Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

land - (niet door water bedekt gedeelte van de aarde; agrarisch terrein; staat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

land zn. ‘niet door water bedekt gedeelte van de aarde; agrarisch terrein; staat’
Onl. lant, land- in vele plaatsnamen, o.a. in Engelandi (datief), letterlijk ‘enkland’, zie → enk, ‘Engeland (Gelderland)’ [801, kopie 10e eeuw; Künzel] en zie → landouw; mnl. lant ‘streek; vaderland; bouwland’ [1240; Bern.].
Os. land (mnd. lant); ohd. lant (nhd. Land); ofri. land, lond (nfri. lân); oe. land, lond (ne. land); on. land (nzw. land); got. land; < pgm. *landa- (o.). Daarnaast met umlautsfactor pgm. *landjō-, waaruit nzw. dial. linda ‘braakland’ (mogelijk ook uit *lendja-), en zie ook de afleidingen → belenden en → ellende.
Hierbij de werkwoordsafleidingen: mnl. landen (zie onder); mnd. landen; ohd. lenten (mhd. lenden, lenten, nhd. opnieuw afgeleid als landen); de vormen met umlaut < pgm. *landjan-.
Verwant met: Oudpruisisch lindan ‘vallei’; Proto-Slavisch *lędo (Russisch ljáda ‘begroeide lage plek’, Pools ląd ‘land’, Tsjechisch lada ‘onbewerkt land’); Proto-Keltisch *landā- ‘open land’ (Oudiers lann ‘terrein, open plek’, Welsch llan ‘gebied’). Verdere etymologie onzeker. Men kan op grond van deze woorden pie. *londh- reconstrueren (IEW 675), maar volgens o.a. Cowan (1971) en Polomé (1990) is er wrsch. sprake van ontlening aan een voor-Indo-Europese substraattaal. Aanwijzingen daarvoor zijn Baskisch landa ‘veld’ en Catalaans llanda ‘vlakte’, die wrsch. inheems zijn en niet ontleend aan het Keltisch, zoals dat wél geldt voor Frans lande ‘heide’ (Oudfrans ‘bebost gebied’). Verwantschap met → lende (waarbij o.a. Sanskrit rándhra- en Latijn lumbus) < pie. *lendh-/londh- (Mayrhofer 1986) lijkt om semantische redenen weinig wrsch.
landen ww. ‘aan land gaan’. Mnl. doe hi ghelant was, so ghinc die stat besien ‘toen hij aan land was gekomen, ging hij de stad bekijken’ [ca. 1450; MNW]; daarnaast in het mnl. ook de vorm lenden ‘aan land komen’ [1477; Teuth.]. Afleiding van land.
Lit.: Cowan 1971, 194-196; E. Polomé (1990) ‘The Indo-Europeanization of Northern Europe: the Linguistic Evidence’, in: Journal of Indo European Studies 18, 331-338, hier 335

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

land* [streek, bouwland] {in de plaatsnaam Englandi, nu Engeland (Gld.) <801>, lant 1200} oudhoogduits lant, oudsaksisch, oudfries, oudengels, gotisch land; buiten het germ. oudiers land, welsh llan, oudpruisisch lindan (4e nv.) [vallei], oudrussisch ljadina [onkruid, struikgewas]. De uitdrukking het land van belofte [gelukkig land] is ontleend aan Hebreeën 11:9. De uitdrukking het land hebben [uit zijn humeur zijn] wil zeggen ‘zich voelen als een zeeman aan de wal’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

land znw. o., mnl. lant, os. land, ohd. lant, ofri. oe. lond, on. got. land. — Daarnaast abl. nzw. linda ‘braakland’; en waarschijnlijk ook on. lundr m. ‘bos, boom’ (eig. ‘omheinde plek in het bos, heilig bos’, vgl. Much ZfdA 42, 1898, 170). — oiers land ‘open ruimte’, en abl.: osl. *lędina, witruss. ljada ‘gerooid landstuk’, opr. acc. enk. lindan ‘dal’ (IEW 675). — Zie: belenden, landen, landschap.

Men zal wel mogen uitgaan van ‘omheind stuk land’ vgl. opr. lindan ‘door bergen omsloten gebied’ (J. Trier Nachr. AW Göttingen 1940 Nr. 4, 88-89). Dan zou het uitgangspunt, zoals in vele andere gevallen (zie bijv. tuin) omheining zijn; Trier ZfdPh 70, 1949, 345 wijst in dit verband op iers lann ‘braadpan’ en gr. lásana (mv.) ‘pot op poten’; in beide gevallen uit te gaan van een bet. ‘met leem besmeerd vlechtwerk’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

land znw. o., mnl. lant (d) o. = ohd. lant (nhd. land), os. land, ofri. ags. lond (eng. land, on. got. land o. “land”. Met ablaut zw. dial. linda “braakland”; of on. lundr m. “woud, boom” verwant is, is zeer onzeker. Buiten het Germ. vgl. ksl. lędina “onbebouwd land”, opr. lindan “dal”. Sommigen combineeren nog ier. land, lann “stuk land”. Fr. lande “heide” komt eer uit ʼt Kelt. dan uit ʼt Germ.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

land. “Ksl. lędina ‘onbebouwd land’”, lees: “slav. *lędina in slov. ledína ‘onbebouwd land’ e.a.” — De combinatie met ier. land, lann ‘stuk land’ is zeer aannemelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

land o., Mnl. lant, Os. land + Ohd. id. (Mha. lant, Nhd. land), Ags. lond (Eng. land), Ofri. lond, On. land (Zw. en De. id.), Go. id. + Oier. land. Osl. ledina. Onzeker is of Fr. lande, Prov. en It. landa = heide, uit het Germ. dan wel uit het Keltisch komen. — Het land. hebben = het land in het lijf hebben, namelijk als een ziekte, naar zee verlangen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

land: (’s) Lands(-). (’s) lands(-), van het land (Suriname); in handen van, in beheer bij de overheid, ’s Lands Bosbeheer, ’s Lands Hospitaal*, ’s Lands Vrijkorps*, ’s Lands Weldadigheids* Gesticht (= ’s Landsgrond*), enz. Maar ik moet U erop attent maken dat de pas benoemde Landsminister het geld niet uit zijn mouw kan schudden (Waller 60). Arme sloebers worden op ’s Lands kosten ter aarde besteld (Veldhoek 6). Bij de Staten* is dezer dagen ingediend de landsverordening tot wijziging van de opiumverordening (Sur. Nieuws 9: 4; 1974). - Etym.: In AN veroud. - Zie ook: Lanti*.
— ’ Landsgrond, gebruikelijke aanduiding voor ’s Lands Weldadigheids* Gesticht, het bejaardenhuis van de staat. Als ik deze vrouw niet had, en als ik niet meer met de loten zou kunnen, dan heb ik niemand om naar toe te gaan. Mocht het zo zijn dat zij eerder komt te overlijden dan ik, dan zal ik verplicht zijn om te gaan naar ’s Lands grond (W. Lobo volgens Van Westerloo & D. 16). - Etym.: Zie land*. De oude naam is Weldadigheidsgesticht ’s Landsgrond Boniface.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

land 'land als tegengesteld aan water, gebied'
Onl. land, lant, mnl. lant 'land als tegengesteld aan water, polderland, perceel, grondstuk, bouwland, gebied', ofri. land, lond, os. land, ohd. lant, oe. lond, ono. land, got. land 'idem'. Daarnaast nzwe. linda 'braakland'. Oudste attestaties in plaatsnamen: 801 kopie 10e eeuw Engilandi (→ Engeland1), 918-948 kopie Masalandæ (→ Maasland)1, 1186 Relant (→ Rilland)2, 1188 ingevoegd eind 13e eeuw Mallande (→ Mallem)3 en 1189 Hogeland (→ Hoogelande)4.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 236, 2Idem 302, 3Gysseling 1960 655, 4Künzel e.a. 1989 182.

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Het land van belofte, het beloofde land, Israël; (fig.) het ideale land dat in het vooruitzicht wordt gesteld.

Het land dat God aan Abraham toezegde is Kanaän: 'Heel Kanaän, het land waar je nu als vreemdeling woont, zal ik jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven, en ik zal hun God zijn' (Genesis 17:8, NBV). De enige plaats waar de verbinding letterlijk voorkomt staat in het Nieuwe Testament: 'Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte' (Hebreeën 11:9, NBG-vertaling; de NBV heeft hier 'het land dat hem beloofd was'). Nu wordt (informeel) ook het huidige Israël met deze naam aangeduid, en wordt de naam overdrachtelijk ook voor andere (soms uitsluitend spiritueel bedoelde) landen gebruikt, vergelijk de roman Het beloofde land van Adriaan van Dis (over de Karoo in Zuid-Afrika) en het beloofde land in Taoïstische zin als de spirituele situatie waar men naartoe werkt.

Liesveldtbijbel (1526), Hebreeën 11:9. Door dat gelooue is hi een vreemdelinck geweest in dat beloofde lant, als in eenen vreemden lande, ende woonde in tenten met Jsaac ende Jacob, den mede erfgenamen der seluer belooften. (Statenvertaling (1637): het landt der belofte.)
Mijn feestgevoel toen we op de heenreis de rots van Gibraltar passeerden, was daardoor des te groter; ik had deze reis een tamelijk draaglijk leven en ik zou het beloofde land zien. (J.M.A. Biesheuvel, Zeeverhalen, 1985, p. 80)
Verbouwereerd zie ik de sterren stralen / op landen van belofte, ongemeten, / en wil zonder verwijl daar binnengaan. (G. Achterberg, Verzamelde gedichten, 1985 (Nebo, 1957), p. 903)
Zoals tal van intellektuelen, die erin slaagden te ontsnappen aan de verleiding van het opportunisme en het konformisme van het nonkonformisme, werkte Kristol zich los uit de ban van de marxistische boodschap van het kommunistische beloofde land. (De Standaard, dec. 1995)

Een land (overvloeiende) van melk en honing, Israël; (fig.) een land waar het goed leven is.

Het Beloofde Land Kanaän (Israël) wordt ook wel het land van melk en honing, of het land, (over)vloeiende van melk en honing genoemd. De eerste vindplaats in de bijbel is die waar God speekt: 'Daarom ben Ik nedergedaald om hen uit de macht der Egyptenaren te redden en uit dit land te voeren naar een goed en wijd land, een land vloeiende van melk en honig, naar de woonplaats van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten' (Exodus 3:8, NBG-vertaling; zie ook onder meer Leviticus 20:24 en Numeri 13:27). De NBV heeft 'dat overvloeit' in plaats van 'vloeiende'. Bedoeld is dat het land een overvloed aan voedsel opbrengt en dus goed is om in te wonen. De uitdrukking is zo bekend dat er ook speels op gevarieerd wordt zoals in het volgende tijdschriftartikel: 'Beeldspraak in de culinaire journalistiek: land van brood en honing. [...] Eten en drinken in spreekwoorden' (Onze Taal, 1991, nr. 5). Een ander voorbeeld: 'Hij staarde haar na, de brede heupen in de lange gestreepte rok, de mollige rug, de volle armen. Een land van melk en boter. De melk die hij had gedronken was bijna geel van de room geweest. Geen boer was hij, maar ook een leek kon zien hoe sappig en mals het gras hier was' (M. Möring, In Babylon, 1997, p. 107).

Statenvertaling (1637), Exodus 3:8. Daerom ben ick neder gekomen, dat ick het verlosse uyt de hant der Egyptenaren, ende het op-voere uyt desen lande, nae een goet ende ruym lant, nae een lant vloeyende van melck ende honich.
En bij de ondertekening van de Interim-overeenkomst op 28 september van dit jaar, ook te Washington, zei hij 'dat het land vloeiende van melk en honing niet mag worden tot een land vloeiende van bloed en tranen'. (Tweede Kamer, nov. 1995)
Ze is gevlucht uit haar land in de Hoorn van Afrika, waar onbeschrijfelijke ellende bestaat door honger, oorlog en droogte en hoopt een tijdelijk verblijf of misschien wel een definitieve toekomst met perspectief te kunnen vinden in Nederland, vriendelijk en gastvrij en overlopend van melk, honing en beloften. (Meppeler Courant, dec. 1993)

In het land der levenden, onder de levenden, op aarde, i.t.t. onder de doden, in het hiernamaals.

Deze uitdrukking wordt verscheidene keren in het Oude Testament gebruikt, waarvan de bekendste plaats is: 'Geen sterveling kent de weg erheen, de wijsheid is niet in het land der levenden' (Job 28:13, NBV). De uitdrukking komt vaker voor in oudere vertalingen, onder andere in het bijbelboek Ezechiël, gewoonlijk in verband met de schrik die werd verspreid in het land der levenden (bijvoorbeeld in Ezechiël 32:23, NBG-vertaling).

Deux-Aesbijbel (1562), Job 28:13. Niemant en weet waer sy leyt, ende en wert niet gheuonden in den lande der leuendighen. (de Statenvertaling (1637) sluit hierbij aan; jongere vertalingen hebben levenden i.p.v. levendigen.)
In de eerste trein was onder anderen te vinden Marcus Polak van het modemagazijn aan de 1e Hoofdstraat (thans Pasveer). Wederom waren zestien van de onzen niet meer in het land der levenden. (Meppeler Courant, okt. 1992)
De personages zijn allang dood, maar ontmoeten elkaar op een reünie in het Nieuwpoortteater. De eerste op de afspraak stelt ontgoocheld vast dat men in het Rijk der Levenden enkel jodium, frietvet en angst inademt. (De Standaard, nov. 1995)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aan land ‘op het droge’ -> Berbice-Nederlands alanda ‘op het droge’.

land ‘grond, bouwland; staat’ -> Fries lant ‘grond, bouwland; staat’; Frans dialect † eslandir ‘verbannen, uit het land zetten’; Negerhollands land, lant, lan ‘grond, bouwland; staat’; Berbice-Nederlands landi ‘grond, bouwland; staat’; Sranantongo lanti ‘grond, bouwland; staat’; Saramakkaans lánti ‘staat’ ; Tiriyó ranti ‘staat’ ; Surinaams-Javaans lanti ‘overheid, staats-, lands-’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) lan ‘grond, bouwland; staat’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Mijn vlakke land [lied] (1962). De in Brussel geboren zanger Jacques Brel (1929-1978) neemt in 1962 een Nederlandstalige versie op van zijn nummer ‘Le Plat Pays’: ‘Mijn vlakke land’. Brel beschouwt zichzelf als Franstalige Vlaming. Hij zingt voornamelijk in het Frans, maar neemt ook enkele Nederlandse versies van zijn liederen op. Na de maar matig geslaagde Nederlandstalige platen uit 1961 neemt Brel spraakles. Tijdens het inzingen van ‘Mijn vlakke land’ wordt hij bovendien gecoacht door Ernst van Altena (1933-1999), die de tekst voor hem in het Nederlands vertaalde. Deze inspanningen werpen hun vruchten af: Brel is over de vertolking zeer tevreden. De Vlamingen minder: zij vinden dat zijn tongval meer met Hollands dan met Vlaams te maken heeft, wat Brel als een compliment opvat. Het lied begint als volgt: “Wanneer de Noordzee koppig breekt aan hoge duinen / En witte vlokken schuim uiteenslaan op de kruinen / Wanneer de norse vloed beukt aan het zwart basalt / En over dijk en duin de grijze nevel valt / Wanneer bij eb het strand woest is als een woestijn / En natte westenwinden gieren van venijn / Dan vecht mijn land, mijn vlakke land.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

land* grond, bouwland 0801 [Künzel]

land* rijk, staat 1200 [CG II1 Servas]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

-land, als tweede lid van een samenstelling: alles wat te maken heeft met hetgeen in het eerste lid van de samenstelling genoemd wordt. Voorbeelden: omroepland, theaterland enz.

Zo hoor ik naast het bovengenoemde subsidieland ook regelmatig spreken over omroepland, theaterland en beleggersland. En men zegt bijvoorbeeld dat anno nu de vlag halfstok gaat in werkgeversland, zodat er natuurlijk een geweldige bevolkingsaanwas is in bijstandsland. (Driek van Wissen: Mooi is anders, 1995)
Het ‘ultieme tv-magazine’ heeft al veel stof doen opwaaien in omroepland. (Elsevier, 22/11/97)
Ze was nog niet goed en wel afgestudeerd of ze veroorzaakte een waar relletje in medialand. (HP/De Tijd, 29/05/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2177. Een stille in den lande,

d.i. iemand die zich altijd afgezonderd houdt, zeer weinig spreekt en wars is van alle luidruchtige vroolijkheid, meestal met het bijdenkbeeld, dat hij niet te vertrouwen is. De woorden zijn ontleend aan Psalm 35, vs. 20, waar onder ‘de stillen in den lande’ verstaan worden ‘de rustige, vreedzame bewoners, die gaarne een stil leven zouden leiden en niet deelnemen aan daden van geweld’Zeeman, 450., in welken zin de uitdr. voorkomt in V. Janus, 30; 64; 229; 272; enz.

255. In het land der blinden is éénoog koning.

‘Dat is, onder onwetende munt als wat groots uit, die eenige wetenschap heeft’ (Tuinman I, 364). Reeds in het Grieksch: εν τοις τοποις των τυφλων γλαμων βασιλευει; εν τυφλων πολει γλαμυρος (leepoog) βασιλευει (Schol. Hom. Ω 192); in het Latijn: monoculus inter caecos rexWander I, 404.. Bij ons in de 16de eeuw voorkomend; vgl. Sart. II, 3, 66: De Scheele is een Koningh onder de Blinde, in 't Lant der Blinden is Koppen een-oogh Koning (zoo ook III, 5, 74). Vgl. ook De Brune, 153; Huygens VI, 170:

 In 't Huys daer de blinde woont
 Werdt de slimste eerst gekroontVertaling van het Portugeesche: en casa de cego ô torto he Rey. Bij Jan Vos, Klucht v. Oene, bl. 261: In et schip van de blinden is ienoog stuurman..

Zie verder Bebel, 226: inter caecos unoculus rex est; Erasmus XCVI: inter caecos regnat strabus; Harreb. I, 92; III, 131; 398; Ndl. Wdb. II, 2855; fr. au pays (ou au royaume) des aveugles, les borgnes sont rois; hd. bei den Blinden ist der Einäugige König; eng. in the kingdom of the blind, one-eyed men are kings.

1325. Het land van belofte.

Eigenlijk moest men, volgens Hebr. XI: 9, zeggen ‘het land der belofte’, waaronder men verstond Kanaän, het land dat God aan Abraham beloofde; het beloofde land, dat overvloeide van melk en honing (Exod. III, 8); vandaar bij overdracht: luilekkerland, in welken zin de uitdr. in de 16de eeuw voorkomt, blijkens Despars, 3, 90: Latende hemlieden dincken, dat zy by maniere van sprekene teeneghadere int Lant van Belofte warenMnl. Wdb. III, 117; IV, 853, waar gewezen wordt op het mnd. dat lant der lofnisse, en het mnl. dat lant van promissoen of van behete; bij Matthijszen, 73, 25: in den lande van beloften.. Ook in Zuid-Nederland is de uitdr. bekend (vgl. Waasch Idiot. 387 b; Antw. Idiot. 743: In 't Land van Belofte wonen, in een goede streek; Rutten, 128); fr. la terre de promission; hd. das gelobte Land; das Land der Verheiszung; eng. the Land of Promise.

1326. Er is met hem geen land (of haven) te bezeilen,

d.w. eig. z. door zeilen is geen land met hem te bereiken; overdr. er is met hem niets te bereiken; niets te beginnen; niet om te gaan. Vgl. Witsen, 499 a: Landt met yemandt bezeilen: met yemandt over wegh komen, en omgaen; Winschooten, 78: Daar is geen haaven meede te beseilen, oneigendlijk: met hem is geen spit te wenden, hij deugd nergens toe; bl. 133: Daar is geen land meede te beseilen: dat is, die jongen deugd niet, daar is geen goed gaaren van te spinnen. Zie ook C. Wildsch. II, 144: De lieden zijn zo eigenwijs, dat er geen land meê te bezeilen is; Halma, 300: Men kan geen land met hem bezeilen, men kan met hem niet omgaan, of te regt raaken; Tuinman I, nal. 22: Daar is geen haven mede te bezeilen, dat zegt men van een weerbarstigen dwarskop, die noch te roer noch ter hand wil; Harreb. I, 291; Weekblad v. Het Volk, 6 Nov. 1913, p. 4: Met deze categorie moet geen land te bezeilen zijn; Ndl. Wdb. VIII, 973. In 't fri.: der is gjin lân mei him to besilen, waarvoor men in West-Vlaanderen zegt: met iemand geen kanten kunnen akkeren (De Bo, 488); vgl, ook het Zaansche: er is met hem geen goed garen te spinnen (Boekenoogen, 228 b); het Westvl. geen spit met iemand kunnen wenden (De Bo, i.v. roe; ook Van Effen, Spect. VI, 123); geen rechte voor met iemand kunnen ploegen (Joos, 96 en 103); geen rie met iemand kunnen schieten (Rutten, 187 b); Sart. II, 10, 36: men magh met hem eggen noch eeren, waarvoor men op Goeree en Overflakkee zegt: er is niet met hem te ploegen of te eggen (zie N. Taalg. XI, 306; Ndl. Wdb. III, 3965).

1327. Het land (in)hebben,

d.w.z. ontevreden, gemelijk, kort aangebonden zijn; landerig of landziekig zijn (Ndl. Wdb. VIII, 1013); eig. zoo gestemd zijn als een zeeman op het land; als een matroos ‘die koortsen haalt op 't land, en lucht schept op de vloeden’ (Vondel, Lof der Zeevaart, vs. 6). Ook zegt men stierlijk het land hebbenGanderheyden, Groningana, 62 b; Menschenw. 439. Ook zich stierlijk vervelen is bekend (o.a. Falkl. IV, 116); in 't hd. stierdumm, -dunkel. of het land hebben als een stier, d.w.z. als een stier, die aan een touw in de weide is vastgebonden; zie Nest, 54: Ze had danig het zuur. Ze had het land als een stier. Vgl. het fri. hy is in tsjoarbolle, hij is een tuierstier, die in de weide aan een tuier, een lange lijn, vast zit en gewoonlijk zeer norsch (niet zelden kwaadaardig) is; Antw. Idiot. 744: het land hebben, fier zijn, aanmatigend worden; Rutten, 245: zuur zien gelijk een vaar (stier). Hierbij behoort ook de uitdr. iemand het land opjagen of injagen, iemand in eene ontevreden, gemelijke stemming brengen, hem de pan aanjagen (Boekenoogen, 729). Eerst in de eerste helft der 19de eeuw komen deze zegswijzen voor; vgl. Ndl. Wdb. VIII, 973; Sjof. 171; Nkr. VI, 31 Aug., p. 4: Zij was zoo zuur en had zoo 't land; De Arbeid, 15 Nov. 1913, p. 3 k. 4: Ik kan me best voorstellen, dat de soci's vreeselijk het land inhadden.

1328. Het land aan iemand of iets hebben,

d.w.z. iemand of iets zeer onaangenaam vinden; een hekel hebben aan iemand of iets, den dikkerd hebben aan iemand (zie Ndl. Wdb. III, 2622); eig. de landziekte aan iets hebben (zie no. 1327); Vgl. Nkr. VI, 15 Juni, p. 6: Talma heeft 't land aan hem als een stier; Nkr. VII, 11 Oct. p. 3: 'k Heb aan 't geloei en gebalk en geblaat intusschen stierlijk het land. Te vergelijken zijn de mier, de pest, de puist, het graveel, een gruwel (Job 19: 19; Ps. 106: 40), een gruis (zie het Ndl. Wdb. V, 728), een grins (Taalgids II, 102), het grauw hebben op iem.; den duivel, den brui, den hooi, den draai (Tuinman I, 276), het zuur (o.a. P.K. 120), de kanker (Nkr. VIII, 24 Jan. p. 4), de mier, aan (van) iets (gezien) hebben; Villiers, 71, enz.

1329. Te land(e) komen,

ergens terecht komen, ergens belanden; ook op eene plaats, waar men liever niet zou gekomen zijn. In de middeleeuwen beteekende te lande comen, in zijn vaderland komen; eene enkele maal kwam het toen ook in den tegenwoordigen zin voorMnl. Wdb. III, 118., die voortvloeit uit de gewone beteekenis van landen, aanlanden; vgl. Kil. Aencomen te lande, potiri terra, petere portum, appellereDr. G.A. Nauta, Taal en Letteren III, 369, neemt eene andere ontwikkeling der beteekenis aan, en meent dat te lande comen (in zijn vaderland komen) oorspr. in bonam partem, in gunstigen zin, werd gebruikt; dat evenwel van lieverlede het gebruik van goed noodig werd, en dat goed te lande komen met het pleonastisch gebezigde ‘goed’ de geboorte gaf aan de tegenstelling slecht te lande komen.; Bank. I, 439: Met een ancker te lande komen; II, 318: Als 't schip maar wel te lande komt; C. Wildsch. III, 6: Leun er niet tegen, gij zoudt op de buitenplaats zelve te land kunnen komen; Sewel, 435: Aan land (of te lande) komen, to come ashore, to land; fri. to lânne komen, terecht komen; Ndl. Wdb. VIII, 972.

1891. Geen profeet is in zijn (eigen) land geëerd.

Dit is een aan den Bijbel (Luc. 4, 24 of Matth. 13, 57) ontleend spreekwoord, in den zin van: geen man van verdienste wordt in zijn eigen land zoo geëerd, als dikwijls in het buitenland. Op beide plaatsen wordt het door Jezus gebruikt, wanneer hij ondervindt, hoe de inwoners van Nazareth niet op zijne prediking acht geven, en hem door hun ongeloof bedroeven. Vgl. Zeeman, 418; mlat. in propria natus est nemo propheta vocatus (Werner, 41); Prov. Comm. 635: ten is gheen prophete verheven in syn selfs lant; Campen, 28: der en is ghien Propheet anghenaem in syn vaderlandt; Winschooten, 219: Daar werd geen sant verheeven in sijn eige land; Cats I, 543; Hooft, Ged. I, 192, 49; De Brune, 370; C. Wildsch. III, 6; enz. Zie Harreb. III, 319 a; Ndl. Wdb. XIV, 95; Antw. Idiot. 1054; Wander III, 1412 en vgl. het nd. wo de Profête geboren is, da gelt he nich (Eckart, 417); fri. in profeet wirdt yn syn heitelân net eard of ook der is nin profeet yn syn lân forheven; Joos, 211: niemand is profeet in zijn land; nooit san(c)t verheven in zijn land; Schuermans, 566; fr. nul n'est prophète en son pays; hd. der Prophet gilt nichts in seinem Vaterlande; eng. a prophet has no honour in his own country.

1987. Oude (of dure) schepen blijven aan land,

d.w.z. oude of al te veel eischende meisjes blijven thuis, ongetrouwd. Zie Winschooten, 233: Duure schepen blijven aan land: het welk oneigendlijk beteekend, dat juffertjes, die haar waar al te seer op geld houden, daarom somtijds ongetrouwd blijven’. Zie Campen, 32: die duyrste schepen liggen langest an lande; De Brune, 493; Cats I, 470: ‘Dan nogh soo gebeurt het veel, dat duyre schippers veeltijts aen lant blijven’, dat op gelijke lijn staat met ‘trotsende schoonheden en trecken geen herten’; Halma, 569: De oude schepen blijven aan land, al te spijtige vrijsters blijven zonder man zitten; Harreb. II, 5 b; III, 273 b; Van Eijk I, 120; Eckart, 457: dür schäp stähn an 't Land; hd. teure Schiffe bleiben am Rande; in het Schotsch: a dear ship stands lang i' the haven (Prick).

2577. 's Lands wijs, 's lands eer,

d.w.z. ieder land heeft zijne bijzondere zeden en gewoonten, die men geoorloofd en welvoeglijk acht; vgl. mlat. mutantur mores, quando mutantur honores. Eene spreekwijze, die voorkomt in de Prov. Comm. 452: lands zeede, lands eere, quod terrae mos est hoc terrae semper honos est; Goedthals, 82: lands sede, lands eere, costume vanden lande en is geen schande; on doibt de chose faicte user; Campen, 76: landts wyse Landts eere; Servilius, 208*: des lants wyse is des lants eere; Spieghel, 285: lands wijze, lands eer; Brederoo III, 61, 1465: Lands-wijze zijn landseer; V.d. Venne, 166: Landts zeden, landts reden; zie verder de bij Harrebomée I, 174 a; III, 176 aangehaalde schrijvers; Bebel no. 28 en 522; Gew. Weuw. III, 68; Paffenr. 125; Taalgids V, 145; Wander II, 1765; Ten Doornk. Koolm. III, 562 b; Eckart, 306: so mannig Land, so mannge Wîse, so manngen Kuok, so mange Spîse; fri. lâns wize lans eare; Joos, 167: ieder land heeft zijnen trant; ieder kwartier heeft zijn manier; 168: 's lands wijze, 's lands eer; hd. ländlich, sittlich; fr. autant de pays, autant de guises; eng. as many lands, as many customs.

2577. 's Lands wijs, 's lands eer,

d.w.z. ieder land heeft zijne bijzondere zeden en gewoonten, die men geoorloofd en welvoeglijk acht; vgl. mlat. mutantur mores, quando mutantur honores. Eene spreekwijze, die voorkomt in de Prov. Comm. 452: lands zeede, lands eere, quod terrae mos est hoc terrae semper honos est; Goedthals, 82: lands sede, lands eere, costume vanden lande en is geen schande; on doibt de chose faicte user; Campen, 76: landts wyse Landts eere; Servilius, 208*: des lants wyse is des lants eere; Spieghel, 285: lands wijze, lands eer; Brederoo III, 61, 1465: Lands-wijze zijn landseer; V.d. Venne, 166: Landts zeden, landts reden; zie verder de bij Harrebomée I, 174 a; III, 176 aangehaalde schrijvers; Bebel no. 28 en 522; Gew. Weuw. III, 68; Paffenr. 125; Taalgids V, 145; Wander II, 1765; Ten Doornk. Koolm. III, 562 b; Eckart, 306: so mannig Land, so mannge Wîse, so manngen Kuok, so mange Spîse; fri. lâns wize lans eare; Joos, 167: ieder land heeft zijnen trant; ieder kwartier heeft zijn manier; 168: 's lands wijze, 's lands eer; hd. ländlich, sittlich; fr. autant de pays, autant de guises; eng. as many lands, as many customs.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut