Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

landouw - (vruchtbare streek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

landouw zn. ‘vruchtbare streek’
Onl. *lantōi in de plaatsnaam lantohi ‘plaats in of bij Texel (Noord-Holland)’ [850-900, kopie 1150-58; Künzel]; mnl. landouwe ‘natte streek, landschap met water’ [ca. 1440; MNW]; vnnl. landouwe ‘streek; weideland’ [1599; Kil.].
Samenstelling van → land en mnl. ouwe ‘beemd, met water doorsneden land’, een erfwoord dat al voorkomt als onl. ōi, verbogen vormen owe, in in pago Hisloae ‘in de streek van de beemd der IJssel (Gelderland)’, met Latijnse naamvalsuitgang en als eerste lid de riviernaam Isla ‘IJssel’, en in pago Hisloi [794 resp. 797, kopie 10e eeuw; Künzel]. In het Middelnederlands werd de nominatief aangepast aan de verbogen vormen. De oorspr. nominatief is bewaard gebleven in het eerste lid van → ooibos en in toponiemen als Ooi (Gelderland) en Ooien (Noord-Brabant).
Bij onl. ōi: mnd. ouwe, ō, ōge ‘waterloop, eiland, vochtig weideland’; ohd. ouwa (nhd. Au(e)); ofri. ei(-land, -lond) ‘eiland’; oe. īeg, īg; on. ey ‘eiland’ (nzw. ö); < pgm. *awjō- < *agwjō- ‘bij water behorend land’, een j-afleiding met grammatische wisseling van pgm. *ahwō-, waaruit → a, en zie ook → eiland.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

landouw* [veld] {landouwe 1515} het tweede lid is identiek met ei (vgl. eiland) en -ooi in plaatsnamen als Akkooi, Renooi; evenals in gouw naast gooi ontstond -ouw uit de eerste nv. en -ooi uit de verbogen nv.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

landouw znw. v., samenstelling van land en ouw; zie: eiland.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eiland znw. o., mnl. eilant(d) o. Evenals mnd. mhd. eilant (door volksetymologie einlant) (nhd. eiland) o. uit ofri. eiland o. Men heeft gepoogd, eiland als een nfrank. vorm te verklaren, maar die verklaring is te gewrongen om juist te kunnen zijn. Ofri. eiland is evenals mnd. ôland, ags. îegland (waaruit onder invloed van ofr. isle eng. island), on. eyland o. een samenst. van *ei, resp. ô, îeg, ey v. “eiland” en land. Het eerste lid, germ. *aujô-, nom. *awî, uit *aʒwjô- komt ook in de andere germ. talen voor: onfr. (in charters) Îsl-ô, Mas-ô, ohd. ouwa v. “water, stroom, land bij ’t water, eiland, vochtig weiland” (nhd. au, aue), ndl. landouw, mnl. (land)ouwe v. “beemd, landouw”, ooi v. “eiland door een rivier gemaakt, uiterwaard”. De laatste vorm, die klankwettig naast ouwe ontstaan is (*awî > ouwə, gen. *au-jôz > ôjə) bestaat nog in eigennamen als Schimmelpenninck van der Oye, Ammersooi, Wadenoyen. NB. Een dergelijke samengestelde eigennaam is misschien ook Bat-avia, zeker Scadin-avia, ags. Scedenîg, on. Skâney; Schiermonnikoog (in de prov. Gron. zegt. men -ô). Germ. *aʒwjô-, eig. “waterland” is een afl. van idg. *aqâ- of *aḱwâ-, got. ahwa, (onfr. â-lende “insulae”), ohd. os. aha, ofri. â (ook in âlond “eiland”), ê, ags. êa (< *eahu), on. ǫ̂ v. “water”, lat. aqua “id.”. Dit leeft nog voort in namen als De A, De Ee, Breda, vgl. du. Fulda, ofri. Wisurâ, Wiserê. [Vgl. voor dgl. als de in dit artikel besproken vormen bij ooi.]

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

landouw v., : hier is ouw hetz. w. als ei in eiland, (z.d.w en a) ; het is ook het laatste lid in Schiermonnik-oog, in Batavia, Betuwe en Veluwe.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Landouw; ouw is hier hetzelfde woord als ei in eiland, (z. d. w.); het woord wil dus feitelijk zeggen : waterig land; weide.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

landouw ‘veld’ -> Duits dialect Landou ‘grond, streek’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut