Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

landerig - (slecht geluimd)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

landerig* [slecht geluimd] {1897} oorspr. gezegd van zeelieden die aan wal zijn, vgl. het land hebben.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

landerig bnw., eerst na Kiliaen; evenals de uitdr. het land hebben duidt dit op de gemoedsgesteldheid van zeelieden, die aan wal zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

landerig bnw., nog niet bij Kil. Evenals het land hebben oorspr. gebruikt van zeelui aan den wal.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

landerig* slecht geluimd 1844 [Physiologie van Amsterdam, 43, 90]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1327. Het land (in)hebben,

d.w.z. ontevreden, gemelijk, kort aangebonden zijn; landerig of landziekig zijn (Ndl. Wdb. VIII, 1013); eig. zoo gestemd zijn als een zeeman op het land; als een matroos ‘die koortsen haalt op 't land, en lucht schept op de vloeden’ (Vondel, Lof der Zeevaart, vs. 6). Ook zegt men stierlijk het land hebbenGanderheyden, Groningana, 62 b; Menschenw. 439. Ook zich stierlijk vervelen is bekend (o.a. Falkl. IV, 116); in 't hd. stierdumm, -dunkel. of het land hebben als een stier, d.w.z. als een stier, die aan een touw in de weide is vastgebonden; zie Nest, 54: Ze had danig het zuur. Ze had het land als een stier. Vgl. het fri. hy is in tsjoarbolle, hij is een tuierstier, die in de weide aan een tuier, een lange lijn, vast zit en gewoonlijk zeer norsch (niet zelden kwaadaardig) is; Antw. Idiot. 744: het land hebben, fier zijn, aanmatigend worden; Rutten, 245: zuur zien gelijk een vaar (stier). Hierbij behoort ook de uitdr. iemand het land opjagen of injagen, iemand in eene ontevreden, gemelijke stemming brengen, hem de pan aanjagen (Boekenoogen, 729). Eerst in de eerste helft der 19de eeuw komen deze zegswijzen voor; vgl. Ndl. Wdb. VIII, 973; Sjof. 171; Nkr. VI, 31 Aug., p. 4: Zij was zoo zuur en had zoo 't land; De Arbeid, 15 Nov. 1913, p. 3 k. 4: Ik kan me best voorstellen, dat de soci's vreeselijk het land inhadden.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut