Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

laboratorium - (werkplaats voor natuurwetenschappelijk werk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

laboratorium zn. ‘werkplaats voor natuurwetenschappelijk werk’
Vnnl. in de titel van een medicijnenencyclopedie: Het philosoophische laboratorium, of der chymisten stook-huis ... ‘het natuurwetenschappelijke laboratorium, ...’ (vertaling uit het Frans door S. Blankaart) [1683; Picarta]; nnl. laboratorium der vuurwerkers ‘werkplaats van de munitiemakers’ [1711; WNT vuurwerker]; in het NN verkort tot lab [1914; Van Dale], in het BN onder Franse invloed tot labo [1970; De Clerck 1981].
Ontleend aan Duits Laboratorium ‘id.’ [1537-38; Weimann 1963, 396], een door de Zwitserse arts en alchemist Paracelsus in deze betekenis geïntroduceerde ontlening aan middeleeuws Latijn laboratorium ‘werkplaats’, afleiding van klassiek Latijn labōrāre ‘werken’, afleiding van labor ‘moeite, inspanning; arbeid’, zie → labeur.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

laboratorium [werkvertrek voor technisch onderzoek] {1711} < middeleeuws latijn laboratorium [werkplaats], van laborare (verl. deelw. laboratum) (vgl. laboreren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

laboratorium s.nw.
Werkplek waar wetenskaplike navorsing gedoen word.
Uit Ndl. laboratorium (1711).
Ndl. laboratorium uit Middellatyn laboratorium 'werkplek', met lg. van laborare 'jou inspan, siek wees', 'n afleiding van labor 'moeite, inspanning, ellende, pyn, siekte'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

laboratorium (modern Latijn laboratorium)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Laboratorium (. laborátus = part. perf. v. laboráre = arbeiden, werken, + -órium = achtervoegsel dat de plaats aangeeft).

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Laboratorium (Lat. laborare = werken; letterlijk: werkplaats). Men verstaat er vooral onder de inrichting aan een hoogeschool enz., waarin de studenten proeven kunnen nemen op het gebied van scheikunde, natuurkunde, artsenijkunde, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

laboratorium ‘werkvertrek voor technisch onderzoek’ -> Indonesisch laboratorium ‘werkvertrek voor technisch onderzoek’; Boeginees laboratôriung ‘werkvertrek voor technisch onderzoek’; Menadonees laboratorium ‘werkvertrek voor technisch onderzoek’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

laboratorium werkvertrek voor technisch onderzoek 1711 [WNT vuurwerker] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut