Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lang - (uitgestrekt in én dimensie, niet kort)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lang bn. ‘uitgestrekt in én dimensie, niet kort’
Onl. lang ‘lang’ in plaatsnamen als langenrech ‘Langerak (polder in Gelderland)’ met als tweede lid rak ‘waterloop’ [788-789, kopie begin 13e eeuw; Künzel], langlo ‘plaats met onbekende ligging op de Veluwe’ met als tweede lid onl. lo ‘bos’ [855, kopie ca. 900; Künzel], als bw. lango ‘lang, gedurende lange tijd’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. lanc ‘lang van duur, lang van afmeting’ [1240; Bern.].
Os. lang (mnd. lanc); ohd. lang (nhd. lang); ofri. lang, long (nfri. lang); oe. lang, long (ne. long); on. langr (nzw. lång); got. laggs; < pgm. *langa-.
Verwant met: Latijn longus ‘lang’; Gallisch longo-; bij pie. *longh-. Daarnaast bestaat een in de Indo-Europese talen wijdverbreide wortel pie. *delh1gh-/dleh1gh-/dlh1gh- ‘lang’ (IEW 197), waaruit met dezelfde betekenis onder meer: Grieks dolikhós; Sanskrit dīrghá-; Avestisch darəga-, Oudperzisch darga-; Litouws ìlgas (met onverklaarde wegval van de d-); Oudkerkslavisch dlŭgŭ (Russisch dólgij); Hittitisch daluki. Verbinding tussen deze beide wortels is zeer problematisch: men moet dan voor pie. *longh- wegval van de d- en de laryngaal en invoering van een genasaliseerde o-trap veronderstellen. De betekenisovereenkomst en het feit dat beide woordgroepen een complementaire distributie hebben over de Indo-Europese talen zijn echter sterke aanwijzingen voor onderlinge verwantschap. De veronderstelling dat de Germaanse en Latijnse woorden niet Indo-Europees zijn, maar ontleend aan een voor-Indo-Europese substraattaal (Boutkan/Siebinga 2005), is dan ook onwaarschijnlijk.
Het bij lang behorende bijwoord luidde in het Middelnederlands langhe; zo ook nog in het West-Vlaams. Een relict hiervan is nog te vinden in de uitdrukking bij lange na niet ‘niet in het minst, in het geheel niet’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lang* [met een grote lengte] {in de poldernaam Langenrech, nu Langerak (Gld.) <788-789>, oudnederlands lango 901-1000, middelnederlands lanc} oudsaksisch, oudhoogduits lang, oudfries, oudengels long, oudnoors langr, gotisch laggs; buiten het germ. latijn longus, grieks dolichos, oudkerkslavisch dlŭgŭ, oudindisch dīrghah.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lang bnw., mnl. lanc, onfrank. bijw. lango, os. ohd. lang, ofri. oe. long, on. langr, got. laggs. — lat. longus, gall. longo- (< *dlongho) (oiers long ‘schip’ waarsch. < lat. (navis)longa), gr. dolichós, oi. dīrgha, osl. dlŭgŭ, lit. ìlgas, illyr. plaatsn. Longarus (IEW 197). — Zie verder: leng 1, lengen en lengte.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lang bnw., mnl. lanc (gh). = (onfr. lango bijw.), ohd. (nhd.) os. lang, ofri. ags. (eng.) long, on. langr, got. laggs “lang”. = ier. long, gall. Longo- (in Longostalētōn), lat. longus “lang”. Wegens den kelt.-germ. anlaut is alleen dan, als wij ontleening in deze taalgroepen uit ʼt Lat. aanemen (vgl. kort), verdere verwantschap met alb. glatɛ, g'atɛ (*dloŋgh-to-), pehl. drang “lang” en (zonder n) gr. dolikhós, obg. dlŭgŭ, serv. dȕg, lit. ílgas (NB. Zonder d), oi. dîrghá- “id.” mogelijk, waarbij men nog got. tulgus “vast”, os. tulgo “zeer”, lat. indulgeo “ik geef toe, ben genegen”, gr. endelekhḗs “voortdurend” voegt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lang. Men kan veilig het germ. kelt. lat. woord voor oerverwant houden met de daarna genoemde alb. pehl. gr. obg. serv. lit. woorden door aan te nemen dat dl- hier en daar al vroeg vereenvoudigd is: wellicht is de verklaring van het d-loze lit. ílgas ook in deze richting te zoeken. Daarmee is verwantschap van got. tulgus enz. (na os. tulgo ‘zeer’ adde: ags. tulge ‘sterk, zeer’) formeel nog niet uitgesloten (zie ook bij talmen Suppl.), maar enige aarzeling, zoals de redactie van het art. vertoont, is om de bet. wenselijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lang 2 bijw. (durant), in een tijdlang, mijn leven lang, is de st. onz. accus. van lang 1, adverbiaal gebruikt.

lang 3 bijw. (longtemps), Mnl. langhe, Onfra. lango + Ohd. lango, Ags. longe: het gewone adjectiefadverbium.

lang 1 bijv., Mnl. lanc, Os. lang + Ohd. lang (Mhd. lanc, Nhd. lang), Ags. long (Eng. id.), Ofri. id., On. langr (Zw. lång, De. lang), Go. laggs: Germ. wrt. liŋg + Skr. wrt. langh = vooruitspringen. Gr. é-laphros (d.i. e-lŋgh-ros) = snel, Lat. longus, Oier. long: Idg. wrt. leŋgh = zich voorwaarts bewegen, zich uitstrekken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

laank (bn.) lang; Aajdnederlands lang <788-789>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

lang bn.: iets langs, zwak alcoholische drank die uit een groot glas gedronken wordt. Hugo, wat ben je bezweet! Je wilt zeker wel iets langs. - Etym.: Vgl. E ’a long drinck’. In AN opkomend. - Zie ook: iets korts*.
— : zie lange bezem*.
— : langste vinger, (niet alg., vooral gebr. door kinderen) middelvinger. Ik had een heleboel papieren poppen. Ik knipte ze van het groffe* bruine papier van gebruikte suikerzakken. () Kleine mensen maakte ik, niet groter dan mijn langste vinger, met alles erop en eraan (Roemer 1982: 190).- Syn. derde* vinger.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lang I: teenst. v. kort, uitgestrek; wat ’n hele tyd duur; attr. vorm naas pred. lank; Ndl. lang (Mnl. lanc, by Kil langh/lanck), Hd. lang, Eng. long, hou verb. m. Lat. longus – afl. m. uml. lengte.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lang, van den Idg. wt. lengh: zich voorwaarts bewegen, zich uitstrekken. Verwant zijn belangen (= er bij reiken, aanraken ; zie Belang); verlangen; aanlangen (zie Handlanger); natuurlijk ook: lengen en lengte.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lang ‘met een grote lengte; (van vloeistof) slap, dun’ -> Zweeds lank ‘dunne, smaakloze drank; zwakalcoholische brandewijn’; Negerhollands lang, lan ‘met een grote lengte’; Berbice-Nederlands langgi ‘met een grote lengte’; Sranantongo langa ‘met een grote lengte’; Aucaans langa ‘met een grote lengte’; Saramakkaans lánga, djanga ‘met een grote lengte’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Het duurt altijd langer dan je denkt [dichtregel] (1992). Dichter Judith Herzberg (1934) publiceert in 1992 de dichtbundel Zoals, met daarin het gedicht ‘Liedje’, dat begint met de strofe: “Het duurt altijd langer dan je denkt, / ook als je denkt / het zal wel langer duren dan ik denk / dan duurt het toch nog langer / dan je denkt.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lang* met een grote lengte 0788-789 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

114. Lange armen hebben.

De arm wordt, evenals de hand (lat. longas manus habere), dikwijls gebruikt als zinnebeeld van kracht, geweld, macht of gezag (vgl. de sterke arm der overheid; de wereldlijke arm, enz.; hd. der Arm der Obrigkeit, der Gerechtigkeit; eng. the strong arm). Zoo in deze uitdr. die wil zeggen: veel macht hebben. Zij komt in de Middeleeuwen voor, blijkens Sp. Hist. I6, 52, 33: Lange aerme, wide hande hebben die heren van den lande; zie verder Servilius, 79: Hi heeft lange ermen ende nochtans is hi arm. Te vergelijken is Pers, 383 b: De koning heeft lange handen en sal 't niet ongewroken laeten; Idinau, 246: Heeren handen reycken verre; Harreb. III, 110: Groote heeren hebben lange armenVgl. ook in het Grieksch μακραι τυραννων χειρες (Montijn, 205); bij Ovid. Her. 16 (17), 166: An nescis longas regibus esse manus?; zie Otto, 210 en Journal, 243.; Sewel, 436: De koningen hebben lange armen, kings have long arms, are powerfull; Ndl. Wdb. II, 650; VIII, 1038; Erasmus CVII; Joos, 136; Teirl. 80. In het Friesch: in lange earm ha; syn earm rikt fier, zijn arm reikt ver; fr. avoir le bras long; hd. lange Arme haben; eng. to have long arms. Het tegenovergestelde korte armen of een korten arm hebben komt ook voor.

132. Iets op de lange baan schuiven,

de afdoening van iets vertragen, uitstellen; fri. op 'e lange baen skouwe. De Duitschers zeggen hiervoor etwas auf die lange Bank schieben, een uitdrukking die volgens Grimm en H. Paul aan de rechtstaal moet ontleend zijnOtto wijst bl. 333 op het lat. longi subsellii judicatio, en op longis lineis fieri i.e. de longinquo.. Zie Halma: tirer une chose en longueur, eene zaak rekken of op de lange baan brengen; affaire qui tire en longueur, eene zaak die langzaam voortgaat of op de lange baan sleept; Tuinman I, 350: ‘Iets op de lange baan schuiven: dit zegt eene zaak verwijderen en uitstellen, zo dat ze in langen tijd niet afgedaan wordt. Dus hangt men een proces aan den spijker. Het spreekwoord speelt op een verren weg’. Syn. iemands recht aan het lange lijntje knoopen (anno 1652W. Davids, Verslag van een onderzoek betreffende de betrekkingen tusschen de Ndl. en de Spaansche Letterkunde in de 16e-18e eeuw, bl. 113.), wat doet vermoeden dat we bij ‘baan’ aan een lijnbaan moeten denken. In 't fri. kent men ook op 'e lange baen, op den duur (zie ook Het Volk, 22 Febr. 1915. p. 7 k. 2).

530. Eerlijk duurt het langst,

d.w.z. met eerlijkheid komt men in de wereld het verst. Vgl. W. Leevend, VI, 287: Binnen weinige jaaren zal hy schatryk zyn, want hy is door eerlijk, en eerlyk duurt toch 't langst; Harreb. I, 175; hd. Ehrlich währt am längsten oder ewig; fr. avec la bonne foi on va le plus loin; eng. honesty is the best policy.

2329. Lang vasten is geen brood sparen,

uitstel is geen afstel (omdat men na het vasten des te meer eet). Vgl. Campen, 69: lange vasten is ghien broodt sparen; V.d. Venne, 240: Langh vasten is gheen Broot sparen; Tuinman II, 35; Brieven v.B. Wolff, 146: Lang vasten is by my geen broodspaaren, en nu doe ik dien kerfstok eens in eenen af; Harreb. I, 97 a; Ndl. Wdb. III, 1541; fri. lang fêstjen is gjin brea sparjen; oostfri. lank fasten is gên brôd sparen; hd. Fasten (oder lange hungern) is nicht Brot sparen (Wander I, 937); fr. double jeûne, double morceau (verouderd).

348. Het is zoo breed als het lang is,

gewoonlijk het is zoo (of even) lang als het breed is, ‘hoe men 't neemt, 't komt op een uit, 't is even veel’; Tuinman I, 177. In Zuid-Nederland: dat komt zoo lang als 't breed is. Zie Ndl. Wdb. III, 1170; Taalgids V, 172; Smetius, 76: Het is so breet als het lang is, eadem diversis modis proposita; Huygens VI, 153:

 Onder Coiffe en onder Huyck
 Meest al eenerhande puyck;
 Ofse bruyn is of se blanck is,
 'T is soo breet schier als het lanck is.

Halma, 91; Sewel, 142; hd. so lang wie breit; eng. as long as it is broad; as broad as it is long; fri. it is allike lang as 't breed is.

1269. Krakende wagens loopen (of duren) het langst,

d.w.z. zwakke, ziekelijke menschen leven somtijds zeer lang; in Gron. kraokwoagens loopen 't langst; in 't oostfri. krâkwagens gân lank; in Zuid-Nederland krakende kerren (wagens) rijden 't langst of ver, het verste (Schuermans, 285 en 287; Joos, 142; Waasch Idiot. 370 a; Antw. Idiot. 621; Teirl. II, 180: krakende kerre rije' verre). Het is een oude zegswijze, die we in de 16de eeuw eenigszins anders al vinden bij Plantijn: een crakende kerre gaet wel verre; Campen, 113: kraeckende waeghens die gaen oeck al voert; syn. van leede palen staen alder langest (ald. bl. 68); bij Gruterus I, 112: krakende wagens gaan alderlangst voort; Spieghel, 298; De Brune, Bank. 143: de krakende wagen zal het gaende houden; zie Halma, 286; Sewel, 416; Tuinman I, 160; Harreb. III, 357; Twee W.B. 117: Krakende wagentjes duren 't langst; Wander IV, 1726; in Limburg: krakende raders vallen niet ('t Daghet XII, 128). Ook spreekt men van krakende wagens voor: ziekelijke menschen; in het Zaansch en in N. Limburg van een kraakhaspel; in het Groningsch van kraoken, klagen of steunen van oude of zwakke menschen; in het Oostfri. van een krâkwagen en in het Vlaamsch van een krakende kar, een krakalaam, krikalaam, krakende kar, of een mensch die altijd ziekelijk is (Schuerm. Bijv. 175; 177). Vgl. fr. pot félé dure longtemps (lat. malum vas non frangitur); hd. klapprige Karren oder die knarrigen Wagen halten am längsten; eng. a creaking door hangs long on the hinges.

1269. Krakende wagens loopen (of duren) het langst,

d.w.z. zwakke, ziekelijke menschen leven somtijds zeer lang; in Gron. kraokwoagens loopen 't langst; in 't oostfri. krâkwagens gân lank; in Zuid-Nederland krakende kerren (wagens) rijden 't langst of ver, het verste (Schuermans, 285 en 287; Joos, 142; Waasch Idiot. 370 a; Antw. Idiot. 621; Teirl. II, 180: krakende kerre rije' verre). Het is een oude zegswijze, die we in de 16de eeuw eenigszins anders al vinden bij Plantijn: een crakende kerre gaet wel verre; Campen, 113: kraeckende waeghens die gaen oeck al voert; syn. van leede palen staen alder langest (ald. bl. 68); bij Gruterus I, 112: krakende wagens gaan alderlangst voort; Spieghel, 298; De Brune, Bank. 143: de krakende wagen zal het gaende houden; zie Halma, 286; Sewel, 416; Tuinman I, 160; Harreb. III, 357; Twee W.B. 117: Krakende wagentjes duren 't langst; Wander IV, 1726; in Limburg: krakende raders vallen niet ('t Daghet XII, 128). Ook spreekt men van krakende wagens voor: ziekelijke menschen; in het Zaansch en in N. Limburg van een kraakhaspel; in het Groningsch van kraoken, klagen of steunen van oude of zwakke menschen; in het Oostfri. van een krâkwagen en in het Vlaamsch van een krakende kar, een krakalaam, krikalaam, krakende kar, of een mensch die altijd ziekelijk is (Schuerm. Bijv. 175; 177). Vgl. fr. pot félé dure longtemps (lat. malum vas non frangitur); hd. klapprige Karren oder die knarrigen Wagen halten am längsten; eng. a creaking door hangs long on the hinges.

1290. De kruik gaat zoo lang te water tot zij breekt (of berst),

d.w.z. in eig. zin: men kan zoo dikwijls met eene broze kruik naar den put of den bak gaan om deze te vullen, totdat ze eindelijk tegen den kant breekt; in overdr. zin: men kan zoo dikwijls iets gevaarlijks of verkeerds doen, totdat het misloopt en men de slechte gevolgen er van ondervindt. In de middeleeuwen vinden we deze spreekwijze in den Esopet, 36, 10-20: So langhe stuuct men ende steect den stoep (kruik) te watre, dat hi breect; Reinaert II, 4356: So langhe gaet te water die cruuc, dat si breect ende valt an sticken; Pelgrim, 43 b: So lange gaet die pot om water dat si int laetste breect bij ongeval, datter in den wech op coemt; vgl. ook Limb. XI, 347; Lorr. I, 2045. Zie verder mlat. ollula tam fertur ad aquam, quod fracta refertur; donec fracta cadit, ad fontes amphora vadit (Bebel no. 27; Werner, 22); vgl. Goedthals, 18: de canne gaet so langhe te water, datse breckt, tant va le pot a l'eau qu'il brise; den roukeloose magh seven reysen wel slaen, maer eens qualick; Spieghel, 297; Brederoo I, 211: Een kruyck gaat soe langh te water tot datse barst; Six v. Chand. 454: De kruik die werd zoo langh vervarscht met waater haalen, tot se barst; Gew. Weeuw. I, 49: De kruyk zoo lang te water gaat dat ze van den Hengel valt; Spaan, 128; Harreb. I, 305 a; III, 222; Ndl. Wdb. VIII, 403; Waasch Idiot. 323; Ons Volksleven V, 162; fri. de krûk giet sa lang to wetter ont er de hals brekt. Ook in andere talen is het spreekwoord bekend; vgl. fr. tant va la cruche à l'eau qu'elle se casse; hd. der Krug geht so lange zu Wasser, bis er bricht; eng. the pitcher goes so often (or so long) to the well till it comes home broken at last. Voor het nd. vergelijke men Taalgids IV, 259; Eckart, 293.

1360. Het moet uit de lengte of uit de breedte,

‘gezegd van reeds gedane of nog te verwachten uitgaven, waarvoor geld op de eene of andere wijze gevonden moet worden, bij vergelijking met een stuk stof, waarvan men iets moet afsnijden’; Ndl. Wdb. III, 1196. In de 17de eeuw komt de uitdr. voor bij V. Moerk. 148: Evenwel vrienden so moet het vande langhte of vande briete komen; Doedyns, Merc. 2, 242: De winst moet'er tog uitgehaald werden, 't zy uit de breette of uit de lengte. Bij den Zuidnederl. schrijver Ogier, 164: 't Moet uyt de lengd' oft uyt de breede comenAangehaald in het Ndl. Wdb. III, 1191.. Zie Harreb. I, 88 b en voor het Nederlandsch Taalgids IV, 284; fri. as 't net ut de lingte ken, dan mat 't war ut de bridte; eng. it must be found in the broad or the long (Prick, 65); syn. 't Moet uit de zak of uit de band komen (op Goeree en OverflakkeeN. Taalgids XIV, 253; Harreb. I, 30.).

1620. Niet verder zien (of denken) dan zijn neus lang is,

d.w.z. weinig doorzicht hebben, gezegd van iemand wiens gezichtskring zich niet verder uitstrekt, dan de lengte van zijn neusVgl. het hd. alle Nasen lang, alle Nas lang, d.i. in kurzer Entfernung, nach kurzer Zeit (Schrader, Wunderg 173).. In de late middeleeuwen komt de uitdr. voor, o.a. bij Barth. 137 b: Item die cleyn kinderkijn en dencken niet verder dan hem die naze lanc is, dat is die dingen die tegenwoerdich sijn. Zie verder Goedthals, 96: Niet voordere dincken, dan den nuese lanck is, il ne luy souvient, que depuis le nes, iusques a la bouche; Campen, 4: hy en siet niet veerre dan hem die noese lanck is; Servilius, 149*: hi en siet nyet verder dan syn nuese lanc en is; enz. Vgl. Vondel's Sprookje van Reyntje de Vos, vs. 43; Baardt, Deugden-Spoor, 85; Coster, 228, vs. 32; Van Effen, Spect. VII, 19; Sewel, 522; Rusting, 591: Kyk wat verder als je neus voor uyt steekt; Harreb. II, 99 a en op vele andere plaatsen; Afrik. hy sien nie verder as sy neus lank is nie. In het hd. zegt men eveneens: er sieht, denkt nicht weiter, als seine Nase reicht oder nur der Nase lang; in het Fransch: il ne voit pas plus loin que (le bout de) son nez; in het Friesch: hy sjocht net fierder as syn noas lang is; Nederd. he kikt ni wieder as sin Nos lank is (Taalgids V, 160); eng. he sees no further than his nose. Voor Zuid-Nederland zie Joos, 79; Waasch Idiot. 457 b; Antw. Idiot. 1442; 1915: niet wijder zien alsdat zijne neus lank is; en vgl. nog de synonieme 17de-eeuwsche uitdr. van zijn neus een anker (of een dregge) maken (vgl. Com. Vet. 2).

1628. Een (langen) neus krijgen (of halen),

d.w.z. beschaamd, met schande van iets afkomen, weggaan, afdruipen. Vgl. Marnix, Byenc. 60 r: Sy sullen wel een lange Neuse krijgen, als sy sien sullen, dat de gansche Schrift, met de uytlegghinghe der H. Vaderen, op onse Leere ten minsten alsoo wel sluyt als een tanghe op een vercken; Van Lummel, 31: Van schaemten sach men se bleusen, want sy creghen al langhe neusen; bl. 90: Sy creghen neusen een elle lanck; bl. 304 en 391; De Brune, 235; Bank. II, 204; Vierl. 23; Tuinman I, 169: een langen neus krygen; en bl. 250: hy heeft een langen neus gekregen.... zulke zien voor zich neêr, en langs hunnen neus, dien zy in 't gezicht krygen; C. Wildsch. III, 322: Om u een langen neus te geeven zend ik u deezen brief ingesloten. Een weergaaze neus haalen (Br. v. Abr. Bl. II, 11); enz. Syn. was de uitdr. camuysVgl. Kil.: Kamus, kamuys, platneuze; Mnl. Wdb. III, 1161; De Brune, Bank II, 254; Halma, 112: Camus, camuse, adj honteux, die eenen langen neus krijgt, beschaamd; verder de plaatsen in 't Ndl. Wdb VII, 1191. staan, die voorkomt bij De Brune, Bank. I, 91, in den zin van verlegen staan. Zie Harrebomée III, 179 a. Ook zeide men vroeger een neus krijgen (Winschooten, 165 en Halma, 380: hij kreeg een schoonen neus), waarmede te vergelijken is het bij Hooft, Ned. Hist. 486 voorkomende beneust heengaan, met een langen neus afdruipen. In Zuid-Nederland zegt men hiervoor: ievers 'nen neus krijgen, halen (zie Antw. Idiot. 1916); er van afkomen met 'nen langen neus, teleurgesteld zijn (Waasch Idiot. 457 b); met een langen neus weerkomen (Joos, 95; 106); er afkomen met eene drupneuze, druipneuze; drupneuzen (De Bo, 273 b); druipneuzen (Schuerm. 108 b en Bijv. 74 a); met eene neuze staan (De Bo, 739 a) en iemand een neus geven, zetten, hem zijn ongelijk doen inzien (Rutten, 153; Joos, 74), In het hd. kent men ook: eine Nase bekommen, mit einer langen Nase abziehenVgl. Paul, Wtb. 369: Einem eine lange Nase machen, indem man die ausgespreizten Finger davor hält, als Zeichen des Hohnes über ein miszlungenes Unternehmen; daher wohl auch mit langer Nase (unverrichteter Sache) abziehen müssen, also indem einem eine solche Gebärde gemacht wird.; de. at gaa bort med en lang Naese; in het Fransch: avoir le nez long, allongé; avoir un pied de nez, een lang gezicht trekken, boos zijn; in het Friesch: in noas fen in jelne lang krije, den neus stooten.

2142. Men moet niet verder springen dan de pols lang is.

Springt men verder dan de polsstok lang is, dan bereikt men den overkant niet en moet men in het water vallen (Spieghel, 269: niemand springht verder als sijn pols vermachVgl. ook Huygens I, 129: Hy past voor eerst zyn pols die zeker springen zal.); bij overdracht: regel uwe daden naar uwe krachten; zet de tering naar de nering, of zooals in het Bouc v. Seden staat, vs. 531 vlgg.:

 Dune moetsti niet verder strecken
 Dan dine cleedre moghen recken:
 Naer dien dattu neeringhe heves,
 So bedaerf di dattu leves.

Bij Campen, 27 vinden we opgeteekend: die veerder wil springen dan syn staff vermach, moet vallen; bij Sart. I, 7, 53: springt niet verder dan u stock raecken mag; Eckart, 496: de wîder springen will, as sîn Kluwstock reckt, fallt in 'n Slot; Starter, 350; Cats I, 479:

Maeck dat gy uw water meet:
 Maer let vooral, o goede man!
 Hoe ver uw polse reycken kan:
 Want veel te poogen sonder raet,
 En ver te springen sonder maet,
 En saken aengaen boven maght,
 Dat brenght 'er menigh in de gracht.

Zie verder Adagia 55: springht niet voorder als uwen stock lanck is, ne pennas nido majores extendas; Halma, 512; 603; Sewel, 760; Haareb. II, 191 b; III, 317 b; 318 a; Taalgids V, 151; Wander IV, 746; voor Zuid-Nederland Joos, 91; 191: springt niet verder als dat uw stok lang is; De Bo, 848: verder willen springen dan de pertse lang is; Antw. Idiot. 1193; 2057; syn. van hooger kakken als dat zijn gat is (Antw. Idiot. 44 b); in het fri.: min moat net fierder springe (of ljeappe) as de pols lang is; men moat de tsjin net to great sette, -nimme, men moet niet meer ondernemen dan men kan uitvoeren.

2234. Met lange tanden eten,

d.w.z. met tegenzin eten; langzaam en gerekt kauwen, kieskauwen. Vgl. Wander V, 492: mit langen Zähnen essen; lange Zähne machen; het Westvl. met lange hielen ergens heengaan, met tegenzin of uit vrees ergens traag naar toegaan (De Bo, 1180), en het Zuidnederl. met lange handen werken, met tegenzin werken (Ndl. Wdb. V, 1773). Zie Tuinman I, 108; Nal. 12; II, 28 en Van Effen, Spect. V, 37: Is 't niet een hard gelag dat hy gewoon zynde niets dan het allereelste op zyn tafel te zien, erreten, boonen, stokvisch, spek, gezoute vlees en scheeps beschuit met lange tanden zal moeten kaauwen? Harreb. II, 323; Nkr. VII, 15 Nov. p. 2; V.d. Water, 140: trektanden, kieskauwen; Afrik. hij eet met lang tande. Voor Zuid-Nederland vgl. Joos, 80; Waasch Idiot. 387 b; Antw. Idiot. 1220; in het Friesch: mei lange tosken ite.In 't Fransch beteekent avoir les dents longues, uitgehongerd zijn.

2404. Lange (of kromme) vingers hebben,

d.i. zijne vingers te ver uitsteken, zijne handen niet voor zich kunnen houden, diefachtig zijn. Vgl. Poirters, Mask. 233: Desen Hovelingh stack sijn vingheren wat te verre uyt; mnl. elcken vingher is hem eenen haeck weert, iedere vinger doet hem den dienst van een haak (Mnl. Wdb. III, 31); Sart. I, 1, 18: wacht u van die krom gevingert sijn, rapacitatem fugiendam docet; De Brune, 219; Tuinman I, 76: Hy heeft kromme vingers, dit zegt men van ymand die diefachtig is, en van zijne vingeren haaken maakt; Adagia, 69; Harrebomée II, 381 b; Ndl. Wdb. VIII, 320; Molema, 229: kromvingerd wezen, kromme vingers hebben, diefachtig zijn; fri. lange fingers hawwe; afrik. lang vingers hê; Joos, 78: hij heeft lange of kromme vingers; De Bo, 1326 b; Antw. Idiot. 745: lange vingeren hebben; Land v. Aalst: zijn vingeren zijn te lang; hd. lange, krumme Finger haben (oder machen); eng. to be (of the) long (or light) -fingered (gentry); fr. avoir la main crochue ou les doigts crochusDr. D.C. Hesseling deelt mij mede, dat men op Lesbos in denzelfden zin zegt: Zijn nagels zijn lang..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut