Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

laars - (hoge schoen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

laars zn. ‘hoge schoen’
Mnl. laerse ‘lederen beenbekleding’ [1240; Bern.], maar meestal nog leerse, bijv. leersen dicke ‘dikke laarzen’ [1350-1400; MNW-R]; vnnl. leersen, leerskens [1599; Kil.], gestickte laerskens [1625; WNT].
Mnl. leerse is door d-syncope ontstaan uit *lederse, een samengetrokken vorm van *lederhose; dit woord is een samenstelling van leder, zie → leer 1, en hose ‘beenbekleding’, zie → hoos. In het Nederlands trad verandering van klinker voor r + dentaal op, zoals in → haard; de vorm met -aa- begint pas in de 17e eeuw gebruikelijk te worden.
Mnd. lerse; ohd. lederhosa ‘leren beenbekleding’ (nhd. Lederhose ‘leren broek’).
Ook in de vroegste bronnen wordt de vorm *lederse al niet meer gevonden. Het woord lederhose komt nu weer voor als ontlening uit het Duits met de betekenis ‘leren broek’: een bezoeker in lederhosen ‘... met een leren kniebroek aan’ [1948; WNT Aanv. consternatie].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

laars* [schoeisel] {leerse, laerse [leren beenbedekking, laars] 1201-1250} samentrekking van middelnederlands lederhose [leren broek] {1450} van leder + hoos1, vgl. middelnederduits lērse.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

laars znw. v., mnl. leerse, laerse, mnd. lerse, een samentrekking uit lederhose, vgl. ohd. lederhosa ‘leren beenbekleding’ dus samengesteld uit leder en hoos 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

laars znw., mnl. leerse, laerse v. De ee-vorm bestaat nog in die diall., waar ook gerekte ër vóór dentaal en gerekte ar vóór dentaal + umlautsfactor e-timbre bewaard hebben. = mnd. lērse v. “laars”. Gaat terug op *lēderhōse = ohd. lëderhosa v. “leeren beenbedekking”. Zie leder en hoos I. Voor de sterke reductie van ʼt tweede lid vgl. oudnnl. lerp “leeren riem, zweep”, in ʼt tegenw. Zaansch “tong”, als de oudnnl. bet. de ospr. is uit leder + reep, — en verder oom en mes.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

laars v., Mnl. laerse, met a uit e voor r, leers + Ndd. lerse: saamgetrokken uit lederse, en dit weerom uit lederhose + Ohd. lederhosa, dus hoos van leder. Hierbij laarzen = op de “lederhose” geven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

Iers [+]: halwe broekspyp v. seil om broek te beskerm; via dial. Ndl. lers of Pd. lêrse, hou verb. m. Ndl. laars (Mnl. leerse/laerse), Mned. lerse, sametr. uit lederhose, Ohd. lederhosa, “beenbekleding v. leer”; v. waterbene.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

laars. Berns (1993: 61) geeft voor Amsterdam de verwensing lik me de laars! ‘bekijk het maar, je kunt me wat, wat heb ik een vreselijke minachting voor je’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Laars (volkstaal leers), samentrekking van lederse, leèrse, en dit weer van lederhose = lederen beenbekleeding (’t Hgd. Hosen = broek).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

laars ‘schoeisel’ -> Fries lears ‘schoeisel’; Duits † Lerse ‘schoeisel’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch lares, lars ‘schoeisel’; Ambons-Maleis lars, capatu lars ‘schoeisel’; Kupang-Maleis lars, capatu lars ‘schoeisel’; Menadonees lars, capatu lars ‘schoeisel’; Ternataans-Maleis lars, capatu lars ‘schoeisel’; Creools-Portugees (Ceylon) lars ‘schoeisel’; Singalees † lārs ‘schoeisel’; Negerhollands laars ‘schoeisel’; Papiaments lars (ouder: lers, leers) ‘schoeisel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

laars* schoeisel 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1312. Iets aan zijn laars (zijn zolen, zijn botten of zijn hielen) lappen (of plakken),

d.i. iets niet tellen, er niets om geven, er geen drukte over maken hetzelfde als iets aan zijn gat vegen (fr. se ficher de quelque chose; 17de eeuw iets aan zijn been binden, knoopen); Tuinman II, 207: hij vaagt daar zyn hielen aan; Harreb. I, 308: iets achter zijne hielen lappen of plakken; II, 253: dat lap ik onder mijn schoenen. Zie Jord. 309: Haar zenuwachtige praatzieke opwinding lapte hij aan zijn laars; Het Volk, 15 Juli 1913, p. 1 k. 4: De S.D.P. heeft toen deze ‘grondwet’ aan haar laars gelapt en blijft tweedracht zaaien waar zij kan; 13 Dec. 1913, p. 1 k. 1.: Als er een regeering was opgetreden, die de uitspraak der kiezers aan haar laars had gelapt; 24 Oct. 1913, p. 1 k. 4: Hij lapte het besluit van de volksvertegenwoordiging aan zijn laars; 20 Nov. 1913, p. 8 k. 2: De soc. dem. fraktie heeft zonder meer de eisch der vakorganisatie aan haar laars gelapt; Nkr. II, 29 Maart p. 2: En ten slotte zei ik toen, dat ik haar opinie aan mijn laars lapte; De Amsterdammer, 24 Mei 1914, p. 7 k. 3; Ppl. 74: Zij lapte alles aan d'r modderlaarzen; bl. 207: Ja of u nou nee zegt, dat lap ik toch amme laars; Nkr. IV, 13 Nov. p. 6; V, 5 Febr. p. 4; vgl. ook Kmz. 303: Trane, die 'k an me kont veeg, komedietrane; Dievenp. 126: Ik heb altijd als 'n brave schooljongen opgelet, maar ik lapte alle theorie aan m'n zool; Nkr. III, 14 Febr. p. 6:

Vraag je dan: Agent ga mee!
Daar wordt ginds gestolen,
Zegt hij daad'lijk: Mij 'n biet,
Dat lap ik aan mijn zolen.

Zevende Gebod, 55: Jouw brave engel lap ik an me zole! Lvl. 171: Ik wil 'r maar mee zeggen, dat 'k het heele leger aan m'n zool lap; Peet, blz. 353; Nkr. III, 5 Sept. p. 6; Schakels, 168: Jouw ondervinding! Die lap 'k an me botten! De Telegraaf, 10 Dec. 1914 (avondbl.) p. 5 k. 1: Mars, de oorlogsgod, is de rechte er naar om alle Kerstengeltjes ter wereld aan zijn schoenzolen te lappen; Groot-Nederland, 1914 (Oct.) bl. 457: Ik ben geen jonkheer! An me zolen 'r mee!; Jord. II, 62: An me sool links!; II, 176: An me linkerzool; II, 335: Maar de jonge meiden lapten alle vermaningen aan hun linkerzool; syn. ergens zijn botten mee of aan vegen, o.a. Handelsbl. (avondbl.) 6 Juni p. 5 k. 4: Literatuur veegt-ie an z'n botten; Sjof. 253: Maar met die praatjes, daar veegden-ie zijn botten mee af; Nkr. II, 15 Maart p. 2: De tyran schijnt er weinig om te malen, hij vaagt er zijn botten an; Het Volk, 14 Maart 1914, p. 5 k. 2: Onvervaard vaagden burgemeester Roëll en diens getrouwen hunne botten aan het advies der Schoonheidscommissie. - Van daar ook an me laars!, maakt dat een ander wijs! of ook: dat kan me niet schelen, o.a. Kmz. 176: Denk je dat 't liefde is? Liefde.... an me laars!; Jong. 145: Wijlui, vrouwe, motte d'r toch 't eerst in (in den schouwburg)! - An me laars! 'k Heb ook me cente betaald. - In denzelfden zin aan mijn kont, o.a. in Kmz. 375. Naast ik lap het aan mijn laars hoort men ook het laarst me nietVgl. Leuv. Bijdr. X, 182..

Voor Zuid-Nederland vgl. De Bo, 304: aan iets zijn ende vagen; 1235: iemand of iets aan de zool van zijn schoe'n vegen, er zich niet over bekreunen, er mede lachen; Schuermans, 497 a en 325 b: iet aan zijn pollevieën, aan zijn achterlappen vegen; Antw. Idiot. 285: aan iet zijn botten vegen; ook zijn gat, zijn klooten aan iets vegen; Schuerm. 80 en Rutten, 41: zijne broek aan iets vagen (in Noord-Nederland: afvegen), zich om iets niet bekreunen, er den bliksem van geven; Teirl. II, 159; 169: an iemand of an iet zijn konte (of kodde) vagen (of wrijven), er zich niet aan gelegen laten; Harreb. I, 183: daar veeg ik mijn elleboog aan. In Twente: 't gat der an ofwisschen; fri. de kont er oan offeije; eng. to set a th. at one's heels. Zie no. 604.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut