Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lam - (bn.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lam 2 bn. ‘verlamd, kreupel’
Mnl. lam ‘verlamd, krachteloos’ in mine hand ware worden lam ‘mijn hand zou krachteloos zijn geworden’ [1285; CG II], sine hitte en wert niet lam ‘de hitte die hij ondergaat wordt niet minder’ [1350-1400; MNW].
Os. lam (mnd. lam); ohd. lam (nhd. lahm); ofri. lam, lom (nfri. lam); daarnaast zwak verbogen oe. lama (ne. lame); on. lami (nzw. lam); < pgm. *lama(n)-. Zie ook → belemmeren, → loom en → leemte.
Verwant met: Litouws lìmti ‘breken’, lémti ‘beslissen’; Oudkerkslavisch lomiti ‘breken’ (Russisch lomít'); Middeliers lem ‘dom’; < pie. *lemH- (IEW 674). Misschien is ook Grieks nōlemés ‘ononderbroken, continu’ verwant; in dat geval < pie. *h3lemH- (IEW 674).
lamstraal zn. ‘ellendeling’. Nnl. lamstraal [1903; Groene Amsterdammer]. Samenstelling van lam in de betekenis ‘gebrekkig’ en → straal, maar de onderliggende betekenis is onduidelijk. Men kan denken aan een aanduiding voor iemand met een zwakke pisstraal, een teken van ongezondheid (Heestermans 1989). Maar er kan ook verband bestaan met het louter versterkende bijwoord straal in we zeilen straal in de wind (Zaanstreek) [1897; WNT], iemand straal negeren [1903; WNT] en als eerste lid in straaldronken [1913; WNT Aanv.]. Behalve lamstraal bestaan ook de scheldwoorden donderstraal, lazerstraal en zeikstraal, alle later geattesteerd. Naast lamstraal bestaat ook het synoniem lammeling.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lam2* [verlamd] {1376-1400 in de betekenis ‘gebrekkig, lam, slap’} oudsaksisch lamo, oudhoogduits lam, oudnoors lami; buiten het germ. oudpruisisch limtwei [breken], oudkerkslavisch lomiti [breken]; de grondbetekenis is ‘gebroken’, vgl. gebrekkig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lam 2 bnw., mnl. lam (gen. lames, lammes), os. lamo, ohd. lam (nhd. lahm), ofri. lom, oe. loma (ne. lame), on. lami. — Met ablaut mnl. loemen ‘bederven, vernielen’, loeme ‘bijt in het ijs’, ohd. luomi ‘slap’. — osl. lomlja, lomiti ‘breken’, oiers rolaimethar ‘wagen’, laime ‘bijl’ (IEW 674), idg. wt. *lem ‘stukbreken; gebroken, slap’. — Zie ook: loom.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lam II bnw., mnl. lam (gen. lāmes, ook reeds lammes) “lam, gebrekkig, krachteloos”. = ohd. lam (nhd. lahm), os. lamo, ofri. lom, ags. loma (eng. lame), on. lami “id.”, in ʼt Os. Ags. On. alleen zwak. Met ablaut ohd. luomi “moe, slap”, mnl. loemen “bederven, vernielen”(vgl. loom), mnl. nnl. dial. loeme v. “bijt in het ijs”, zw. loma “met langzamen, zwaren stap gaan” (misschien ook on. lômr m. “colymbus arcticus”; zie echter lom). Vgl. in de eerste plaats obg. lomlją, lomiti “breken” (trans.) = het germ. ww. *lamjanan; zie belemmeren. Verder hierbij lett. l’imt “onder een zwaren last gebukt gaan”, opr. limtwei “breken” (trans), ier. laime “bijl”, nperz. ramîdan “slaan”, ook osk. lamatir, als dit “caedatur” beteekent (ook lat. lanius, lanio “slachter”?), en misschien gr. nōlemés “ononderbroken”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lam II bnw. Lat. lanius, lanio ‘slachter’ wsch. niet hierbij. Vgl. F.Muller Ait. Wtb. 228; WP. II, 434.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lam 1 bijv.(verlamd), Mnl. id., Os. lamo + Ohd. lam (Mhd. id., Nhd. lahm), Ags. loma (Eng. lame), Ofri. lom, On. lami (Zw. en De. lam) + Ru. lomať = breken, lomota = rheumatiek (z. loom).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

laam (bn.) verlamd; Vreugmiddelnederlands lam <1285>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lam (verlamd), van den Germ. wt. Lam = krachteloos zijn. Verwant is loom en belemmeren; het Mnl. lemen bet.: lam maken, van leme = verlamming. Zie Leemte.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lam ‘verlamd’ -> Negerhollands lam ‘verlamd’; Papiaments lam ‘verlamd; lamme, verlamde’; Sranantongo lan ‘verlamd’; Surinaams-Javaans lam ‘verlamd’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

zomerzotheid [dwaze verliefdheid, dwaasheid] (1927). In 1927 verschijnt Een zomerzotheid, geschreven door Cissy van Marxveldt (1889-1948), die bekend is door haar razend populaire meisjesboeken over bakvis Joop ter Heul. Het boek gaat over vijf jonge vrouwen die hun zomervakantie doorbrengen op hetzelfde landgoed als vijf jonge mannen. Verliefdheid en allerlei komische verwikkelingen zijn het gevolg. De titel van het boek (Een zomerzotheid) werd hierdoor een begrip, met als betekenis ‘dwaze verliefdheid, dwaasheid’. Van Marxveldts boeken staan bekend om de vele mode-uitdrukkingen, zoals fuiven, fuifnummer, jolig, lam, leut, mal, moppig, puf, reuze, zalig en zielig.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lam* verlamd 1376-1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut