Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lagerbier - (ondergistend bier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lager(bier) zn. ‘ondergistend bier’
Nnl. men brouwt in Beijeren winter- of schenkbier en zomer- of ligbier (Lagerbier) [1872; Winkler Prins], LAGERBIER. per glas 12 ct. [1880; Groene Amsterdammer], lagerbier ‘belegen bier’ [1886; Kramers].
Ontleend aan Duits Lagerbier [1731; Grimm], letterlijk ‘opslagbier’ of ‘belegen bier’, een samenstelling van Lager ‘magazijn, opslag’ en Bier, zie → bier. ‘Opslag’ en ‘kamp’ werden de belangrijkste betekenissen van Vroegnieuwhoogduits Lager, uit Oudhoogduits legar ‘ligplaats’, zie → leger 1.
Oudere benamingen voor ‘belegen bier’ waren legbier en zomerbier [1799; WNT leggen resp. zomer I]. Het ligbier uit de oudste bovengenoemde attestatie is nergens anders aangetroffen en is wrsch. een purisme.
Het waren eerst vooral Beierse bierbrouwers die hun bieren lieten rijpen in ijskoude ruimten, waardoor de gist naar de bodem zakte. Door verbetering van de brouwtechniek in de periode 1830-50 door Beierse, Weense en Tsjechische brouwers werd Lagerbier over heel Europa bekend en werd de bereidingswijze overgenomen. Vooral de heldere Tsjechische variant Pilsner Lager had succes: het gewone Nederlandse woord voor ‘lagerbier’ is dan ook → pils, maar in bijv. het Engels noemt men het lager. Lagerbier is nu een verzamelnaam voor bieren van lage gisting, maar met het bn.laag 2 heeft het woord etymologisch niets te maken. De oorspr. betekenis ‘belegen bier’ is overigens niet meer van toepassing: met de moderne fermentatietechnieken hoeft lagerbier niet meer lang te rijpen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lager2 [bier] {1901-1925} verkorting van hoogduits Lagerbier (vgl. lagerbier).

lagerbier [zomerbier] {1901-1925} < hoogduits Lagerbier [bier dat enige tijd op magazijn is gehouden] (Lager [magazijn]) (vgl. liggen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lagerbier znw. o., eerst nnl. < nhd. lagerbier ‘licht, weinig gegist bier, dat op lager nagist’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lagerbier znw. o. Nnl. uit hd. lagerbier o. “bier das aufs lager gebraut wird” ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

lager s.nw.
Bier van moutgars en hops gebrou, wat lig van kleur is en met 'n lae alkoholinhoud.
Uit Eng. lager (1855).
Eng. lager is 'n verkorting van lager beer.

lagerbier s.nw.
Lager.
Uit Eng. lager beer (1853), met vertaling van die tweede lid deur Afr. bier.
Eng. lager beer uit D. Lagerbier, met D. Lager uit die ww. lagern 'berg'. Die bier word so genoem omdat dit van ses weke tot ses maande geberg word om afsaksels te laat vorm.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lagerbier (Duits Lagerbier)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lagerbier zomerbier 1886 [KKU] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut