Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lamp - (kunstmatige lichtbron)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lamp zn. ‘kunstmatige lichtbron’
Mnl. lampe ‘olielamp, kaars, fakkel’ [1240; Bern.], die lampde ... si bescheen ‘de lamp ... zij bescheen’ [1265-70; CG II], sel hi bernen doen inder kerke ene lampe ‘zal hij in de kerk een lamp laten branden’ [1282; CG I], ene lampte clar ‘een heldere lamp’ [1287; CG II], als een lamp sonder olye [1437; MNW-P]; vnnl. naast lamp en lampe tot laat in de 16e eeuw nog de vorm lampte [1597; WNT lampte], waaruit West-Vlaams lante (Debrabandere 2002).
Ontleend aan Frans lampe ‘lamp’ [1119; Rey], ontwikkeld uit Latijn lampas (genitief lampadis) ‘fakkel, toorts’, ontleend aan Grieks lampás ‘id.’, afleiding van lámpein ‘stralen, schijnen, branden’. De later verdwenen Middelnederlandse vorm lampde, waaruit door assimilatie lampte ontstond, was rechtstreeks ontleend aan het Latijn.
Grieks lámpein is verwant met: Litouws lópė ‘licht’, Oudpruisisch lopis ‘vlam’; Oudiers lassar ‘vlam’, Welsh llachar ‘schijnend’; Hittitisch lāp- ‘gloeien’; bij pie. *leh2p- ‘schijnen’ (LIV 403).
De algemene betekenis van lamp is nog steeds ‘kunstmatige lichtbron’. In samenstellingen met -lamp kan een specifiek model, de techniek of de functie van een bepaalde lamp worden uitgedrukt, bijv. gazlamp [1834; WNT licht I], hanglamp [1838; WNT antiek I], gloeilamp [1870; WNT zwavel I], mijnlamp [1864; Calisch]. Doordat veelgebruikte samenstellingen opnieuw werden verkort tot lamp, lijkt de betekenis toch enigszins te zijn veranderd: zo heeft het hedendaagse simplex lamp vrijwel altijd elektriciteit als energiebron en worden voor oudere typen lampen samenstellingen als olielamp [1843; WNT walmen I] en petroleumlamp [1889; WNT vlam I] gebruikt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lamp [tot verlichting dienend voorwerp] {lamp(e) [ieder brandend licht, ook fakkel] 1201-1250} < oudfrans lampe < latijn lampadem, 4e nv. van lampas [fakkel, lamp, licht (van de zon)] < grieks lampas [licht, fakkel, lamp], van lampein [glanzen, stralen, schijnen] (vgl. lantaarn). De uitdrukking de lamp hangt scheef [er is geldgebrek] is ontleend aan het beeld van de vroegere olielamp, die men scheef moest hangen om de pit het laatste restje olie te laten opzuigen. De uitdrukking dat riekt naar de lamp [gezegd van een literair werk dat de sporen draagt van veel inspanning] is ontleend aan de Griekse redenaar Pytheas, die beweerde dat de redevoeringen van Demosthenes roken naar de lampenpitten. De uitdrukking tegen de lamp lopen [met de politie in aanraking komen] is mogelijk ontleend aan het barg., waarin lamp ‘agent van politie’ betekent < rotwelsch Lampen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lamp znw. v., mnl. lampe < fra. lampe (12de eeuw) < lat. lampada stamvorm van lampas < gr. lampás. Rechtstreeks uit lampade stammen mnl. lampade, lampde, lampte, mhd. lampade ‘lamp, fakkel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lamp znw., mnl. lampe v. Evenals mhd. (nhd.) mnd. lampe v., eng. lamp “lamp”, it. rhaet. lampa, roemeensch lampă “id.” uit fr. lampe, dat wellicht op een secundairen â-stam vulgairlat. *lampa berust, terwijl andere rom. vormen direct op lat. lampădem, acc. van lampas, -ădis (< gr. lampás) teruggaan, evenals mnl. lampade, lampde, lampte (nog wvla. lante), mhd. lampâde v. “lamp, licht, fakkel”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lamp. Fr. lampe < (vulg.-) lat. lampada, evenals de oudere rom. vormen met d.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lamp v., Mnl. lampe, gelijk Hgd. lampe en Eng. lamp, uit Fr. lampe, van Gr.-Lat. lampás = fakkel, licht.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lamp (Frans lampe)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Een lamp voor iemands voet zijn, (fig.) een voorbeeld, richtsnoer, zijn voor iemand.

Deze weinig gebruikte uitdrukking vindt zijn herkomst in een van de Psalmen: 'Uw regels geven mij inzicht, / daarom haat ik elk bedrieglijk pad. / Uw woord is een lamp voor mijn voet, / een licht op mijn pad' (Psalmen 119:104-105, NBV). In deze psalm wordt de 'heerlijkheid der wet' (NBG-vertaling) bezongen. De symboliek is duidelijk: de wetten zijn de lamp die de wandelaar het juiste pad wijzen, ofwel: dat waarnaar de mens zich richt, zijn voorbeeld. Ook een mens kan een lamp voor iemands voet zijn.

Statenvertaling (1637), Psalmen 119:105. U woort is een lampe voor mijnen voet, ende een licht voor mijnen padt.
Is hij dan nú ook erg met Tomas verbonden? Met die rustige, oudere man die het leven kent en hem vaak met een kalme opmerking een lamp toeschuift. Je zou van Tomas kunnen zeggen dat hij een 'lamp voor je voet is.' (M. van Hoorn, Late lentewind, 1990 (1972), p. 222)
GELD, CROISSANT, KRANT: deze drie willekeurige woorden behelsden een ogenblik lang al mijn wensen, hun samenhang en hun onderlinge rangschikking. Vanuit hun zekerheid kon ik het aandurven het huis te verlaten. Zij garandeerden de bodem waarop ik liep. Zij waren als een lamp voor mijn voet. (N. Matsier, Gesloten huis, 1995, p. 191)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

lampje In 1881 voor het eerst gevonden, in Gent, als lampke. Er werd een ‘grote borrel’ mee aangeduid, eentje van tien centen. Het woord gaat terug op het Franse lampée ‘flinke slok of teug’. Ook enkele uitdrukkingen waarin lamp wordt gebruikt voor ‘fles’, kunnen van invloed zijn geweest. Zo zei men van een dronkaard hij heeft (lelijk) aan de lamp gelikt. En van een lege jeneverfles zei men er is geen olie meer in de lamp.
M.J. Brusse gebruikte de borrelnaam in 1906 in Landlooperij, een verslag van een zwerftocht onder stropers en schooiers:

Hij wou met ’r dansen en [har]monicaspelen... tot ze ’m in z’n kraag nam en boven de trap hield, want hij had al de centen [...] aan lampies jenever verzopen.

Lampen of lampetten werd in Noord en Zuid gebruikt voor ‘slurpen, sterk drinken, zuipen’. In Gent werd een dronkaard een lampenlekker genoemd, dus iemand die van lampies houdt. In de Betuwe kent men, naast lampie voor ‘borrel’, ook lampie licht voor ‘kleintje pils’. Het Amerikaan-Engels kent het vergelijkbare lamp oil voor ‘whisky’. Deze benaming is in de tweede helft van de 19de eeuw aangetroffen.
Vergelijk lampion, lantaarntje en schemerlampje.

[Bolhuis 96; Harrebomée 2:4; Herroem 6, 35, 84, 131; Liev.-Coopm. 758; Moormann 359; Nav. 3:285; NZ 4:100]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lamp (vroeger ook een fakkel) van ’t Gr.-Lat. lampas = fakkel, licht. Vgl. ’t Lat. lampare = lichten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lamp ‘tot verlichting dienend voorwerp’ -> Zweeds lampa ‘tot verlichting dienend voorwerp’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins lamppu ‘tot verlichting dienend voorwerp’ ; Ests lamp ‘tot verlichting dienend voorwerp’ (uit Nederlands of Duits); Litouws lempa ‘tot verlichting dienend voorwerp’ ; Indonesisch lampu ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Ambons-Maleis lampu ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Balinees lampu ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Gimán lampur ‘petroleumlamp’; Jakartaans-Maleis lampu ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Jakartaans-Maleis bohlam ‘lampenpeer’; Keiëes lampo ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Madoerees lampo, lampu ‘tot verlichting dienend voorwerp; licht, kunstlicht’; Menadonees lampu ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Minangkabaus lampu ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Savu lapo, lapu ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Sasaks lampu ‘tot verlichting dienend voorwerp’ (uit Nederlands of Portugees); Soendanees lampu ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Petjoh lampoe ‘tot verlichting dienend voorwerp’ ; Creools-Portugees (Batavia) lampu ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Creools-Portugees (Ceylon) lampo ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Creools-Portugees (Malakka) lámpu ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Singalees lāmpu-va ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Konkani laampt ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Japans ranpu, rampu ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Koreaans namp'o ‘tot verlichting dienend voorwerp’ ; Negerhollands lamp ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Berbice-Nederlands lampu ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Papiaments lampi ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Sranantongo lampu ‘tot verlichting dienend voorwerp’; Arowaks lampu ‘tot verlichting dienend voorwerp’ ; Karaïbisch lampu ‘tot verlichting dienend voorwerp’ ; Sarnami lamphu ‘tot verlichting dienend voorwerp’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lamp tot verlichting dienend voorwerp 1240 [Bern.] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1322. De lamp hangt (of staat) scheef (schuins of voorover),

d.w.z. er is geldgebrek, men zit op zwart zaad; wanneer er nog weinig olie in de (bak)lamp zit, dan wordt deze scheef gehangen, om zoodoende de pit, het lemmet, er nog in te kunnen laten hangen. Vgl. Amst. 173: 't Is Vrijdag zie je, en dan moet de lamp wel schuins staan, dat begrijp je. Ik heb zeven gulden in de week en we bennen met z'n zessen; Boefje, 70: As dan de lamp voor over hing, zooas tegeswoordig met die slapte van werrek; Nest, 52: Ik was bij haar om wat te leenen, want ordinair staat bij me de lamp voorover; Ppl. 2: De lamp staat weer on de schuinte; Zondagsblad van Het Volk, 8 Febr. 1913: Nou, m'n moeder was toen net van onze Fie in de kraam gewest en de laamp 'ing erg veurover thuis. Veul erremoei, meneer! S.M. 97: Jelui moest me dat bagatel leenen tot de volgende maand; 't is nou de achtentwintigste en de lamp staat erg schuin bij me; Nkr. VI, 23 Maart, p. 6: En òver houd ik nooit, 'k wou dat ik zóó'n genie was; den vierden van de maand hangt onze lamp al scheef en vraag 'k mij zelf steeds af: waar mijn salaris bleef? Jord. II, 82: Maar het hakkelende kleutertje kon niets van zijn berooiden vader loskrijgen, omdat die zelf nog geen zakgeld van Nel had toebedeeld gekregen en op Vrijdag.... de lamp voorover stond. Vgl. verder Het is huilen en de lamp vasthouden, 't ziet er treurig uit. Zie Er is geen olie meer in de lamp .

1323. Naar de lamp rieken.

Dit zegt men van redevoeringen, die vooraf bestudeerd zijn, waarop men lang heeft zitten werken, eig. tot laat in den avond, als de lamp brandt; in 't algemeen van eenig letterkundig werk, waaraan veel tijd en inspanning is besteed. De uitdr. is ontleend aan den redenaar Pytheas (± 340 v. Chr.), die van de redevoeringen van den hem vijandig gezinden Demosthenes beweerde, dat zij naar de lampepitten roken (ελλυχνιων οζειν). Zie Vondel II, 459 (ed. Alb. Thijm): Vaer wel, voortreffelycke man, en volhard om, by gelegentheyd, my gelukkigh te maecken met uwe na de lamp ruyckende heldenvonds; G. Brandt in de voorrede van Hooft's werken, 1671: Eenige van zijne brieven rieken naar den oly van arbeidt. Zie Büchmann, 351; Ndl. Wdb. VIII, 961; XIII, 1660 en vgl. het synonieme dat riekt naar de olie; fr. sentir l'huile (ou la lampe); hd. nach der Lampe riechen; eng. to smell of the lamp.

1661. Er is geen olie meer in de lamp,

vooral in toepassing op personen, wier levensgeesten verteerd zijn, hetzij door ouderdom, hetzij door uitputtende losbandigheid; maar ook wel gezegd van eene platte beurs, een ledige flesch, enz.; Ndl. Wdb. X, 113 en vgl. no. 1322. Vgl. voor de 16de eeuw Roode Roos, 82: Daer schuylt vry noch oliken in ons lampe; verder De Brune, 210; 467; Van Effen, Spect. IV, 40; XII, 88; Halma, 386: Daar moet oli, dat is, daar moet geld wezen; Harreb. II, 4. Hiernaast ik heb geen olie meer in de lamp, de flesch is leeg (zie S.M. 95: Zou je nou niet nog 'n beetje olie in de lamp willen doen, 'k heb Toon niet eens meer kunnen inschenken; M.z.A. 184: Anneme.... o ben je daar al.... en op zijn flesch wijzend: 'k heb geen olie meer in de lamp, breng me reis wat te drinken); olie op de lamp doen, d.i. drinken (Uit één pen, 55); zijn lamp van olie voorzien (o.a. Zondagsbl. v.h. Volk, 1905, p. 39: Als de een of ander in Maastricht was geweest en zich daar een hoop nieuws had laten vertellen door de diverse kasteleins, waarbij hij zijn lamp van olie had voorzien); vgl. ook muntolie, geld. In Zuid-Nederland: dat is olie in mijn lamp, dat is koren op mijn molen; daar moet olie wezen, daar moet geld zijn (Harreb. II, 133; Schuermans, 416 a; Bijv. 213; Antw. Idiot. 869; Rutten, 156); daar is geen olie in de lamp, geen geld, geen drank (Antw. Idiot. 1921); fri. oalje yn 'e lampe ha, geld in de beurs of verstand in het hoofd hebben; eng. the light is out, er wordt niet meer geborgd; to get a light at a house, ergens crediet hebben. Syn. is in Zuid-Nederland: er is geen zaad (of peper) meer in 't baksken (Joos, 83). Vgl. fr. il n'y a plus d' huile dans la lampe, zijne krachten zijn uitgeput; remettre de l'huile dans la lampe, iemand weer op kracht doen komen; hd. es ist kein Oel in seiner Lampe mehr; einen auf die Lampe gieszen. drinken; nd. enen up de Lamp gêten oder nehmen (Ten Doornk. Koolm. II, 466); zu viel auf die Lampe gieszen, te veel drinken.

1324. Tegen de lamp (aan)loopen (of vliegen),

d.w.z. er tegen aanloopenHandelingen der Stat.-Gen. 1913, p. 2827 k. 1: De heer Tydeman weet de dingen te zeggen op een andere manier dan de heer Duijs, zonder er parlementair tegen aan te loopen., er tegen loopen, vliegen of waaien, zooals men in Zuid-Nederland zegt; een scherpe berisping ontvangen. Vgl. Schoolm. 252: Keesjenlief viel in 't watertjen diep, waar hij natuurlijk tegen de lamp aanliep en dadelijk als drenkeling ontsliep; Nest, 5: Eens liep je zeker tegen de lamp; Het Volk, 17 Maart 1914, p. 3 k. 1: Kortelings was hij echter tegen de lamp gevlogen, wijl de kontroleur der Arbeids-inspektie tegen hem proces-verbaal had opgemaakt; Handelsblad, 2 Mei (ochtendbl.) 1914, p. 1 k. 6: Hij zeide zich te troosten met de gedachte, dat hij nog wel eenige tapijtjes zou plaatsen, alvorens tegen de lamp te loopen; 4 Dec. 1920 (O), p. 5 k. 6: Het intrekken van het rijbewijs is wel een ernstig nadeel voor den chauffeur, die dan aan den dijk zit, maar niet voor den eigenaar-bestuurder als deze het is die tegen de lamp.... rijdt; Dievenp. 129: Liep hij tegen de lamp, kwam een enkele maal een van zijn inbraken uit, dan liet hij zich kalm vonnissen; bl. 104: Tegen de lamp vliegen, waarnaast ook tegen de lampies slaan (in Handelsblad (ochtendbl.), 24 Maart 1912, bl. 5); Van Schothorst, 163: tegen de lamp loopen, gesnapt worden; Het Volk, 15 Mei 1914, p. 1 k. 3: Als ze failliet gaan, nemen ze een advokaat in den arm, opdat ze niet tegen de lamp loopen wegens bedriegelijke bankbreuk; Handelsblad, 23 Mei 1915 (ochtendbl.) p. 10 k. 3:

O! juffien in die lichte stad
Volg noit een vlinder op oe laivenspad.
Zorg, daj' één flinken kerel krieg,
Veur ie met de kop tegen de lamp vlieg.

Voor de verklaring dezer zegswijze kan men denken aan uitdr. als zich branden, zijn vingers (of handen) branden; 17de eeuw zijn gat schrapen, zich onwetend aan iets vergrijpen; zich door onvoorzichtigheid in moeilijkhededen wikkelen, tegen de wet handelen, doch daar tegen een lamp aanloopen volstrekt geen pijnlijke gevolgen behoeft te hebben, zie ik liever in lamp het bargoensche woord voor politie-agent (vgl. Köster Henke, 38: lamp, politie, onraad. Tegen de lamp loopen; Onze Volkstaal III, 196: lamp, politieagent; Kluge, Rotwelsch, 382: Lampen m. nennt man Jeden, der dem Diebe bei Ausführung seiner Angriffe auf fremdes Eigentum störend oder hindernd in den Weg kommt. Er hat Lampen bekommen, er hat Wind von einer Störung oder Hinderung erhalten; Verlampen, verscheuchen; auf einem Massematten verlampt werden, bei der Verübung eines gewaltsamen Diebstahls verjagt werden. Lampen nennt man endlich auch Späher, Vigilanten; Günther, 29: Lampen von lamdôn, eigentlich der Gelehrte, dann der gewitzigte Bestohlene, der das Verbrechen vereitelt (zie De Amsterdammer, 5 Nov. 1905, bl. 8Leuv. Bijdr. XIII, 185 In navolging van dit verkeerd begrepen lampen, door volksetymologie lampe (‘das stets hell leuchtende Auge des Gesetzes’) wordt in 't hd. de politieagent ook Laterne en Licht genoemd (Günther, Gaunerspr. 92; 100; evenzoo in 't fr. lampion, bec de gaz, politie-agent.). Loopt een inbreker tegen zoo'n ‘lamp’ aan, dan is hij er natuurlijk bij. Ook in den zin van een ongeluk krijgen, eene geheime ziekte opdoen, wordt ‘tegen de lamp loopen’, enz. gebruikt. Hier moet waarschijnlijk gedacht worden aan lamplicht, blijkens het hd. sich verbrennen, syphilitisch angesteckt werden (Kluge, Rothw. 372); eng. to be burned; fr. être échaudé. Volgens Woordenschat, 607 is onder militairen ook gebruikelijk aan de lamp likken (of aan de pan likken), zich schuldig maken aan eene overtreding, waarvoor men gestraft zal worden (ook hier moet natuurlijk aan een brandende lamp gedacht worden). Vgl. Harreb. II, 4: Hij heeft leelijk aan (of van) de lamp gelikt; P.K. 155: Maar als 't nou eens bankies waren geweest, dan zou je toch aan de lamp hebben kunnen likken, als de nummers bekend waren; Van Dale4: Hij heeft aan de pan gelikt (t.w. aan de gloeiende pan), hij is leelijk terecht gekomen; ook: hij heeft veel schade gehad.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut