Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

labberdaan - (gezouten kabeljauw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

labberdaan zn. ‘gezouten kabeljauw’
Vnnl. eerst vormen zonder l- zoals habourdaen [1514; MNW], abberdaen [1555; Claes 1994a], dan ghesouten Aal, en Labbardaan [1617; WNT], laberdanen (mv.) [1630; WNT].
Ontleend aan Middelfrans labordean ‘gezouten kabeljauw’ [1577; FEW], afleiding van de naam Le Labourd van de Baskische provincie in het uiterste zuidwesten van Frankrijk, genoemd naar de belangrijkste stad aldaar, Latijn Lapurdum, thans Bayonne, zie ook → bajonet. De Basken speelden tot in de 16e eeuw een belangrijke rol in de Atlantische kabeljauwvisserij (zie ook → kabeljauw). Door herinterpretatie van de beginklank van labordean als lidwoord kon in het Frans de nevenvorm aberdon [1585; FEW], aubourdon [16e eeuw; FEW], habordean [1611; OED] ontstaan, waaruit door ontlening ook de Nederlandse vormen zonder l- te verklaren zijn. Ruim twee eeuwen eerder dan in het Frans is de naam van deze vis al geattesteerd in het Engels: Middelengels aberden [1300; OED] en haburdenne [1370; OED], Nieuwengels verouderd haberdine ‘gezouten kabeljauw’.
Lit.: Sanders 1995, 126-129

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

labberdaan [gezouten kabeljauw] {abberdane 1510, habourdaen 1514} < frans (poisson) labourdan, vis uit Labourd, thans Bayonne. De vorm abberdaan ontstond doordat men de l aanzag voor het lidwoord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

labberdaan ‘gezouten kabeljauw’ evenals nhd. laberdan < fra. laberdan, dat terug zou gaan op Labourdain, de naam van de Baskische kust aan de monding van de Adour; van hier uit voeren de Basken om de kabeljauw bij New Foundland te vangen. — Oudere vormen zijn in het nnl. habourdaen (1512), abberdaen, abbordaen, abboerdaen < fra. abordean, habordean, ontstaan nadat men de l van laberdan als lidwoord voelde.

Kluyver, Med. AW, Lott. 69, A 2 93-109 wil fra. abordean over het gaskons < vulg. lat. *fabrecenda < lat. fabrefacienda ‘wat toebereid moet worden’ verklaren en dan is de l van laberdan dus toegevoegd lidwoord. Zeer onwaarschijnlijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

labberdaan znw. Ontl. uit fr. laberdan, evenals nhd. laberdan m.; de visch ontleent wellicht zijn naam aan het bask. landschap Labourd. Vgl. kabeljauw. De oudnnl. vorm (o.a. bij Kil.) abberdaen, abbo(e)rdaen, reeds 1512 habourdaen gaat evenals eng. haberdine “labberdaan” terug op ofr. (h)abordean, dat ontstaan is, doordat men in de begin-l het artikel voelde. Vgl. azuur.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

labberdaan. Kluyver Meded. K. Akad. Afd. Lettk. Deel 69 Serie A no. 2 gist, dat ofr. (h)abordean een ospr. gasc. vorm zou zijn uit een vulg.-lat. *fabrecenda < *fabrefacenda < lat. fabrefacienda ‘wat toebereid moet worden’: de vis zou zo genoemd zijn, omdat hij eerst na drogen of zouten eetbaar werd. Bij deze — hoogst onzekere — verklaring is de begin-l met die in lommer te vergelijken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

abberdaan, labberdaan v., gelijk Nhd. lahberdan, Eng. haberdine, uit Ofr. abordean, habordean, staande voor labordan (de l werd als het lidw. aangezien), d.i. du poisson labourdan, komende van den tractus Laburdanus, de Baskische streek waarvan de hoofdstad Lapurdum (Labourd, thans Bayonne) was. Dus niet van de Schotsche stad Aberdeen (z. ook ansjovis en kabeljauw).

labberdaan v., : z. abberdaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

labberdaan s.nw.
Ingesoute vis, veral kabeljou.
Uit Ndl. labberdaan (1510 in die vorm abberdane, 1514 in die vorm habourdaen).
Ndl. labberdaan uit Fr. (poisson) labourdan '(vis) uit Labourd, tans Bayonne'. Die vorm abberdane het ontstaan omdat daar verkeerdelik aangeneem is dat die l 'n lw. is.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

abberdaan (verouderd Frans abourdan)
labberdaan (verouderd Frans labourdan)

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

ansjovis, bokking, garnaal, haai, kabeljauw, labberdaan, maatjesharing, makreel, potvis

De meeste mensen denken bij Nederlandse leenwoorden in andere talen onmiddellijk aan maritieme termen. Ik betwijfel of het Nederlands inderdaad voornamelijk maritieme termen heeft uitgeleend, maar daarop kom ik elders nog wel eens terug. Dát er maritieme termen zijn uitgeleend, staat buiten kijf. Bijvoorbeeld aan het Duits. Laten we ons beperken tot visnamen. De Nederlandse benamingen ansjovis, bokking, garnaal, haai, kabeljauw, labberdaan, maatjesharing, makreel en potvis zijn door het Duits overgenomen als Anschovis, Bückling, Garnele, Hai, Kabeljau, Lab(b)erdan, Matjeshering, Makrele en Pottfisch. De meeste ontleningen zijn al oud: in de veertiende eeuw is makreel geleend, in de vijftiende eeuw bokking, in de zestiende eeuw garnaal, in de zeventiende eeuw zijn ansjovis, haai, kabeljauw en labberdaan geleend, en in de achttiende eeuw maatjesharing en potvis.

Enkele van deze visnamen zijn in het Nederlands gevormd, maar de meeste hebben wij zelf ook weer geleend. De zee is van oudsher een ontmoetingsplaats geweest voor verschillende volkeren die verschillende talen spraken. De taal van de zee is dus altijd internationaal geweest, al in de klassieke Oudheid, toen de Middellandse Zee het middelpunt van de westerse wereld vormde. De mediterrane handelstaal die daar ontstond, kreeg in de zestiende eeuw zelfs een speciale naam, lingua franca, wat Italiaans is voor ‘Franse of Frankische taal’. De woordenschat van deze taal bestond voornamelijk uit Italiaanse woorden met versimpelde uitgangen, en leenwoorden uit het Frans, Spaans, Grieks, Arabisch en Turks. Met ‘Franse’ taal bedoelden de Arabieren en de andere gebruikers waarschijnlijk ‘Europese’ taal. Ook in de noordelijke zeeën ontmoetten vissers van allerlei nationaliteiten elkaar, en ook hier ontstond een speciale gemeenschappelijke woordenschat. De visnamen kunnen dit illustreren; het is leerzaam de wegen te volgen die ze afgelegd hebben.

‘Echt’ Nederlands zijn bokking, maatjesharing en potvis. De herkomst van de naam van de gerookte haring, bokking, vroeger ook wel boksharing, heeft Kiliaan in 1599 al uiteengezet. Het woord is afgeleid van de dierennaam bok ‘a foedo odore’ — vanwege de onaangename geur. De uitgang -ing wordt vaak bij visnamen gebruikt, denk aan haring, paling, spiering, wijting. In het Middelnederlands was de vorm buckinc (een bok heette toen ook buc), en het woord is het eerst in 1285 gevonden. De Middelnederlandse vorm wordt nog weerspiegeld in de oudste Duitse vorm bückinc. De l is in het Duits waarschijnlijk toegevoegd naar analogie van andere Duitse mannelijke woorden op -ling, zoals Schilling en Weißling ‘wijting’.

Kiliaan gebruikte in 1599 maeghdekens haerinck met als omschrijving ‘halec prima virginea, [...] lactibus et ovis carens’, letterlijk: eerste maagdelijke vismengsel zonder melk (hom) of eieren (kuit). Hieruit blijkt dus de herkomst van maatjesharing: het eerste deel is maagd, en maatjesharing is dus zeer jonge haring, waarbij de hom of kuit nog niet ontwikkeld is. Het Duits heeft het woord op de klank overgenomen, zonder dat de oorsprong ervan werd onderkend.

De potvis, wiens naam voor het eerst in 1634 is aangetroffen, is een enorm dier dat behoort tot de walvisachtigen en door zijn omvang groot respect afdwong. Potvissen spoelden ook vroeger al op het strand aan. Het dier heeft een logge, van voren afgeplatte kop. Uit de oude variant potshoofd blijkt, dat het hieraan zijn naam te danken heeft: de kop van het dier werd vergeleken met een pot. Vroeger noemde men het dier ook wel potswal of potwalvisch. Het Duits heeft beide vormen van ons overgenomen en kent dan ook zowel Pottfisch als Pottwal.

De andere visnamen zijn geleend uit talen waarmee wij op zee contact hadden. Ansjovis hebben we overgenomen uit Spaans anchoa, ouder anchova. De oudste Nederlandse vorm, in 1518, luidde anchiovis. Door volksetymologie heeft het woord bij ons de uitgang -vis gekregen en in die vorm is het door het Duits overgenomen.

Haai is een leenwoord uit het Noorden. We hebben het ontleend aan Oudnoors hár, en wel in de tweede helft van de vijftiende eeuw. De Duitsers hebben het weer van ons overgenomen, aanvankelijk uit reisverhalen, want veel haaien zwommen er niet in de Noordzee. Het Duits heeft Hai ook ter verduidelijking uitgebreid tot Haifisch.

Over de herkomst van kabeljauw hebben verschillende wnt-redacteuren zich het hoofd gebroken, maar desondanks is het probleem nog niet opgelost, en of dat ooit zal gebeuren is de vraag. Het probleem van deze oude visnamen is, dat zij in zoveel talen voorkomen en — door de mondelinge overdracht van taal tot taal — in zoveel verschillende vormen, dat het bijkans onmogelijk is de herkomst te bepalen. De oudste vorm, uit 1272, luidde cabellau. Andere vormen waren cabbeliau, cablau. Al in 1163 werd het woord in het middeleeuws Latijn genoemd: in een in Vlaanderen geschreven stuk is sprake van centum cabellauwi ‘honderd kabeljauwen’. Vanaf eind zestiende eeuw kwamen ook vormen voor als bak(k)eljauw, bakelauw.

De eerste wnt-redacteur die zijn tanden in het probleem van de herkomst van kabeljauw heeft gezet, was de bekende lexicograaf Matthias de Vries. In een noot bij een artikel uit 1870 wijst hij erop dat de kabeljauwvisserij voor de Basken een belangrijk middel van bestaan was, en dat zij al vroeg in de verre zeeën bij Newfoundland op kabeljauw visten. Daarom meent hij dat bakkeljauw geleend is uit Baskisch bacallaoá. De vorm kabeljauw zou ontstaan zijn door omzetting van bak in kab.

wnt-redacteur C.C. Uhlenbeck was het hiermee niet eens. In een artikel uit 1892 meende hij dat juist andersom de Basken hun woord aan ons kabeljauw hebben ontleend, en dat de omzetting van kab in bak in het Baskisch heeft plaatsgevonden, waar dit verschijnsel vaker optreedt. Vervolgens zou het Nederlands de omgezette vorm teruggeleend hebben uit het Baskisch, vandaar de vorm bakkeljauw. Maar waar kwam het oorspronkelijke kabeljauw dan vandaan? In de ogen van Uhlenbeck moest de oorsprong in het Russisch gezocht worden, en wel in de — overigens slechts door hem aangenomen — benaming koblovaja (ryba). Ryba betekent ‘vis’ en koblovaja is een afleiding van kobl ‘paal, staak’; de vis zou dus in het Russisch letterlijk ‘stokvis’ heten. De o in de eerste lettergreep is onbeklemtoond en wordt in het Russisch als a uitgesproken.

Uhlenbeck wist de taalkundige wereld niet te overtuigen. In 1927 waagde zijn collega Kluyver een volgende poging. Zijn artikel bevat veel mitsen en is voornamelijk gebaseerd op gereconstrueerde vormen, wat de argumentatie er niet sterker op maakt. Naar zijn mening is de Baskische vorm ontleend aan Spaans bacal(l)ao, een mening die men tot op heden is toegedaan. Maar de redenering die hij dan ontvouwt, vindt tegenwoordig geen aanhang meer. De Spaanse vorm zou volgens hem teruggaan op een niet gevonden middeleeuws Latijnse vorm baccallanus, baccallaris ‘geestelijke’. Deze naam zou later overgedragen zijn op de vis (zoals in het Frans capelan de naam voor een kleine vis is). Dit woord zouden wij van Spaanse of Baskische vissers overgenomen hebben. Daarnaast zouden wij Franse visnamen kennen die beginnen met ca-, zoals cabot, chabot, wat een afleiding is van Latijn caput ‘kop’; de vis is dus eigenlijk de ‘dikkop’. Vervolgens zouden wij bakeljauw en cabot met elkaar verward hebben, met als resultaat kabeljauw.

In zijn etymologisch woordenboek van 1991 verwijst wnt-redacteur De Tollenaere deze verklaring definitief naar het rijk der fabelen. Spaans bacalao is pas sinds 1519 bekend, dus hoe zou kabeljauw, dat al in de twaalfde eeuw voorkomt, een omzetting van dit Spaanse woord kunnen zijn? Maar wat is dán de herkomst van kabeljauw? Sommige romanisten hebben als oorsprong Gascons cabilhau aangewezen, dat een afleiding van cap ‘kop’ zou zijn, maar de meeste romanisten menen toch dat de Romaanse vormen allemaal aan het Nederlands ontleend zijn, omdat het woord het eerst in Vlaanderen is gevonden. De vraag naar de herkomst van het woord staat dus nog open.

De herkomst van bakeljauw lijkt inmiddels wél duidelijk. Dit woord is, via Spaanse of Baskische vissers, ontleend aan Spaans bacalao (waarbij we in het midden laten waar dit dan vandaan komt). Het woord bak(k)eljauw voor ‘kabeljauw’ is uit het Nederlands verdwenen, maar wordt in het Surinaams-Nederlands nog veel gebruikt voor ‘sterk gezouten, gedroogde en weer opgeweekte kabeljauw, schelvis of heek’, en zo heeft het woord bij ons zijn rentree gemaakt.

Ook de labberdaan, de gezouten kabeljauw, heeft heel wat pennen in beweging gebracht. De conclusie luidt, dat we de labberdaan ontleend hebben aan een Franse vorm labourdan. Dit woord is afgeleid van Le Labourd, de naam van een deel van het Baskenland waarvandaan de Basken op kabeljauw gingen vissen bij het verre Newfoundland. De Basken zoutten de vis in, om hem tijdens de lange reis goed te houden. De oudste vormen in het Nederlands waren abberdane (de l- werd beschouwd als het Franse lidwoord l’) uit 1510 en habourdaen uit 1514. De vorm labberdaen is voor het eerst in 1618 gevonden.

Het woord makreel heeft een verrassende geschiedenis. Het is zijn loopbaan waarschijnlijk in het Nederlands begonnen als makelaar ‘tussenhandelaar’. Dit makelaar is door het Frans geleend, alwaar het de vorm maquerel ‘koppelaar’ kreeg (tegenwoordig maquereau). Vervolgens is dit woord overgedragen op de vis; de vorm makerel ‘makreel’ dateert van 1140. Volgens het volksgeloof volgt de makreel namelijk de jonge haring, de maatjesharing, en brengt de mannetjes en wijfjes bij elkaar, koppelt ze. Zo kreeg maquerel in het Frans twee betekenissen: ‘koppelaar, pooier’ en ‘makreel’. In die laatste betekenis werd het in het Nederlands teruggeleend in de vorm makreel, gevonden in 1270 als makerreel. En laat makreel nu in het Bargoens de betekenis ‘pooier’ hebben!

De herkomst van garnaal ten slotte is niet zeker. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft vele suggesties, maar beëindigt het artikel met de verzuchting: ‘[...] waaruit genoegzaam blijkt, dat de oorsprong des woords nog niet is opgehelderd.’ Het woordenboek van De Tollenaere geeft eveneens een aantal, deels weer nieuwe, suggesties, maar acht het gezien de oudste vorm gheernaert (omstreeks 1530) het meest waarschijnlijk dat het woord teruggaat op de persoonsnaam Geernaert, die aan het middeleeuws Latijn is ontleend. Dieren krijgen wel vaker een persoonsnaam, denk bijvoorbeeld aan keeshond, pietje voor een kanarie (dit kan ook klanknabootsend zijn) en misschien pier ‘worm’. Naast de vorm garnaal (1657) kenden we vroeger ook garneel, en die vorm is terug te vinden in Duits Garnele.

Tot zo ver de herkomst van de visnamen. Nu de verbreiding. Hebben behalve het Duits nog andere talen deze Nederlandse woorden geleend? Jawel. Zo vinden we bijvoorbeeld — de opsomming is niet uitputtend — ansjovis ook in het Russisch (ančous) en Fries (ansjofisk). Het woord komt ook voor in het Engels (anchovy) en Frans (anchois), maar deze talen hebben direct uit het Spaans geleend, niet via het Nederlands. De bokking heet in het Fries bokking en in het Zweeds böckling, dat blijkens de l geleend is via het Duits. De Friezen noemen de garnaal onder andere garnaal, garneel, de Engelsen gebruikten in het verleden garnel, gernel. De haai is door het Zweeds en het Deens overgenomen als haj, wat opmerkelijk is omdat wij het woord uit het Oudnoors, de voorloper van de Scandinavische talen, hebben geleend! In verouderd Engels werd hij haye genoemd, en de Friezen zeggen nog steeds haai. De kabeljauw vinden we terug in Frans cabillaud, Engels cabilliau (geleend via het Frans), Fries kab(b)eljau, Zweeds kabeljo en Deens kabliau. De Russen noemen de labberdaan een laberdan. De Denen hebben maatjesharing gedeeltelijk vertaald: in matjessild is sild het Deense woord voor haring. In het Engels is maatjesharing verkort tot matie. De makreel vinden we terug in Zweeds makrill, Deens makrel, Noors makrell, Fries makriel en Russisch makrel’ (Engels mackerel is uit het Frans geleend). De potvis ten slotte heet in het Fries potfisk en werd in het Engels vroeger wel pot-fish genoemd.

Hiermee lijkt wel bewezen dat in het verleden ook in de noordelijke zeeën een lingua franca gesproken werd, en dat het Nederlands in de woordenschat van deze lingua franca een niet te onderschatten rol gespeeld heeft.

E. Sanders (1995), Geoniemenwoordenboek, Amsterdam

labberdaan (1512, uit het Frans) gezouten kabeljauw

Vaak kost een etymologie heel wat hoofdbrekens. Dat is helemaal zo als van een woord verschillende vormen bestaan die wat de herkomst betreft in andere richtingen wijzen. Dit geldt onder andere voor labberdaan, dat sinds het begin van de 16de eeuw in het Nederlands voorkomt en dat behalve als lab(b)erdaan is aangetroffen als ab(b)erdaan.
De meeste mensen kennen labberdaan nu alleen nog van Marten Toonders Heer Bommel en de Labberdaan. Bij Toonder heeft dit woord echter niets met gezouten kabeljauw te maken: het gaat hier om een volkje dat van werken houdt. Toonder zou dit woord hebben afgeleid van het Latijnse laborare ‘werken’ en daan, zoals in onderdaan.
Wat de gezouten labberdaan betreft, Willem Bilderdijk herleidde dit woord in 1832 tot de Schotse plaats Aberdeen. Nu exporteerde Aberdeen indertijd enorme hoeveelheden zoute vis. Veel woordenboeken namen Bilderdijks verklaring dan ook over. Labberdaan werd als fout afgedaan, abberdaan moest het zijn.
De Leidse hoogleraar Matthias de Vries wees Bilderdijks verklaring echter krachtig van de hand. ‘Aberdeen is noch de eerste, noch de voornaamste plaats geweest, die de kabeljauwvangst dreef of de zoute visch toebereidde’, schreef hij in 1870. Bovendien kwam het woord in het Engels voor als haberdine. Het was onwaarschijnlijk dat Britten de naam van een vertrouwde haven zo zouden verhaspelen.
Hoe zat het dan wel? De beste methode om de herkomst van dit woord te achterhalen, stelde De Vries, was zich te verdiepen in de geschiedenis van de gezouten kabeljauw. Hij veronderstelde dat de naam verwees naar de vissers die met het inzouten waren begonnen. Dat moesten vissers zijn geweest die ver van huis visten, anders hadden ze hun kabeljauw wel vers naar de markt gebracht.
Nu visten de Basken uit de streek van Bayonne vanouds op de banken van Newfoundland. Een gedeelte van het Baskenland staat bekend als Le Labourd. Dit naar de hoofdstad Bayonne, die in de Romeinse tijd Lapurdanus heette. ‘Ik geloof te mogen aannemen’, schreef De Vries, ‘dat de labberdaan aan dat land van Labourd haren naam ontleend heeft. De gezouten kabeljauw, die door de visschers van Bayonne en omstreken naar huis werd gebracht, en die dan uit het land van Labourd naar elders ter markt kwam, hoe kon men haar een natuurlijker naam geven dan piscis Lapurdanus, poisson du Labourd, labourdan? [...] De kooplieden van Bretagne en Normandije, die de zoutevisch uit Bayonne aankregen, verspreidden den naam van labourdan door geheel Frankrijk. Maar in hun mond kon de l, als artikel opgevat, wegvallen en het woord tot abourdan worden. Naar de Fransche uitspraak ging our regelmatig in or over.’
Dit laatste verklaart ook de dubbele vorm in het Nederlands. Hollandse en Vlaamse kooplieden die de vis uit de havens van Bretagne en Normandië haalden, leerden hem kennen als abordan. Zij maakten daar ab(b)erdaan van. Maar wie de vis rechtstreeks in Bayonne kocht of van Baskische vissers op zee, hoorde labourdan en maakte hiervan lab(b)erdaan — vormen die naast elkaar in gebruik bleven.
De Vries verzuchtte dat deze zoektocht hem erg veel tijd had gekost. Zijn verklaring staat echter nog steeds overeind en wordt zelfs aangehaald in de Oxford English Dictionary. Wel probeerde Kluyver (1944) labberdaan nog te herleiden tot de Gaskonse vorm van het Latijnse fabrefacienda, ‘wat toebereid moet worden’. Latere etymologen noemen dit echter ‘hoogst onzeker’ en ‘zeer onwaarschijnlijk’.
Overigens werd de labberdaan indertijd niet duur betaald. De zoutevis was zelfs zo goedkoop dat de uitdrukking in omloop kwam daar kun je geen labberdaan voor eten, voor: alle waar is naar zijn geld. Misschien verklaart dit de opmerkelijke betekenis die De Beer en Laurillard in 1899 voor labberdaan geven: slappe koffie.

Engels haberdine (1300); Duits Laberdan; Frans laberdan.

Bilderdijk Verklarende Geslachtlijst 1 (1832) 6; Harrebomée Spreekwdb. II (1861) 2; WNT I (1882) 602; M. de Vries ‘Labberdaan’, in: Taal- en letterbode 1 (1870) 274-280; Beer & Laurillard Woordenschat (1899) 602; Franck & Wijk Etym. wdb. (19122) 366; WNT VIII1 (1916) 875; A. Kluyver ‘Gissingen in verband met het woord labberdaan’, Meded. KNAW, letterk., 69 A 2 (1930); Haeringen Suppl. etym. wdb. (1936) 96; WNT Suppl. I (1956) 289; Vries Ned. etym. wdb. (1971) 380; Vries & Tollenaere Etym. wdb. (199115) 220; OED (19932); J. Bruggeman ‘Labberdaan’, in: NRCH 20.12.1994.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

labberdaan ‘gezouten kabeljauw’ -> Duits Laberdan ‘gezouten kabeljauw’; Deens laberdan ‘gezouten kabeljauw’; Frans † laberdan ‘stokvis’; Macedonisch laberdan ‘gedroogde en gezouten kabeljauw in vaten’; Sloveens laberdan ‘gezouten kabeljauw’; Russisch labardán, laberdán ‘gezouten kabeljauw’; Oekraïens † labardán ‘gezouten kabeljauw’ ; Lets labardāns ‘gezouten kabeljauw’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut