Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ladder - (klimwerktuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ladder zn. ‘klimwerktuig’
Mnl. leedre ‘ladder’ [1240; Bern.], an dezer ladderen ‘op deze ladder’ [ca. 1300; MNW], die derde sprote van derre ledderen ‘de derde sport van deze ladder’ [eind 14e eeuw; MNW sprote], ende sach die engelen op die leer op ende off climmen ‘en zag de engelen de ladder op- en afgaan’ [1488; MNW leer III]; vnnl. ladder (met de aantekening “Fries, Hollands, Zeeuws, Engels”), leeder, leer [1599; Kil.].
Noordzee-Germaanse en oorspronkelijk alleen in Holland en Zeeland geattesteerde variant van een woord waarvan de verwachte Nederlandse vorm leder en met d-syncope leer luidt. Wrsch. is de homonymie met → leer 1 ‘stof van dierenhuiden’ er de oorzaak van dat deze laatstgenoemde vorm niet standaardtalig is geworden (Kieft 1938, 13). Leer komt nog voor in Midden-Nederland en in de zuidelijke dialecten, en verder uitsluitend in de samenstelling trapleer ‘keukentrap, ladder met steunende tweepoot (als een A)’. Ladder vertoont net als Oost- en Noord-Nederlands ledder verdubbeling van de medeklinker voor -(e)r, zoals ook in → akker en → bitter.
Mnd. ledder, ladder; ohd. hleitar, leitara (nhd. Leiter); ofri. hlēdere, hledder, hlērde, hladder (nfri. ljedder, leider, ljerre); oe. hlǣder (ne. ladder); < pgm. *hlaidrō-.
Pgm. *hlaidrō- is een afleiding met ablaut van pie. *ḱlei- ‘steunen’, zie → leunen, waarvan ook Grieks klĩmax ‘ladder’, zie → climax, en Oudlitouws šlitė ‘ladder’ zijn afgeleid.
Lit.: Schönfeld, par. 51, 65a

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ladder* [trap] {lader(e), ladder 1317, naast leder 1285} de vorm met a is fries naast frankisch e; de vorm leder werd met elisie van d tot leer2 als in trapleer; vgl. oudfries hladder-, oudhoogduits hleitara (hoogduits Leiter), oudengels hlæder (engels ladder); buiten het germ. latijn clivus [helling], cliens [cliënt], grieks klinein [doen leunen] (vgl. leunen); de grondbetekenis is ‘leunen’.

leer2* [trap] {1488} samentrekking uit leder, nevenvorm van ladder.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Ladder

De a van het woord ladder had oorspronkelijk de klank ai. In Friese dialecten ging deze ai in a over, in Frankische en Saksische in ee. Dat is de verklaring van het feit dat naast het woord ladder het woord leer voorkomt. Het uithangbord van de Bennebroekse herberg De geleerde man vertoont dan ook een man wiens hoofd tussen de sporten van een ladder beklemd zit. Het woord ladder is verwant met het werkwoord leunen en dit is weer familie van het Griekse klino: ik leg (iets tegen iets anders) aan, ik buig (iets). Vandaar komen we weer terecht bij het Griekse climax dat wij gebruiken voor: klimming, stijging in figuurlijke zin. In het woord ladder zijn dus verenigd de begrippen: scheefstaan, tegen iets aanleunen en ergens tegen opklimmen. En beter kan het begrip ladder eigenlijk niet worden omschreven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ladder znw. v., mnl. ladder(e), lâder(e); dial. nnl. ladder (het Westen van Zeeland tot N.-Holl.), ledder (Overijsel, Drente, Gron.), ljedder (Friesland), leer (Gelderl. Utrecht, Brabant, oostel. deel van N. en Z. Holl. en Z. Nederl.), vgl. Β. van den Berg, Oude tegenstellingen op Nederl. taalgebied 1938, 42-51). De vormen met a zijn dus ‘inguaeonismen’. Uit te gaan van germ. *hlaiðr(i)ō vgl. mnd. ledder, ohd. leitara, ofri. hlēdere, hladder, oe. hlæder, hlædder (ne. ladder). Verder zijn verwant got. hleiþra ‘tent, hut’. — Idg. wt. *klei ‘leunen’, vgl. lat. clitellae ‘pakzadel voor muildieren’, miers clethe ‘dakbalk’, clethar ‘steun’ olit. šlitė ‘ladder’. — Zie verder: leunen.

De dialectische vormen vindt men op de kaart van B. van den Berg, Taalatlas afl. 1, 4.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ladder znw., mnl. ladder(e), lâder(e) v.m. Een vorm met fri. â, verkort ă, uit ai (vgl. aterling), die nog vooral in fri. getinte diall. voorkomt. Daarnaast met frank.-saks. ê < ai ndl. leer, dial. (Maastricht, Kampen, Achterh., Twente) ledder, mnl. lêder(e), ledder(e) v.m. Voor de verkorting van de vocaal en de verlenging van de consonant vgl. etter. = ohd. leitara (nhd. leiter), mnd. ledder, ofri. hlêdere, hlădder- (ʼt laatste alleen in samenst.), ags. hlæ̂der, hlædder (eng. ladder) v. “ladder”, germ. * χlaiðrô-, χlaiðriô-.Met een idg. suffix -dhrâ- of -trâ- van de bij leunen besproken basis ḱli-; vgl. got. hleiþra v. “tent, hut”, ier. clithar “shelter”, lat. clîtellae “pakzadel”, arm. leaṙn (verlengd uit * ḱlei-trâ-) “heuvel”. Voor de bet. vgl. nog gr. klímax, oudlit. szlitė “ladder”, van dezelfde basis.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ladder v., uit Fri. ladre, in plaats van leeder, Mnl. ledere + Ohd. hleitar (Mhd. leiter, Nhd. id.), Ags. hláder (Eng. ladder). Ofri. hladder, van Germ. wrt. hl. + Gr. klîmax = ladder (vergel. klimaat): Idg. wrt. klei̯ (z. leunen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

lèdder (zn.) ladder; Vreugmiddelnederlands leedre <1240>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

leer, leier, zn.: ladder; oogstladder. Vl. lere. Door d-syncope uit Mnl. leider, leedere, Vnnl. leere oft leeder ‘eschelle’ (Lambrecht), leer ‘scala’ (Kiliaan). Afl. van leeden, leiden ‘leiden’, dial. leen. Vgl. D. Leiter.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

leer, zn.: ladder. Ook Vl. lere. Door d-syncope uit Mnl. leider, leedere, Vnnl. leere oft leeder ‘eschelle’ (Lambrecht), leer ‘scala’ (Kiliaan). Afl. van leeden, leiden ‘leiden’, dial. leen. Vgl. D. Leiter. Mv. leren ‘oogstladders’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

leer (B, W), lere (E, G, L, ZO), zn. v.: ladder. Door d-syncope uit Mnl. leider, leedere, Vnnl. leere oft leeder 'eschelle' (Lambrecht), leer 'scala' (Kiliaan). Afl. van leeden, leiden 'leiden', dial. leen. Vgl. D. Leiter.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

ledder, lodder, leer ladder (niet-zeeuwse en niet-hollandse dialecten). Heterofonen van ladder (= hgd. leiter, eng. ladder).
TNZN krt. 4.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3leer s.nw.
1. Klimtoestel bestaande uit twee ewewydige balke wat deur 'n reeks sporte verbind word. 2. Spoor van 'n steek wat uitgeval het in 'n kous. 3. Volgorde op grond van bv. rang, stand, sukses of gewildheid.
In bet. 1 uit Ndl. leer (al Mnl.), 'n sametrekking van leeder (Mnl. leder), 'n wisselvorm van ladder (Mnl. ladere, laddere). Bet. 2 is 'n leenbetekenis van Eng. ladder (1838) of Ndl. ladder. Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel of is 'n leenbetekenis van Ndl. ladder (1671). Die volgorde op grond van o.a. gewildheid word so genoem omdat dit 'n trapsgewyse proses van vordering veronderstel wat herinner aan 'n leer wat sport vir sport bestyg kan word. Eerste optekening in Afr. in bet. 1 by Mansvelt (1884).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

lere, zn. v., scherpl. e: ladder. Door d-syncope uit Mnl. leider, leedere, Vroegnnl. 1562 leere oft leeder ‘eschelle’ (Lambrecht), leer ‘scala’ (Kiliaan). Afl. van leeden, leiden ‘leiden’, Wvl. leen. Vgl. D. Leiter.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

lad’der (de, -s), (ook:) losse, verplaatsbare trap. - Zie ook: trap* (l. 1), ladderwagen*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

leer II: – ladder (nog in toonladder, “toonskaal”, teenoor toonleer, “tonologie”) – ; Ndl. ladder/leer (e.g. blb. Fri. vorm en lg. blb. Frk.-S. vorm, v. dVri. J NEW s.v. ladder), Eng. ladder, Hd. leiter, wsk. verb. hoërop m. Gr. klimax, “leer, trap”; vgl. Kloe HGA 158 en kaart op 159.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ladder, leer, verwant met leunen, van den Germ. wt. hli, Voorgerm. kli = een schuinen stand hebben, hellen; vgl. ’t Gr. kli-max = ladder.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

ladder (na iemand de ladder optrekken). - Een bekend Fransch spreekwoord luidt aldus: Après lui il faut tirer l’échelle, d.i. “son travail étant achevé, il est inutile qu’un autre monte à l’échelle” en vandaar: “on doit renoncer à faire mieux que lui” (HATZFELD-DARMESTETTER 1, 819b). Dit Fransch spreekwoord nu wordt zeer vaak letterlijk vertaald en voor een Nederlandsch spreekwoord uitgegeven. Doch ten onrechte. Er staat niet veel anders op dan eene omschrijving te gebruiken, b.v. niemand kan ’t hem verbeteren. Wel bestaat er in Vlaanderen een spreekwoord, dat met het Fransche eenige overeenkomst heeft, maar alleen wat den vorm betreft, t.w. achter ons trekken ze de leere (d.i. de ladder) op, dat gebruikt wordt bij wijze van schertsende aanmoediging om niet al te zuinig te zijn, ongeveer fr. après nous le déluge, maar zonder de cynische bijgedachte die aan dit spreekwoord eigen is. || Na Schellinck mag men, zoo men zegt, de ladder optrekken: het laatste woord is gezegd, VUYLSTEKE, Prozaschr. 4, 138.
– Het is duidelijk, dat dan ook een zinnetje als het onderstaande fout is. || “Laat hem betijen, en vergeet toch het spreekwoord niet: “Het zijn niet allen koks die lange messen dragen!”” Dit hoorende, werd de ladder onverwijld opgetrokken door J. M. BRANS, BRANS in Ned. Dicht- en Kunsth. 17, 50 (einde van een artikel).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ladder* trap 1317 [MNW]

leer* trap 1488 [MNW]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

ladder van Lansink (epon., naar de CDA’er Ad Lansink), milieubeleid waarbij afval verwijderd wordt in verschillende stappen (zie tweede citaat). Sinds 1979.

Afvalpoliticus bij uitstek, CDA-Kamerlid Ad Lansink, streed al in 1979 voor preventie. In dat jaar werd hij beroemd doordat een motie van zijn hand de allitererende koosnaam ‘Ladder van Lansink’ kreeg. Hij had verzonnen dat een afvalstoffenbeleid alleen zin had als de minst milieubelastende methode de hoogste prioriteit kreeg. Voorop stond aldus de preventie, vervolgens het gescheiden inzamelen van afval, op nummer drie plaatste hij de afvalverbranding en als allerlaatste mogelijkheid restte dan het storten van afval. (HP/De Tijd, 14/01/94)
‘Wat is politiek gezien uw grootste verdienste?’
‘Alles in de sfeer van milieubeleid. Op dat terrein kwam mijn studie fysische chemie erg van pas, zoals laatst weer in een discussie met mevrouw De Boer over asbestverwijdering. Collega-Kamerleden beginnen dan over de ‘ladder van Lansink’. Die stamt uit 1979. Ik diende een motie in over afvalverwerking. De eerste trap was: afval vermijden. Tweede trap: afval hergebruiken. Derde trap: afval recyclen. Vierde trap: dan pas afval verbranden.’ (Nieuwe Revu, 26/03/97) (interview met Ad Lansink)
Met Melkert-banen de ladder van Lansink op om kwartjes van Kok te verdienen. (Ad Lansink in ‘Wat een taal’, oktober 1997)
Pas na jaren milieuactivisme en megatonnen vuil drong dat besef ten volle door. Vlaanderen wil voortaan hoger klimmen op de ladder van Lansink. Dat is een soort hiërarchie van de afvalverwerking: de laagste sporten ervan zijn storten en verbranden (al of niet met energierendement). Hoger scoren recyclage van materialen naar laag- of hoogwaardige toepassingen. (De Morgen, 25/07/98)
Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑lei- ‘neigen, lehnen’; vielfach von angelehnten Stangen (daher Zelte mit Stangengerippe; Sattelstangen), Leitern, leiter- oder gitterartigen Holzkonstruktionen, andrerseits von Berglehnen, Hügeln u. dgl., k̑lei-tu-s f. ‘Abhang’, k̑lei-trā ‘Stangengerippe’, k̑lei̯o-s, k̑li-tó-s ,angelehnt’, k̑li-ti-s ‘Neigung’, k̑lei-u̯o-s, k̑loi-u̯o-s ‘Hügel’, k̑loi-no-s ‘schräg’.

Ai. śráyati ‘lehnt, legt an’, śráyatē ‘lehnt sich an, befindet sich’, śritá- = av. srita- (: sray-) ‘gelehnt’;
av. sray-, srinav-, srinu- ‘lehnen’ (vgl. gr. κλινι̯ω);
arm. leaṙn, Gen. leṙin ‘Berg’ (*k̑leitr̥no-??);
unsicher arm. linim ‘werde, entstehe, geschehe, bin’ (vgl. ai. śráyate ‘befindet sich’);
gr. κλί̄νω, lesb. κλίννω (*κλῐνι̯ω) ‘neige, lehne an’ (Fut. κλῐνῶ, Perf. κέκλιμαι), κλιτός ‘gelegen’, κλίσις ‘Neigung’, κλισία f. ‘Hütte, Zelt’, δικλίδες ‘zweiflügelige Tür’, κλί̄νη ‘Bett’, κλιντήρ, κλισμός ‘Ruhebett’, κλῑτύ̄ς (lies κλειτύ̄ς, Herodian.) f. ‘Abhang, Hügel’ (hellen. κλῖτος, κλίτος ‘Hügel’), κλίμα n. ‘Neigung, Gegend, Weltgegend’, κλῖμαξ f. ‘Leiter’;
lat. clīnō, -āre ‘biegen, beugen, neigen’ (erst zu den Kompositis neugebildet und thematische Umbildung eines *klī̆-nā-mi), acclīnis ‘angelehnt’, triclīnium ‘Speisesofa’, cliēns, -tis ‘der sich Schutzes halber an jemanden Anlehnende, Höriger, Klient’, clēmens ‘milde, sanft’ (*k̑léi̯omenos?); clītellae ‘Saumsattel, Packsattel für Esel und Maultiere’ (von den gegeneinander gelehnten Sattelstangen), Deminutiv eines *k̑leitrā = umbr. kletram ‘feretrum, lecticam’ (und got. hleiþra f. ‘Zelt’); clīvus ‘Hügel’ (= got. hlaiw n. ‘Grab’), clīvius ‘schief = unglücklich, von Vorzeichen’;
mir. clē, cymr. cledd, bret. kleiz, corn. cledh ‘link, unglücklich’ = ‘schief’ (*k̑lei̯os), mir. fo-chla, cymr. go-gledd ‘Nord’; mir. clen ‘Neigung’, Wunsch’ (: cymr. dichlyn ‘wachsam’ aus *dī-eks-klin-, Loth RC 42, 87 f.);
air. clōin, clōen ‘schief, krummrückig’; gallorom. *clēta ‘Hürde’, mir. clīath ‘crates’, cymr. clwyd ‘Hürde, Barriere’, acorn. cluit gl. ‘clita’, bret. kloued-enn ‘Hag’ (k̑leito-, -tā); dazu acymr. clutam ‘haufe auf’, clut, ncymr. clud ‘Haufe’ (*k̑loi-tā); mir. clēthe n. ‘Dachbalken, Dach’, schwundstuf. cymr. cledr-en ‘Sparren, Latte, Zaun’ (*k̑li-trā = mir. clethar ‘Stütze’), mbret. clezr-en, nbret. klerenn ‘pièce principale de la claie’ (ablaut. mit umbr. kletram, lat. clītellae, got. hleiþra und ahd. leitara);
ahd. (h)linēn ‘lehnen (intr.)’, asächs. hlinōn, ags. hlinian, hleonian (*hlinēn) ds.; ahd. hlina ‘reclinatorium’, ags. hlinbedd, hlinung ‘Lager’, ahd. hlinā ‘cancelli’; Kaus. ahd. (h)leinen, ags. hlǣnan ‘lehnen (tr.)’; got. hlainē Gen. Pl. ‘der Hügel’, nisl. hleinn ‘Felsvorsprung’, norw. dial. lein f. ‘Halde, Abhang’ (: lett. slains); got. hlaiw ‘Grab’, urnord. hlaiwa ds., ahd. as. hlēo ‘Grabhügel, Grab’, ags. hlāw ‘Grabhügel, Grabstein’(= lat. clīvus); got. hlija m. ‘Zelt, Hütte’; ahd. (h)līta, nhd. Leite ‘Bergabhang’, aisl. hlið f. ‘Abhang, Berghalde’ (vgl. gr. κλειτύς, lit. šlaĩtas); aisl. hlið f. ‘Seite’, ags. hlīð n. ‘Halde, Hügel’ (: κλίτος, lit. šlìtė); got. hleiþra ‘Hütte, Zelt’ (s. oben zu lat. clītellae usw.); ahd. (h)leitara ‘Leiter’, ags. hlæd(d)er ds.; ags. -hlīdan ‘bedecken’, hlid n. ‘Deckel, Tür’, ahd. lit ‘Deckel’ (nhd. Augenlid), aisl. hlið ‘Tür, Gattertür’, got. hleiduma ‘linker’; d-Präsens vielleicht in aisl. *hlīta (*k̑lei-d-) ‘vertrauen auf, sichzufriedengeben mit’;
lit. šliejù, šliẽti (älter žem. šlejù = ai. śráyati =) lett. sleju, slìet ‘anlehnen’, dazu lit. šlýti ‘zur Seite sinken’, su-šlìjęs ‘sich neigend’, Kausat. nu-šlajìnti ‘umkippen’; Nomina: lett. slejs m., sleja f. ‘Strich’; apr. slayan n. ‘Schlittenkufe’, Nom. Pl. slayo ‘Schlitten’, lit. šlãjos f. Pl. ds.; at-šlainis m. ‘Erker’, lett. slains ‘wo man einsinkt’, lit. šlaĩtas m. ‘Abhang’, šlýna f. ‘Lehm’, at-šlaĩmas m. ‘Vorhof’; lett. slita f. ‘Zaun’, lit. žem. pã-šlitas ‘schief’ (= ai. śritá-, gr. κλιτός); lit. šlìtė, šlitìs f. ‘Garbenhocke’ (: gr. κλίσις), alit.šlitė ‘Leiter’; lit. šleivas ‘krummbeinig’ (vgl. lat. clīvus ‘Abhang’), ablaut. šlivìs m. ‘krummbeinige Person’; zu den Reimwörtern lit. kleĩvas, klývas ‘krummbeinig’ s. unter (s)kel- ‘biegen’; anders Specht Idg. Dekl. 130, 3171;
slav. *slojь ‘Schicht’ (*k̑loi̯o-s) in sloven. slòj ‘Schicht, Lager’, russ. čech. sloj ds.; vgl. formell oben apr. slayan n. ‘Schlittenkufe’.
Über die höchst zweifelhafte Zugehörigkeit von abg. usw. klětь ‘Gemach, Zelle’ (lit. klė́tis ‘Vorratshäuschen, Schlafgemach für Mädchen’ ist slav. Lw.) unter Annahme von westidg. Gutt. s. Berneker 517 f.

WP. I 490 ff., WH. I 231 f., 233, 234 f., 236, Wissmann Nom. postverb. 144 f., Trautmann 308 f., Loth RC 42, 87 f., Vendryes RC 46, 261 ff.Erweiterung von k̑el-2 ‘neigen’; s. auch unter (s)kel- ‘biegen’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal