Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lachen - (vrolijkheid uiten)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Het eerste glimlachje

Het verschil tussen lachen en glimlachen wordt in de ons omringende talen op verschillende manieren tot uitdrukking gebracht. In het Frans wordt door middel van de werkwoorden rire (‘lachen’) en sourire (‘glimlachen’) onderscheid gemaakt tussen de lach en de ‘sublach’. Deze werkwoorden gaan terug op het Latijn, dat met ridere en subridere dezelfde nuancering kent. In het Duits daarentegen wordt gewerkt met het verkleinwoord: van lachen is het werkwoord lächeln afgeleid, ‘klein lachen’. Het Engels doet het weer anders: deze taal kent twee verschillende werkwoorden, to laugh en to smile, die etymologisch gezien niets met elkaar te maken hebben.
Het Nederlands heeft in dit opzicht een opmerkelijke ontwikkeling doorgemaakt. Het Middelnederlands kende al het werkwoord lachen, dat afhankelijk van de context diverse nuances kon vertolken. Lachen kon bijvoorbeeld ook ‘vriendelijk glimlachen betekenen. Het woord glimlachen was in het Middelnederlands onbekend, wel bestonden er in de Middeleeuwen diverse andere werkwoorden die allerlei manieren van lachen aanduidden, bijvoorbeeld gabben (‘spottend lachen’), gilen (‘gekscheren’), grinen (‘grijnzen’), greneken (‘grinniken’), schateren en schuddebollen.

Onderlachen
Ook door toegevoegde bepalingen als lachen in de vuyst en heymelic lachen konden nadere nuances worden aangebracht. Maar toch was er behoefte aan een verdere verbale schakering. Dat blijkt uit de Middelnederlandse vertaling van Boethius’ Vertroosting van de wijsbegeerte, die in 1485 in Gent verscheen. In dit filosofische werk voert de ik-figuur, die in een levenscrisis verkeert, een lang en troostrijk gesprek met de wijsbegeerte, die allegorisch wordt voorgesteld als een vrouw. Op een gegeven moment spreekt de wijsbegeerte Boethius op een bepaalde manier toe, namelijk “paulisper arridens”, letterlijk vertaald: ‘een beetje toelachend’. In het Middelnederlands staat: “een lettelkin [= een beetje] onderlachende”. Zeer waarschijnlijk is onderlachen een leenvertaling van het Latijnse subridere. Deze experimentele nieuwvorming met de betekenis ‘glimlachen’ was geen succes beschoren, want het woord is verder nergens geboekstaafd.

Smuilen
In 1599 noemt Kiliaan in zijn Etymologicon, het allereerste woordenboek van het Nederlands, het werkwoord smuilen. Ter omschrijving van de betekenis vermeldt Kiliaan het Latijnse werkwoord subridere en het Engelse werkwoord to smile. Smuilen en to smile zijn in etymologisch opzicht met elkaar verwant, maar smuilen komt in het Nederlands buiten enkele woordenboeken nauwelijks voor en is in elk geval na de zeventiende eeuw in onbruik geraakt. Het vooral op internet veelgebruikte woord smiley is een latere, twintigste-eeuwse ontlening aan het Engels.
Het werkwoord meesmuilen (‘spottend lachen’) is trouwens niet verwant met smuilen, want het is een samenstelling van het werkwoord mezen (‘grijnzen’) en het zelfstandig naamwoord muil (‘bek’). Meesmuilen heeft niets te maken met smuilen, maar is op dezelfde manier gevormd als klapwieken, knipogen, stampvoeten en knarsetanden.

Grimlach
De eerste glimlach van het Nederlands, dat wil zeggen de tot dusver oudst bekende vindplaats van dat woord in onze taal, stamt uit 1691. In dat jaar omschreef William Sewel in A New Dictionary English and Dutch het Engelse woord smile als ‘een glimlachje’. Het woord glimlach is een klankvariant van het iets oudere grimlach, dat op zijn beurt een samenstelling is met het werkwoord grimmen in de betekenis ‘het gelaat vertrekken’. Oorspronkelijk was grimlach een neutraal woord, maar gaandeweg vernauwde de betekenis zich tot ‘een gezicht trekken, spottend grijnslachen’. Als vriendelijk alternatief zonder negatieve lading kwam glimlach op, dat werd opgevat als een samenstelling van glimmen (‘stralen’) en lachen. Als klankvariant was ook glimplach in omloop.
Aldus werd het Nederlands rond 1700 verrijkt met drie nieuwe woorden die subtiele schakeringen van lachen tot uitdrukking konden brengen: grimlach, glimlach en glimplach. De betekenissen ontwikkelden zich in de loop der tijd verder uiteen. In 1890 wordt in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) het volgende onderscheid gemaakt: “een glimlach is liefelijk, hij verspreidt een glans over het gelaat, maar ook ironie, spot enz. worden er door uitgedrukt; een glimplach is geveinsd, een grimlach kwaadaardig of verraderlijk.” De glimplach en de grimlach zijn inmiddels in onbruik geraakt, maar de glimlach straalt in onze taal na ruim twee eeuwen onverminderd voort.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2014), ‘Het eerste glimlachje’, in: Onze Taal 10, 284]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lachen ww. ‘vrolijkheid uiten’
Mnl. duo lachede ... aiol ‘toen lachte Aiol’ [1220-40; CG II], laggen ‘lachen’ [1240; Bern.], dat kint loech vp hare ‘het kind lachte haar toe’ [1285; CG II].
Etymologie onduidelijk; wellicht een klanknabootsend woord.
Os. hlahhian (mnd. lachen); ohd. hlahhan, lahhēn (nhd. lachen); ofri. hlakkia (nfri. laitsje); oe. hlæhhan (ne. laugh); on. hlæja (nzw. le ‘glimlachen’); got. hlahjan; < pgm. *hlahjan-. In het West-Germaans trad voor gegemineerd -hh- geen umlaut op.
Buiten het Germaans zijn er geen directe verwanten met een vergelijkbare betekenis. Als men uitgaat van een algemenere betekenis ‘een geluid maken’ zijn misschien verwant: Grieks klṓssein ‘klokken’; Litouws kliugė́ti ‘id.’; Oudkerkslavisch klokotati ‘id.’ (Russisch klokotát'); een sluitende Indo-Europese reconstructie is hierbij echter niet te geven.
Lachen was oorspr. een sterk werkwoord, de verleden tijd was loech/loeghen; het verl.deelw. heeft de sterke vorm gelachen behouden. Ook in sommige andere Germaanse talen is dit werkwoord zwak of gedeeltelijk zwak geworden.
lach zn. ‘het lachen, lachbui’. Mnl. die knape gaf enen lach ‘de jongeman liet een lach horen’ [1340-60; MNW-R]. Afleiding van lachen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lachen* [met het gezicht vrolijkheid uitdrukken] {1220-1240} oudsaksisch hlahhian, oudhoogduits hlahhēn, oudengels hliehhan (engels to laugh), oudnoors hlæja, gotisch hlahjan; buiten het germ. latijn clangere [schreeuwen, krijsen], grieks klazein [idem], litouws klagėti, oudkerkslavisch klokotati [kakelen], klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lachen ww., mnl. lachen (meestal sterk ww.), os. hlahhian, ohd. hlahhen, lahhen, oe. hlīehhan (ne. laugh), on. hlœja, got. hlahjan. Daarnaast staat owfri. hlackia, fri. laeitsje. — In het idg. staan naast elkaar *klōk: *klak en *klōg, *klag. Voor de 1ste wt. zie gr. klōssō ‘klokken’, miers cloc ‘klok’, osl. klokoštą, klokotati ‘klokken’, voor de 2de vgl. on. hlakka ‘krijsen (van de arend)’, oe. hlacerian ‘bespotten’, lat. clango ‘geluid geven, schreeuwen’, gr. klázō ‘weerklinken, geluid maken’, lit. klagė́ti, lett. kladzêt ‘snateren’ (IEW 599-600). — De grondbet. van ‘lachen’ is dus ‘een geluid maken’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lachen ww., mnl. lachen (gew. nog sterk). = ohd. (h)lahhan (lahhên; nhd. lachen), os. hlahhian, ags. hliehhan (eng. to laugh), on. hlæ̂ja, got. hlahjan “lachen”. Een opvallende vorm is owfri. hlackia (germ. kk uit idg. qn? fri. la(e)itsje) “lachen”. Van een wsch. onomatopoëtische basis, waarvan ook ier. clu(i)che “spel, scherts”, gr. klṓssō “ik klok” (formeel = got. uf-hlohjan “doen lachen”), misschien ook russ. klekotát’ “schreeuwen (van roofvogels)”. Hiernaast een basis met -g-, -ŋg-, waarvan ier. rochichlaig “hij weeklaagde”, lat. clango “ik schreeuw, geef geluid”, gr. klázō (*klángiō) “ik maak geluid”, ksl. klegota “geschreeuw”, lit. klegėti “luid lachen”, klagėti “snateren”, misschien ook on. hlakka “schreeuwen, zijn vreugde uiten”, dat echter ook = owfri. hlackia kan wezen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lachen. Owfri. hlackia wordt het best met on. hlakka op één lijn geplaatst. Beide zijn wsch. intensiefformaties, die zowel van een idg. basis op -g als een op -k kunnen zijn uitgegaan. Vgl. drop I Suppl. — Met idg. -g is hierbij ook wel gebracht ags. hlacerung v. ‘spot’. Ier. clu(i)che ‘spel, scherts’, rochichlaig ‘hij weeklaagde’ worden wel van deze woordgroep gescheiden: zie WP. I, 496.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lachen ono.w., Mnl. id., Os. hlahhian + Ohd. hlahhên (Mhd. lachen, Nhd. id.). Ags. hliehhan (Eng. to laugh) On. hlæj̯a (Zw. le, De. le). Go. hlahjan: Germ. wrt. hlah Gr. klōzein = kakelen, Oier. cluche = spel: Idg. wrt. klok; daarnevens met ɡ Gr. klázein. Lat. clango = geluid maken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

lache (ww.) lachen; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) laggen, Vreugmiddelnederlands lachen <1220-1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

lachen (lachte, heeft gelachen), (ook:) gapen, doordat aan de voorzijde de zool loslaat (gezegd van een schoen). - Etym.: De schoen lijkt zo een lachende mond.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sardonisch gelach (vert. van Grieks sardanios gelōs)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lachen ‘met het gezicht vrolijkheid uitdrukken’ -> Petjoh lahen ‘met het gezicht vrolijkheid uitdrukken’; Javindo lach, lag, lah ‘met het gezicht vrolijkheid uitdrukken’; Negerhollands lach, lak ‘met het gezicht vrolijkheid uitdrukken’; Berbice-Nederlands laki ‘met het gezicht vrolijkheid uitdrukken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lachen* met het gezicht vrolijkheid uitdrukken 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1316. Wie het laatst lacht, lacht het best.

Zie Tuinman I, 307: ‘Die na lachen, lachen zo wel als die voor lachen. Het voor lachen is dikwyls ontydig en ongegrond, om dat 'er wel een hinkende bode achter aan komt, waar door het lachen schreyen word. Maar die na lachen, verheugen zich over de goede uitkomst der zaak tot hun geluk, en belachen die belachers. Dit lachen is best’. Dezelfde zegsw. vindt men bij Campen, 64: sy lacchen oeck al, die nae lacchen. Vgl. verder Stallaert, II, 129: soe wel lacht hij die nae-lacht als die voere lacht (1534); De Brune, 476: 't is beter naer, als voor ghelacht; Bank. II, 337: Hy lacht genoegh die lest lacht; Harreb. III, 42: die het laatst lacht, lacht het best; Joos, 159: die nalachen, lachen zoowel als die voorlachen en die lest lacht, best lacht; Waasch Idiot. 395: die lest lacht, best lacht; Teirl. II, 208; Afrik. wat die laaste lag, lag die lekkerste. Vgl. ook het fr. rira bien qui rira le dernier; hd. wer zulest lacht, lacht am besten; eng. he who laughs last, laughs best; better the last smile, than the first laughter. Voor het Nederduitsch zie Taalgids IV, 263; V, 185; Eckart, 303 en verder Wander II, 1746.

1317. Lachen als een boer, die kiespijn heeft,

d.w.z. gedwongen lachen, hetzelfde als hy lacht als of hy tandt-pijn hadde (Sart. III, 5, 79); in Byenc. bl. 108: Ende si lachen als of sy den tantsweer haddenAangehaald door Oudemans VII, 12.. Vgl. Tuinman I, 306: hy lacht als een boer, die de tandpyn heeft of als een paard dat bijten wil (zuur kijken); Harreb. I, 71; Het Volk, 18 Maart 1914, p. 5 k. 1: Maar hun lachen geleek toch wel veel op dat van boeren die kiespijn hebben; 22 April 1914, p. 1 k. 4: Wel tracht hij te lachen, maar hij doet het letterlijk als een boer, die kiespijn heeft; Nkr. VI, 28 Sept. p. 4: Zij lachen als van ouds de boer met pijn van slechte kiezen; 21 Dec. p. 6: Heemskerk zit met schaterlachjes als een boer die kiespijn heeft; Nkr. VIII, 17 Oct. p. 2: Zoo zij lachte, het was als de bekende door kiespijn geteisterde boer; VIII, 12 Dec. p. 4: Soms lachten ze, al leek het wat op boerenkiespijn mimiek; Menschenw. 497: De heeren lachten kiespijnzurig; syn. Lachen als een bok, die palm vreet (zie Nest, 103). Voor Zuid-Nederland vergelijk Schuermans, 322 b: lachen gelijk een hond die slaag krijgt; Rutten, 128: lachen gelijk die van Tienen grijzen; Antw. Idiot. 740: lachen gelijk 'nen boer, die tandpijn heeft, zuur zien; 1489: zingen gelijk 'nen boer die tandpijn heeft, weenen; Joos, 22: lachen gelijk een schaap dat koolblaren eet; nd. lachen wie ennen Bûr, den et Hûs afbrannt oder as de Bûr, wenn he mit 'n Messforken kiddelt ward (Eckart, 305); er lacht wie ein Töpfer der umgeschmissen hat (Wander V, 1533).

2284. Tranen met tuiten huilen (schreien of lachen),

d.w.z. groote, dikke tranen schreien (mnl. vloetoogen) of lachen; vooral van kinderen gezegd, die om eene kleinigheid zich zeer aanstellen. Tranen met tuiten zijn eig. groote, dikke tranen, die boven in een tuit, een punt, uitloopen (vgl. De Bo, 1195). Syn. tranen als oliekoeken (in B.B. 149; 453); fri. triennen as balstiennen (klinkers); Maastricht: snotsellelaank kriete. In de 17de eeuw komt de uitdrukking voor bij Brederoo I, 373, vs. 2134: Maar holla, ik moet ierst gaan huylen tranen met tuyten; Smetius, 132; Paffenr. 198: Hy krijt tranen met tuyte. Zie verder Tuinman I, 13: Traanen met tuiten schreyen, dit zegt men jokswijze van huilbalken, die een groot gebaar van ongemeende droefheid maken; Halma, 654: Traanen met tuiten schreijen, pleurer à chaudes larmes; Harreb. II, 342 b; Nkr. VII, 29 Maart p. 5; VIII, 15 Febr. p. 2. Hiernaast tranen met tuiten lachen o.a. in Nw. School IV, 115: Die andere baas was toch zoo'n leuke piemelEig. penis, mannelijke roede?; vgl. pik, in lekkere pik., ze lachten tranen met tuiten als hij aan 't vertellen was.

2489. In zijn vuist(je) lachen,

d.i. heimelijk lachen, zich in stilte verheugen, veelal over het ongeluk van anderen; lat. ridere in stomacho; mnl. lachen onder sinen caproen; eig. achter de voor den mond gehouden half toegeknepen hand lachen; ook: iets in zijn vuist belachenVan der Goes, Ystroom (ed. Witsen Geysb.), blz. 14.; hd. sich ins Fäustchen lachen; dial. griffllachen, in dem Griff der Hand lachen. De uitdrukking komt voor bij Servilius, 267*, die in sinu gaudere verklaart door hy lacht in syn vuyste; ook Kiliaen vermeldt lachen in de vuyst, in sinu gaudere; zie verder Spieghel, 278: Lacht in u vuyst; Sart. I, 3, 60: In sijn vuyst lachen, est tacitam apud se voluptatem sentire, neque foras proferre gaudii notas; Idinau, 241:

 De sulcke lachen in hun vuyst,
 Die stillekens haer in t' herte ver-blijden,
 Meest, alst met een ander niet en gaet so iuyst,
 Veur wien sy hen van lachen ver-mijden.

Vondel, Maria Stuart, 1163; Jos. in Dothan, 199; Lichte Wigger, 12 r; Hooft, Ned. Hist. 36; Brederoo, Moortje, 3049; Westerbaen, Ged. II, 28; Pers, 188 b; Ansloo, 25; Middelb. Avant. 174; Antonides I, 87: Veel watergoôn uit heimelyke nyt grimlachen in hun vuist; Rotgans, Boerekermis (anno 1790), bl. 10: Zij grinnikt in haar vuist en meesmuilt onder 't hooren; Van Effen, Spect. IX, 7; X, 66; Langendijk II, 401; Tuinman I, 306; W. Leevend IV, 317; Adagia, 41; Harreb. II, 425 a; Ndl. Wdb. VIII, 886; afrik. in sy vuis lag; Waasch Idiot. 726: in zijn vuist lachen, bedektelijk. Syn. was bij Hooft, Ned. Hist. 154: in zijn boezem lachen (vert. van lat. in sinu gaudere); vgl. ook in zijn poot lachen (o.a. W.D. Hooft, Stijve Piet, 6 r); in zijn baard lachen (vgl. fr. rire dans sa barbe; Ndl. Wdb. II1, 827; Nkr. IX, 1 Mei p. 2; 31 Juli p. 2); in zijn mouw lachen (Volkskunde XIV, 147); vgl. het eng. to laugh in one's sleeve; oostfri. in sîn fûst lachen.

2597. Witjes lachen,

d.w.z. stilletjes, vriendelijk, blijde lachen als gevolg van heimelijke blijdschap of tevredenheid; ook wel: zuinig lachen (als een boer die kiespijn heeft). Het bijw. witjes is gevormd van het bijv. naamw. wit in den zin van vroolijk (vlg. gr. λευκος, dat wit en vroolijk beteekentLeuv. Bijdr. X, 76-77., waarnaast in de 17de eeuw ook bestond een znw. wit, in den zin van vreugde, vroolijkheid (vgi. Sart. III, 10, 92: Queruli in amicitia, Die gheen wit sien mogen; Vondel, Uitvaert van mijn Dochterken, vs. 1: De felle dood, die nu geen wit magh sien). Ook bij Campen, 122 staat opgeteekend: hy lacchet soe wit, wat mach hy gevonden hebben; Langendijk, Krelis Louwen, vs. 349: Met lachte je zoo wit, en raer, dat ik al docht de koop is klaer; Tuinman I, 198: Van een blijden en vriendelijken zegt men: Hy lacht zo witjes; E. Wolff-Bekker, Walcheren: Hij heft de lans, hij mikt, wat ziet zijn vryster bang of 't Krijn mislukte, housée! die prijs is al gewonnen. Nu lacht zijn lieve zoetje eerst wit; Harreb. III, 42; Ndl. Wdb. VIII, 885; Het Volk, 28 Januari 1914 p. 2 k. 2: Een huivering liep door de gelederen der rechterzijde en de liberalen lachten witjes; Handelsblad, 25 Januari 1915 (avondbl.) p. 7 k. 6: De Postdirecteur lachte witjes, toen ik verzekerde dat de Russische post veel beter is dan de Nederlandsche; Nkr. IX, 13 Maart p. 6; O.K. 180: Ze lachte zoo witjes, toen ik zoo'n goeie getuigenis van u aflei; Leersch. 12: Naar haar moeder telkens omziend als om haar sterking te vragen in het haar vertrouwd-bekende zwijgen en witjes naar de tafel kijken; Boefje, 207: Dat had je dáár (in de gevangenis) ook alle dage niet! grappigde vader weer, en toen Jan alleen maar witjes lachte, durfde de zwager wel te vragen: En anders nogal goed van ete en drinke?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal