Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lade - (schuifbak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lade zn. ‘schuifbak’
Mnl. lade ‘kistje, opbergmeubel’, in van een lade, letteren in te legghen ‘van een opbergkist, om brieven in te leggen’ [1327; MNW]; met d-syncope ook vnnl. la [1539; MNW], vooral en later uitsluitend ‘schuifbak onder een tafel, in een kast enz.’, in de laykens van sijn gantsche kas ‘de laatjes van zijn hele kast’ [1627; WNT].
Mnd. lade; mhd. lade ‘kistje, houten schuur’ (nhd. Lade); me. lathe ‘schuur’ (ne. dial. lathe); on. hlaða (v.) ‘schuur’ (nzw. lada), hlað (o.) ‘korenschuur’, hlaði (m.) ‘stapel’; < pgm. *hlaþ-, de stam van → laden.
Het woord heeft een betekenisvernauwing ondergaan van algemeen ‘bergplaats’ (niet in het Nederlands geattesteerd, maar zie de verwante Germaanse woorden) via ‘opbergkist(je)’ naar ‘opbergkistje in een meubel’. Mogelijk is lade in de huidige betekenis een verkorting van het nog in dialecten voorkomende schuiflade (vnnl. schuiflaede [1609; WNT verstrooien I], ook Duits Schublade).
De nevenvorm met overgangsklank /j/, na d-syncope, bijv. bij Kiliaan laeye naast laede [1599], is in de standaardtaal niet behouden, maar bestaat in Nederland nog substandaardtalig in de samenstelling laaienlichter ‘oplichter’ en is al vroeg in het Frans ontleend: Oudfrans laie ‘kist’ [1357; Rey], later alleen nog het verkleinwoord laiette [voor 1400; Rey], Nieuwfrans slechts in zeer overdrachtelijke betekenis layette ‘babyuitzet’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lade*, la [schuifbak] {lade, laey(e), la [houten voorwerp waarin iets kan worden geborgen] 1327} behoort bij laden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lade, la znw. v., mnl. lāde v. ‘kistje, koffertje, bergplaats (van hout)’, mnd. mhd. lade (nhd. lade) ‘kistje, houten schuur’, me. laþe ‘oprit voor het laden’, on. hlaða v. ‘schuur’, naast hlað n. ‘korenschuur’, hlaði m. ‘stapel’. — Zie: laden. — Nl. laden > ofra. laie, laye (sedert 1537 te Rijsel).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lade, la znw., mnl. lāde v. “kistje, koffertje, (houten) bergplaats”. = mhd. lade (nhd. lade), mnd. lāde v. “id.”, on. hlaða v. “schuur”. Evenals on. hlaði m., hlað o. “bewaarplaats, stapel” van den stam van laden gevormd. Voor een ander gelijkluidend woord zie bij lat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lade v., Mnl. id. + Mhd. id. (Nhd. id.) = kist, Eng. lathe = draaibank, On. hlada = schuur: van laden; dus = toestel om iets op te laden; niet verwant met. Hgd. laden = vensterluik, winkel, dat bij lat behoort.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1laai s.nw.
Houer, oop aan die bokant, wat horisontaal in en uit 'n ruimte in 'n kas, tafel, ens. geskuif kan word om dit oop en toe te maak.
Uit Ndl. lade (al Mnl.) of Ndl. laai, laaj, die gewestelike uitspraak van lade. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

laai I: s.nw., bêreplek/deel v. ’n kas; Ndl. lade/la (Mnl. lade, dial. laeye, mv. laaien/laan), Hd. lade, hou verb. m. Ndl. ww. laden, Afr. laai II; vgl. Kloe HGA 70-2 en kaart bl. 71.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lade, laatje ‘schuifbak’ -> Engels layette ‘babyuitzet’ ; Schots lay ‘gedeelte van een weefgetouw, de balk; draaibank’; Zweeds låda ‘schuifbak, doos, kist, busje’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins laatikko ‘schuifbak’ ; Frans laye, laie ‘onderste gedeelte van de windlade van een orgel; trog behorend bij een (wijn)pers’; Frans layette ‘(verouderd) lade waar men papieren in opbergt; babyuitzet’; Baskisch lai ‘babyuitzet’ ; Indonesisch laci ‘schuifbak; vakje (tas, rugzak)’; Ambons-Maleis lace ‘schuifbak’; Javaans laci ‘schuifbak’; Kupang-Maleis lace ‘schuifbak’; Madoerees laci, laji ‘schuifbak’; Makassaars lâcci, lâci ‘schuifbak’; Menadonees lace ‘schuifbak’; Minangkabaus laci ‘schuifbak’; Muna lati ‘schuifbak’; Sahu laci ‘open betelnotendoos met zilveren handvaten en hoeken’; Soendanees laci ‘schuifbak’; Ternataans-Maleis lace ‘schuifbak’; Creools-Portugees (Ceylon) lacho ‘schuifbak’; Creools-Portugees (Malakka) lachi ‘schuifbak’; Singalees lāccu-va ‘schuiflade’; Tamil dialect lācci ‘schuiflade’; Papiaments lachi (ouder: laadsje) ‘schuifbak’; Sranantongo la ‘schuifbak’; Sarnami láh ‘schuifbak’; Surinaams-Javaans latye ‘schuiflade’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lade* schuifbak 1627 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1314. Aan het laatje zitten,

d.w.z. aan de regeering zijn, aan de (staats)ruif zitten, ‘over de geldmiddelen te beschikken hebben, veelal met de bijgedachte dat men daarvan profiteert’ (Ndl. Wdb. VIII, 899). Zie Harreb. I, 192: Die bij de flesch (of aan de lade) zit, zegent zich zelven (of het eerst); De Amsterdammer, 17 Aug. 1913, p. 1 k. 2: De heer Dr. Kuyper, wien het bekend kan zijn wat het voor een partij beteekent aan het laadje te zitten, somde reeds de voordeelen der versmade portefeuilles op; 20 Juli 1913, p. 1 k. 1: Deze grove spot, niet alleen met de partij, die weigert aan 't laadje te zitten (nog al niet hebberig op baantjes zou men zeggen); Het Volk (Zondagsbl.) 18 Oct. 1913 p. 4 k. 3: In vroegere tijden toen de pasja gapte, en iedereen die bij het laadje zat, gapte; De Arbeid, 8 Nov. 1913, p. 4 k. 1: Het oude spreekwoord blijft toch maar altijd waar: ‘wie aan het laadje zit, spekt zich’; 1 April 1914, p. 4 k. 2: Ik ben er van overtuigd dat de heeren, die aan 't laadje zitten, uit een ander vaatje zouden tappen; Het Volk, 9 April 1914, p. 1 k. 1: Wie weet hoe gauw de heeren weer aan het laadje hopen te zitten. In Zuid-Nederland: aan 't schotelken zitten, een winstgevende bediening hebben (Waasch Idiot. 583; Antw. Idiot. 2023).(Aanv.) Aan 't schotelken zitten herinnert aan 't fr. l'assiette au beurre, de staatsruif.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut