Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lakmoes - (bepaalde kleurstof uit korstmossen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lakmoes zn. ‘bepaalde kleurstof uit korstmossen’
Mnl. lecmoes ‘lakmoes’ [1252, kopie 1350-1400; MNW osemont], gheverwet ... met lijcmoese ‘geverfd met lakmoes’ [1459; MNW]; vnnl. leeckmoes [1514; MNW], lackmoes [ca. 1620; WNT weedasch].
Samenstelling van mnl. lecken, leken ‘druppelen’, zie → lekken, en → moes ‘brij’, met volksetymologische aanpassing van het eerste lid aan → lak 1 ‘verfstof’. Het is niet zeker of de samenstelling oorspronkelijk is of zelf ook door volksetymologie is ontstaan. Op die tweede mogelijkheid kan Middelengels litemose [1324-25; BDE] wijzen, dat wrsch. is ontleend aan een Scandinavische taal, gezien Oudnoors litmosi, letterlijk ‘verfmos’, samengesteld uit lita ‘verven’ en mosi ‘mos’, zie → mos. Het Nederlandse woord is echter eerder geattesteerd en ook in het Middelengels is de vorm lykemose [1320; BDE], die aan het Nederlands is ontleend, al iets ouder.
Lakmoes is een verzamelnaam voor blauwe en rode kleurstoffen die men bereidde door een brei van bepaalde korstmossen met urine te laten gisten en vervolgens te laten lekken ‘uitdruipen’. Tot en met de 19e eeuw vond de productie ervan vooral in Nederland plaats, waardoor het Nederlandse woord ontleend werd in enkele andere talen, o.a. Duits Lackmus < Lack-Muß [1700; Paul], Zweeds lackmus < lakmus [1568; SAOB], Pools lakmus. Lakmoes is tegenwoordig vooral bekend vanwege de toepassing in de scheikunde als eenvoudige indicator van de zuurgraad; de samenstelling lakmoesproef kreeg ook een algemene betekenis ‘test met onweerlegbaar resultaat’ [1986; Koenen].
Lit.: J. Heinsius (1911), ‘Lakmoes’, in: TNTL 30, 271-273

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lakmoes* [kleurstof] {1774, vgl. le(e)cmoes 1252} van middelnederlands lecken [(onovergankelijk) lekken, (overgankelijk) distilleren, overhalen]; bij de fabricage laat men de mosbrij uitlekken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lakmoes znw. o. heet ± 1500 en nog wvla. lecmoes, leecmoes. Daar lakmoes een ‘blauwe kleurstof, bereid uit verschillende soorten korstmossen’ is, en wel door een pap of moes daaruit te bereiden en die te laten uitdruipen kan men het 1ste lid met de groep van lekken verbinden. Misschien heeft op de vorm lakmoes het woord lak 2 invloed gehad (vgl. J. Heinsius Ts. 30, 1911, 271-273). — Uit mnl. lecmoes of lijcmoes is ne. litmus (sedert 1502) overgenomen; later uit de vorm lakmoes nogeens lacmus (sedert 1794), vgl. Bense 171 en 189.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lakmoes znw. o. Hierin ziet men veelal een samenst. met lak II. De oudere vorm lecmoes, leecmoes “lakmoes” ( ± 1500, nog wvla.) maakt deze toch al niet wsch. verklaring van lakmoes onaannemelijk. Lak II heeft echter in ieder geval invloed op den vorm gehad. Lec-, leec-moes bevat wsch. den stam van lekken resp. van mnl. lēken: lakmoes is mnl. de naam van twee verfstoffen, bij welker bereiding een pap of moes bereid wordt, waaruit men het vocht laat uitdruipen. Uit ʼt Ndl. nhd. lackmus, de. lakmus, eng. litmus.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lakmoes o., waaruit Hgd. lackmus en Eng. litmus, blijkens Mnl. lecmoes, Wvl. lekmoes, saamgest. met den stam van leken en moes (z.d.w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lakmoes ‘soort kleurstof, chemische indicator’ -> Engels litmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’; Engels lacmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’; Duits Lackmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’; Deens lakmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’ ; Noors lakmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’; Zweeds lackmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’; Fins lakmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’ ; Frans dialect lacmeuse, lakmoûse ‘blauwe verfstof, poeder (getrokken uit de zonnebloem)’; Italiaans † lacmo ‘soort kleurstof, chemische indicator’ ; Tsjechisch lakmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’ ; Slowaaks lakmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’ ; Pools lakmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’ (uit Nederlands of Duits); Kroatisch lakmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’ ; Macedonisch lakmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’ ; Servisch lakmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’ ; Sloveens lakmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’ ; Russisch lákmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’; Bulgaars lakmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’; Oekraïens lákmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’ ; Azeri lakmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’ ; Lets lakmuss ‘soort kleurstof, chemische indicator’; Litouws lakmusas ‘soort kleurstof, chemische indicator’ (uit Nederlands of Duits); Hongaars lakmusz ‘soort kleurstof, chemische indicator’ ; Maltees litmu, litmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’ ; Esperanto lakmuso ‘soort kleurstof, chemische indicator’ ; Indonesisch lakmus ‘soort kleurstof, chemische indicator’; Japans † rakkamūsu ‘soort kleurstof, chemische indicator’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lakmoes* kleurstof 1679 [Witgeest, Het Nieuwe Toneel der Konsten, 102]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal