Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

laat - (horige)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

laat2* [horige] {laet, late 1284} middelnederduits lāt, oudhoogduits lāz, oudfries lēt, vgl. gotisch fralēts [de vrijgelatene]; ongetwijfeld van laten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

laat 1 znw. m. ‘horige, halfvrije, die land in gebruik heeft’ mnl. laet, late, mnd. lat, ohd. laz. — Indien men mag uitgaan van een persoon, die uit lijfeigenschap is vrijgelaten, dan zou het woord met laten kunnen samenhangen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

laat 1 m. (eigenhoorige), Mnl. laet + Ohd. lâʒ (Mhd; lâʒe), Ófri. lét: bij antithese opgemaakt uit *farlât, Go. fralets = vrijgelatene (bij laten). Mlat. lætus, litus uit Go. *lets.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut