Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

langzaam - (traag, niet snel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

langzaam bn. ‘traag, niet snel’
Mnl. lancsame ‘langdurig’ in wel lancsame ende wel met staden ‘zeer langdurig en stapsgewijs’ [1265-70; CG II], daarnaast lansem, lancsem, lanzem in guot dat lanshem tuo kuompt ‘bezit dat langdurig binnenkomt’ [1270-90; CG II], ‘traag’ in datmen wel ete ende leckerlike ende lansem ‘dat men goed eet, langzaam om er alles van te genieten’ [1437; MNW-P]; vnnl. te haestelick of te lansem ‘te snel of te traag’ [1500-50; MNW hort], langhsaem, lantsaem ‘traag’ [1599; Kil.], vanaf de 17e eeuw vrijwel uitsluitend nog langzaam.
Afleiding van → lang met het achtervoegsel → -zaam ‘van die aard, op die wijze’. De oorspr. betekenis van mnl. lancsame is ‘langdurig’. De jongere betekenis ‘traag’ is niet inheems, maar wrsch. ontleend onder invloed van de Duitse mystieke geschriften (Van Wijk 1909), aan Middelhoogduits lancseim ‘traag’. Hierop wijzen ook de in het oostelijk Middelnederlands nog voorkomende nevenvormen met in de tweede lettergreep een -e- of andere van /ā/ afwijkende klinker; zulke varianten komen bij andere Nederlandse woorden met -zaam niet voor. De oude betekenis ‘langdurig’ werd uiteindelijk verdrongen door de nieuwe.
Os. langsam ‘langdurig’; ohd. lancsam ‘langdurig’; oe. (ablautend) langsum ‘langdurig’ (ne. vero. longsome); < pgm. *lang-sama/-suma-. Een vorming als ohd. langseimi (mhd. lancseim) komt in de andere Germaanse talen niet voor. Het is gevormd uit hetzelfde bn. lang en een onzeker tweede lid, dat misschien hoort bij → zeem 2 ‘honing’ (ohd. seim). Met zou dan aan ‘langzaam vloeiend’ moeten denken (Pfeifer): zo betekent Duits sämig ‘smeuïg’. Misschien is ohd. langseimi echter te verbinden met mhd. seine ‘langzaam, traag’, zie → zaniken. Het woord is nu verouderd: nhd. langsam heeft de betekenis van mhd. langseim overgenomen.
In het Nederlands kan de huidige vorm langzaam een continue voortzetting zijn van de oorspr. vorm mnl. lancsame, die dan heeft voortbestaan naast verzwakte vormen zoals lansem. Maar misschien is niet alleen de huidige betekenis (15e eeuw), maar later (pas bij Kiliaan) ook de vorm ontleend aan het Duits.
Lit.: N. van Wijk (1909), ‘Langzaam’, in: TNTL 28, 275-276

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

langzaam* [traag] {lancsa(e)m 1265-1270} middelhoogduits lancsam, hoogduits langsam, maar oudsaksisch, oudhoogduits langsam, oudengels longsum [langdurig].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

langzaam mnl. lancsam, lancsaem, lancsom ‘langzaam, traag’ (waarschijnlijk vooral onder invloed van duitse mystieke geschriften vgl. v. Wijk Ts. 28, 1909, 275), mhd. lancsam, nhd. langsam; vgl. ook ohd. langseimi (voor het 2de lid zie: sedert) ‘langzaam, traag’. Daarentegen betekenen os. ohd. langsam, oe. longsum ‘langdurig’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

langzaam bnw. Mnl. lancsam, -saem, -som “langzaam, traag” komt vooral in geestelijke prozaliteratuur voor en is wsch. onder invloed van de du. mystieke taal in gebruik gekomen. Mhd. lancsam beteekent al evenals nhd. langsam “langzaam, traag” (evenzoo ohd. langseimi; zie bij sedert), terwijl ʼt formeel er mee overeenstemmende ohd. langsam evenals os. langsam, ags. longsum “langdurig” beteekent.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

langzaam, wordt met s gesproken tengevolge van de vroegere -k in lank, welke uitspraak trouwens nog wel voorkomt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

langzaam bijv., Mnl. lancsam en lancsem, Os. langsam + Ohd. langsam = langdurig en langseimi = traag (Mhd. lancsam en lancseime, Nhd. langsam), Ags. longsum. Twee woorden zijn hier dus dooreengeloopen: het eerste langzaam = langdurig, is een afleid. van lang 1, het tweede *langzeem= traag behoort wellicht bij den wortel van lente (voor -zeem z. zeldzaam).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

laanksem (bn.) langzaam; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) laansem, Vreugmiddelnederlands lancsame <1265-1270>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

langzaam (Duits langsam)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Langzaam is een der oudste adjectieven op zaam, en bet. oorspr.: langdurig. Hiernaast bestond in ’t Ohd. een ander bijv.nw.: langseini, Mhd. lancseime, in ’t Mnl. lancsem dat „talmend”, „traag” bet. Deze beide woorden, die veel op elkander geleken, smolten als ’t ware samen, met de bet. van ’t laatste, n.1. lancsem, dat echter door „langzaam” verdrongen werd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

langzaam ‘niet snel’ -> Deens langsom ‘niet snel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors langsom ‘niet snel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds långsam ‘niet snel’ (uit Nederlands of Nederduits); Jakartaans-Maleis langsam ‘niet snel’; Javaans langsam ‘niet snel’; Negerhollands langsaam, langsaem ‘niet snel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

langzaam* niet snel 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1407. Langzaam (zachtjes of zoetjes) aan, dan breekt de lijn niet.

Dit gezegde bezigt men tot iemand, die al te haastig te werk gaat en daardoor de zaak zou kunnen bederven. Oorspronkelijk gezegd door den schipper tot den jager om te voorkomen, ‘dat de lijn, waarmede schuit en paard verbonden zijn, door te felle aanstrenging breeke’ (Van Eijk I, 100). Zie Sewel, 746: Staagjes aan zo breekt de lyn niet, softly, softly, with ease, than the work is not spoil'd; H.S. 27: Als me al te hart trekt, zo raakt het lyntje in stukken; Harreb. I, 238 b: Staagjes aan, staagjes aan, dan breekt de lijn niet, zei Gijs, en hij werd gekielhaald; P.K. 116: Nou zachtjes aan hoor jongens! dan breekt het lijntje niet; Nkr. II, 18 Oct. p. 2: We volgen voldoende de oud-vaderlandsche taktiek: zoetjes aan, dan breekt het lijntje niet; Menschenw. 453: Langsaampjes maid.... dan braikt 't laintje nie. Vgl. ook Eckart, 11: Sach an, söns brekt de Lin; fri. stadich-oan, dan brekt de line net.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut