Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwispedoor - (spuugbakje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kwispedoor zn. ‘spuugbakje’
Vnnl. cuspidoor “spuwbekken of pot” [1672; De Tollenaere 1969], quispedoor [1706; WNT wijf].
Ontleend in Oost-Indië aan Portugees cuspidor [16e eeuw; Da Cunha], afgeleid van het werkwoord cuspir ‘spuwen’, eerder al cospir [13e eeuw; Da Cunha], dat via vulgair Latijn *conspuire teruggaat op Latijn cōnspuere (verl.deelw. cōnspūtum) ‘bespuwen’, gevormd uit → com- ‘met, bijeen’ en spuere, zie → spuwen. De uitgang -or gaat terug op Latijn -or, achtervoegsel dat een instrument aanduidt. De beginklank van cuspidor werd in het Nederlands volksetymologisch veranderd in kwi-.
Lit.: Veth 1889, 167-169

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwispedoor [spuwpotje] {1672} < portugees cuspidor < latijn consputorium, van conspuere [spuwen]; de kw- o.i.v. kwalster.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwispedoor znw. o.m. ‘spuwbak’, eerst na Kiliaen < port, cuspidor < lat. conspūtōrium. De anlaut kw- zal beïnvloed zijn door woorden als kwalster en kwijlen.

kwispedoor [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 238 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwispedoor znw. o., nog niet bij Kil. Uit port. cuspidor “kwispedoor” (lat. *conspûtôrium). Ook in ʼt Ndd. en Fri. overgegaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwispedoor o., uit Port. cuspidor =1. spuwer, 2. spuwbekken: afgeleid van cuspir = spuwen, en dit uit Lat. conspuere, saamgest. met cum (z. ge-) en spuere = spuwen (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kwispedoor s.nw. Ook soms kispedoor en kuspidoor.
Spoegbakkie wat vroeër gebruik is deur persone wat gepruim het.
Uit Ndl. kwispedoor (1672).
Ndl. kwispedoor uit Port. cuspidor wat verband hou met Latyn conspuere 'spoeg op'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kwispedoor [+]: (outydse) “spuugbakkie”; Ndl. kwispedoor (vroeër quispedoor), gedurende d. 17e eeu i.d. Ooste oorgeneem uit Port. cuspidor, wat verb. hou m. Lat. conspuere, “spuug op” – in Am.-Eng. is cuspidor(e) sedert end 18e eeu bek.

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

kwispedoor [spuwpotje]. Van dit woord heeft niemand ooit een verklaring uit het Germaans kunnen geven, ook niet in de vorm kwispeldoor, waardoor men het ons meer naar de mond heeft gemaakt; want wat toch zou kwispelen, een onbetwist Hollands woord, met een spuwbekken te maken hebben?

De ware verklaring van het woord gaf prof. De Vries in de Taalgids; het is hem evenwel daarbij ontgaan, dat hij dezelfde verklaring van mij in een vergadering van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde gehoord had. Ik had intussen die verklaring ook reeds vóór hem gepubliceerd, namelijk in het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, jaargang 1867, deel I, p. 296. Wat ik daar schreef zal ik hier eerst letterlijk herhalen, om er daarna nog enige opmerkingen aan toe te voegen.

Gewoonlijk neemt men aan, dat dit woord bij ons van Spaanse oorsprong is en verbasterd uit escupedor of escupidero, en dat het in onze taal is ingedrongen in het tijdvak van de Spaanse heerschappij. Daarentegen houd ik mij verzekerd dat het woord Portugees is, dat wij het in Indië van de Portugezen geleerd hebben en dat het uit Indië naar Europa is overgebracht. Ziehier mijn gronden. Baldaeus spreekt in zijn Beschrijvinge van Malabar en Choromandel, p. 160, van een Naïk die cuspidoordrager was in het rijk van Carnatica, en van een tweede die hij ’s konings betelgever noemt. De beteldoos en het spuwbekken zijn inderdaad van elkaar onafscheidelijk. Bij het woord cuspidoordrager tekent Baldaeus in de kantlijn aan: ‘Cuspidoor is een spuwbekken of -pot.’ Nu heet werkelijk in het Portugees een spuwbekken cuspideira of cuspidòr, van het werkwoord cuspir of cospir, het Latijnse conspuere [spuwen]. De vorm cuspideira is de beste en meest gebruikelijke; cuspidòr betekent, volgens het Portugese woordenboek van Moraes Silva, eigenlijk Pessoa que cospe muito (een persoon die veel spuwt); maar hij kent het toch ook in de betekenis van vaso de cuspir, dat is een spuwbekken, en hij haalt daarvoor een plaats aan uit Castanheda’s Historia da India I, f. 39: ‘hum cuspidòr de oiro’ (oiro = ouro), dat is een gouden spuwbekken.

Hieruit trek ik de volgende besluiten: 1. het spuwbekken dat de Indische vorsten bij het betelkauwen gebruiken, noemden de Portugezen cuspidòr; 2. dit woord hebben wij in Indië van hen overgenomen, maar tot kwispedoor verbasterd; 3. dit woord is uit Indië naar het moederland overgebracht. De afleiding uit het Spaans verwerp ik: 1. omdat Baldaeus, in 1669-1671, in welke jaren hij zijn werk te boek stelde, nog nodig had cuspidoor voor zijn lezers te verklaren, wat wel het geval niet zou geweest zijn, indien dit woord reeds in de Spaanse tijden in onze taal was gekomen; 2. omdat kwispedoor met het Portugese cuspidòr nog meer overeenkomt dan met het Spaanse escupedor.

Tot dusver mijn vroegere verklaring. Ik voeg er nu nog de vrij afdoende opmerking bij dat wij, zoals later blijken zal, in Indië de namen van een aantal zaken van onze Portugese voorgangers hebben geleerd en ons toegeëigend, maar dat wij in onze taal geen enkel woord hebben dat onze voorouders vóór of gedurende onze vrijheidsoorlog van de gehate Spanjaarden hebben overgenomen. In het geheel is onze taal aan het Spaans al zeer weinig verschuldigd, doch daarop kom ik later wel eens terug. [Zie echter de inleiding van deze heruitgave.]

Toen ik bovenstaande verklaring van het woord kwispedoor publiceerde, maakte ik aan het slot de opmerking dat cuspidòr misschien alleen op het vasteland van Indië en niet op de eilanden in gebruik was geweest. Doch dit is stellig verkeerd. Forrest, in zijn Voyage to New-Guinea, p. 135, gebruikt het woord ook, waar hij spreekt van Mindanao, en wel als inlands woord, waarvan hij een verklaring nodig acht. Hij schrijft het woord, op het gehoor af, cuspadore, en zegt in een noot: ‘an utensil well known to those who smoak tobacco and chew betel.’ De Franse vertaling van Forrest, die veel meer verspreid is dan het oorspronkelijke werk, heeft p. 265 voor cuspadore eenvoudig crachoir en laat de noot weg — wel een waarschuwing dat, wie gelegenheid heeft het oorspronkelijke in te zien, zich nooit met de raadpleging van een vertaling moet vergenoegen.

De plaats van Forrest bevestigt alleszins, dat cuspidòr een Indisch-Portugees woord is; het verdient echter opmerking dat het nooit vermeld wordt onder de vele Portugese woorden die in de inlandse talen van de Molukken, de Minahasa, enz., zijn opgenomen.

Forrest reisde in 1774 tot 1776. Valentijn in zijn in 1726 verschenen ‘Beschrijving van Groot-Java’ (Oud en Nieuw Oost-indien, IV, 1) schrijft op p. 61 dat een van de groten van de vorst van Mataram hem een cuspidoor of spuwpotje nadraagt. Ook deze plaats leert ons dat cuspidòr op de eilanden evenzeer als op het vasteland bekend was; merkwaardig is het bovendien dat ook hij het woord nog in de Portugese vorm geeft en van een verklaring doet vergezeld gaan. Dit bewijst wel dat zowel het algemeen gebruik van het woord als zijn verhollandste vorm kwispedoor van recente oorsprong zijn. [V]


Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kwispedoor (Portugees cuspidor)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Kwispedoor, ook kwispeldoor, al vroeg in Indië uit port. cuspidor. Le Francq v. Berkhey. Nat. Hist. v. Ned. 3, 661 : “Quispedooren, of spuwpotjes”. Cuspidor = eig. spuwer, verg. de lat. uitgang tor, en lat. (con)spuere = spuwen; de naam van handelenden persoon (nomen agens) wordt dikwijls gegeven aan werktuigen, voorwerpen of personen, waarmee de handeling uitgevoerd wordt, of die er ’t object van zijn, b.v. looper = sleutel om verschillende sloten te kunnen openen; een opsnijder en meesnijder, werktuigen waarop en waarmede een diamantsnijder een diamant snijdt (Leviticus-Polak, Diamantnijv.); scheepsroeper; staatmaker (iemand waarop men rekenen kan, Mansvelt, Transv); verrekijker, zie ook bij art. Schanslooper. Voor de verwisseling van u (oe) in wi vooral na een gutturaal verg. hoe en wie voor hwie, eng. who. welke, eng. which, en hoeke (dialectisch = welke), gezond en gezwind enz.,

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kwispedoor ‘spuwpotje’ -> Duits dialect † Kwispeldôrtje ‘spuwpotje’; Amerikaans-Engels cuspidor, ook: cuspadore ‘spuwpotje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwispedoor spuwpotje 1672 [TNTL 1969, 85, 238] <Portugees

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut