Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

labbekak - (bangerd, slapjanus)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

labbekak zn. ‘bangerd, slapjanus’
Vnnl. labbekack ‘kletser, babbelaarster’, in dese labbekacken halen ellick-ien by de naars op ‘deze babbelaarsters spreken over iedereen kwaad’ [1611; WNT], ook algemener als scheldwoord, in jou diefachtige labbekaeck [1620; WNT]; nnl. labbekak, ook “benauwde, vreesachtige kerel” [1872; Van Dale].
Samenstelling met de stam van het werkwoord vnnl. labben ‘leuteren, babbelen’. Het tweede lid is onzeker en is hetzij a) kak als algemene aanduiding voor iets verachtelijks, zie verder bij → kakken; hetzij b) vnnl. -kaek als afleiding van mnl. caken ‘babbelen, praten’ (wrsch. een klanknabootsend werkwoord, zie ook → kakelen), en dan met -kaek > -kak onder volksetymologische invloed van kak. Van labben is de herkomst onduidelijk; het is misschien afgeleid van een affectieve klankvariant van → laf in de betekenis ‘slap’, maar labben betekende ook ‘likken, knoeien, smerig eten’ en op grond daarvan veronderstelt men een andere herkomst, zie → belabberd en → lebberen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

labbekak* [vreesachtig persoon] {1620} vermoedelijk van labben [likken, slobberen] + kak, van kakelen, maar geassocieerd met kak [poep].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

labbekak znw. m. ‘babbelaar; kwaadspreker; bangerd’ naast labbekaak, fri. labbekak is samengesteld uit labben en een 2de lid, dat bij kakelen behoort.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

labbekak znw., sedert begin 17. eeuw, met het onomatop. kak (bij kakelen) als tweede lid.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

labbekak, heeft als scheldwoord dial. een ruime betekenissfeer (‘lummel, flauwerd, schuchter mens’) door associatie van het tweede lid met kakken; vgl. kakkerlak Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

labbekak m., vroeger id. en labbekaek, met de stammen van labben en kakelen.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

labbekak: 1) slappeling; sul; flauwerik; kinderachtig of bang persoon. Afgeleid van labben in de zin van ‘babbelen, snappen’ en kak van kakelen (later evenwel geassocieerd met uitwerpselen). Sedert ca. 1620. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het ook een bijnaam voor een anti-Duitsgezinde (zie hiervoor G.L. van Lennep).

Daer ien Labbekak zel vallen daer komt de Duivel ierst ien kusse leggen (Jan Vos, Klucht van Oene, 1662)
Maar jij hoeft er niks aan te doen, labbekak! (Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar, 1935)

2) roddelaar(ster); kwaadspreker (kwaadspreekster).

Zy zaten zy aan zy in ’t kermiskleedt op straat.
Een oude labbekak begon aldus de praat (Lukas Rotgans, Boerekermis, 1708)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

labbekak* vreesachtig persoon 1620 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut