Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwijten - (doen, vervullen)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

kwijten ww. ‘afhandelen’
Vmnl. quiten ‘vrijlaten, vrijwaren, afkopen’, hem quiten ‘zich vrijpleiten, zich kwijten van’ (1237). Meestal zwak maar ook eenmaal sterk (dat mise af quete ‘dat men ze af zou kwijten’, 1248–1271). Ook diverse afleidingen, zoals avequiten, quitenesse en quitinge. Vanaf de zestiende eeuw worden verleden tijd en voltooid deelwoord bijna uitsluitend sterk gevormd.
Uiteraard verwant aan kwijt ‘verlost van’. Bij beide is de vraag of ze direct aan de Oudfranse woorden quit(t)e ‘verlost’ en quit(t)er ‘vrijmaken van een verplichting’ zijn ontleend, of aan middeleeuws Latijn quītus ‘onbetwist, onbelast, vrij van een juridische of financiële verplichting’, een nevenvorm van klassiek Latijn quiētus ‘rustig’. Vanwege de bewaring van de w, die in het Oud-Frans al weg was gevallen (behalve in Waalse dialecten), maar die in alle Germaanse talen aanwezig is, is de tweede hypothese waarschijnlijker. Een tussenoplossing is aan te nemen dat kwijt en kwijten weliswaar aan het Frans werden ontleend, maar dat kw- werd ingevoerd in het bewustzijn van de technische Latijnse termen.
Vgl. Middelnederduits quīten, Mhd. quīten, Mohd. quitten ‘voldoen’, Middelengels quiten, cwiten ‘schuld inlossen’, MoE quit ‘verlaten’.
[Gepubliceerd op 15-12-2016 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwijten [kwijtschelden] {quiten, quijtten [vrijmaken, inlossen, kwijtschelden, een plicht volbrengen] 1237} < oudfrans quitter [idem] < middeleeuws latijn quitare [van schulden vrij verklaren] < latijn quietare [rustig maken], van quies (2e nv. quietis) [rust].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwijten ww., mnl. quîten ‘vrij maken, verlossen, inlossen, vrijwaren, verlossen van’, mnd. quīten, mhd. quiten, ne. quit < ofra. quiter, quitter < lat. quietāre ‘tot rust brengen’. — Nl kwijten kan ook rechtstreeks van kwijt gevormd zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwijten ww., mnl. quîten “vrij maken, vrijspreken, verlossen, inlossen, vrijwaren, ontheffen van, enz.”, ook reeds refl. gebruikt. Uit ofr. quit(t)er of in ʼt Nld. van kwijt gevormd. Evenzoo mhd. quĭten, mnd. quîten, eng. to quit in dgl. bett. Quitteeren is eerst nnl.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kwijten. Het znw. kwitantie < mlat. quitantia, quiêtantia is al mnl., laat-mnd., mhd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwijten o.w., Mnl. quiten, uit Ofra. quiter, van Mlat. quitare = vrij maken (z. kwijt).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kwijten (Frans quitter)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kwijten, zich ‘doen, vervullen’ -> Fries jin kwite ‘doen, vervullen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwijten, zich doen, vervullen 1237 [CG I1, 37] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut