Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

landen - (aan land zetten of komen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

land zn. ‘niet door water bedekt gedeelte van de aarde; agrarisch terrein; staat’
Onl. lant, land- in vele plaatsnamen, o.a. in Engelandi (datief), letterlijk ‘enkland’, zie → enk, ‘Engeland (Gelderland)’ [801, kopie 10e eeuw; Künzel] en zie → landouw; mnl. lant ‘streek; vaderland; bouwland’ [1240; Bern.].
Os. land (mnd. lant); ohd. lant (nhd. Land); ofri. land, lond (nfri. lân); oe. land, lond (ne. land); on. land (nzw. land); got. land; < pgm. *landa- (o.). Daarnaast met umlautsfactor pgm. *landjō-, waaruit nzw. dial. linda ‘braakland’ (mogelijk ook uit *lendja-), en zie ook de afleidingen → belenden en → ellende.
Hierbij de werkwoordsafleidingen: mnl. landen (zie onder); mnd. landen; ohd. lenten (mhd. lenden, lenten, nhd. opnieuw afgeleid als landen); de vormen met umlaut < pgm. *landjan-.
Verwant met: Oudpruisisch lindan ‘vallei’; Proto-Slavisch *lędo (Russisch ljáda ‘begroeide lage plek’, Pools ląd ‘land’, Tsjechisch lada ‘onbewerkt land’); Proto-Keltisch *landā- ‘open land’ (Oudiers lann ‘terrein, open plek’, Welsch llan ‘gebied’). Verdere etymologie onzeker. Men kan op grond van deze woorden pie. *londh- reconstrueren (IEW 675), maar volgens o.a. Cowan (1971) en Polomé (1990) is er wrsch. sprake van ontlening aan een voor-Indo-Europese substraattaal. Aanwijzingen daarvoor zijn Baskisch landa ‘veld’ en Catalaans llanda ‘vlakte’, die wrsch. inheems zijn en niet ontleend aan het Keltisch, zoals dat wél geldt voor Frans lande ‘heide’ (Oudfrans ‘bebost gebied’). Verwantschap met → lende (waarbij o.a. Sanskrit rándhra- en Latijn lumbus) < pie. *lendh-/londh- (Mayrhofer 1986) lijkt om semantische redenen weinig wrsch.
landen ww. ‘aan land gaan’. Mnl. doe hi ghelant was, so ghinc die stat besien ‘toen hij aan land was gekomen, ging hij de stad bekijken’ [ca. 1450; MNW]; daarnaast in het mnl. ook de vorm lenden ‘aan land komen’ [1477; Teuth.]. Afleiding van land.
Lit.: Cowan 1971, 194-196; E. Polomé (1990) ‘The Indo-Europeanization of Northern Europe: the Linguistic Evidence’, in: Journal of Indo European Studies 18, 331-338, hier 335

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

landen* [aan land zetten] {1450} middelnederduits landen, middelhoogduits lenden, lenten; afgeleid van land.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

landen ww., mnl. landen, mnd. landen naast Teuth. lenden, mhd. lenden, lenten, afl. van land. — Zie ook: belenden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

landen ww., mnl. landen = mnd. (nhd.) landen “landen”, waarnaast Teuth. lenden, mhd. lenden, lenten “id.”. Voor dezelfde ww. in andere bet. vgl. belenden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

landen ‘aan land zetten of komen’ -> Sranantongo lande ‘aan land komen van een vliegtuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

landen* aan land zetten of komen 1450 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut