondbet. ‘buigen’ schuilt nog in D. lenken ‘buigen’.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

lanke. De letterlijke betekenis van de historische eedformule bij den lanke of lancke is ‘bij de linker- of rechterzijde van God, bij het onderlijf, de schoot van God’. De zijde van God wordt tot getuige aangeroepen dat men de waarheid spreekt. In het WNT is de uitdrukking niet meer opgenomen. Daar kent men lanke alleen in toepassing op dieren. Omstreeks 1600 werd bij den lanke verder verbasterd tot ba hens lenken. De Baere (1940: 106) veronderstelt dat ba heus (hens?) lenken en wellicht ook by gans plancken en gans plancken verbasteringen zijn van by den lanke(n). Na 1600 is de eedformule uitgestorven. Als zij ijdel gebruikt werd, werd zij tot vloek die dan weer door verbastering afgezwakt en vervolgens tot uitroep werd. → zij (2).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lank ‘(verouderd) zijde’ -> Frans flanc ‘zijde’ Frankisch; Esperanto flanko ‘(linker of rechter) zijde’ .

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal