Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwiek - (levendig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kwiek bn. ‘levendig’
Onl. quic ‘levend’ in quicca fē ‘levende dieren, vee’ [10e eeuw; W.Ps.], quek ‘levend, stromend, fris’ (met -e- uit Hoogduits) in puzza thero quekken wazzaro ‘bron der levende wateren’ [ca. 1100; Will.]; mnl. rash ende ... quich ‘snel en vlot’ [ca. 1350; MNW], ook zelfstandig gebruikt, in quic ‘levend dier’ [ca. 1350; MNW]; vnnl. quick ‘levendig, snel’ in haer ... steertken is quick ‘haar staartje is levendig, beweegt snel’ [begin 16e eeuw; WNT kwik I]; nnl. dan kwiek ‘zwierig’ in een kwiek jassie [1897; WNT], ‘levendig, vlug’ in zoo kwiek als slingerapen [1907; WNT].
Kwiek is een latere, klankexpressieve bijvorm bij kwik ‘levendig’. De -ie- kan eventueel ook beschouwd worden als ontlening uit het Brabants. Zie ook → kwik 1.
Os. quik; ohd. quek (nhd. keck ‘vlot, brutaal’, ontleend als nnl. kek); oe. cwic(u) (ne. quick ‘snel, levend’); ofri. quik (nfri. kwik, kwyk en, met een achtervoegsel -er, kwi(k)ker); on. kvikr (nzw. kvick); alle oude vormen ‘levend’, latere ook ‘levendig’ en ‘snel’, < pgm. *kwikwa-. Daarnaast staat pgm. *kwiwa-, waaruit got. *quis, mv. qiwai ‘levende’.
Verwant met: Latijn vīvus ‘levend’, vīvere ‘leven’; Sanskrit jīvá- ‘levend’, jī́vati ‘leeft’; Litouws gývas ‘levend’, Lets dzîga ‘leven’; Oudkerkslavisch živŭ ‘levend’ (Russisch živój), žitĭ (1e pers.ev. živǫ) ‘leven’ (Russisch žit'); Proto-Keltisch *bivós ‘levend’ (Oudiers biu, beo, Welsh byw, Bretons beo); < pie. *gwih3-uó-, afleiding van de wortel *gwieh3-/gweih3- ‘leven’ (IEW 467, LIV 215).
Bij deze wortel horen verder nog de volgende woorden. Uit pie. *gwieh3-: Grieks zṓein ‘leven’ (zie → zoölogie); Sanskrit jīvtu- (met -v- o.i.v. jī́vati) ‘(het) leven’; Avestisch ǰytu- ‘id.’. Uit pie. *gweih3-: Sanskrit gáya- ‘(het) leven’; Avestisch gaya- ‘id.’; Litouws gajùs ‘levendig, levenskrachtig’; Oudrussisch goi ‘vrede’. Uit de nultrap pie. *gwih3-: Latijn vīta ‘(het) leven’ (zie → vitaal); Grieks bíos ‘leven, levensloop’ (zie → bio-).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwik1*, kwiek [levendig] {oudnederlands, middelnederlands quic 901-1000} oudsaksisch quik, oudhoogduits quek [levend(ig)] (hoogduits queck), oudfries quik, oudengels cwic(u) (engels quick), oudnoors kvikr [levend]; buiten het germ. latijn vivus, grieks bios [leven], oudkerkslavisch živŭ, litouws gyvas, oudiers biu, oudindisch jīva- [levend(ig)].

kwik2* [aardigheid] {1521} waarschijnlijk behorend bij kwik1 [levendig].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwik 3 bnw. naast kwiek, mnl. quic (zelden) ‘levendig’, os. quik ‘levend, levendig’, ohd. queh, quek (nhd. queck) en chech (nhd. keck), ofri. quick, oe. cwic, cwicu, cucu (ne. quick), on. kvikr ‘levend’. — Als znw. mnl. quic, quec ‘dier, stuk vee, vee’ (vgl. onfrank, quicca ‘animalia’), mhd. quec, quick ‘levend dier’, ofri. quik, quek ‘vee’, — Naast germ. *kwi- kwa- staat ook *kwiwa in got. qius ‘levend’. Dit beantwoordt aan gr. bíos ‘leven’, oiers beo ‘levend’ en met lange klinker: oi. jīva- ‘levend’, lat. vivus ‘levend’, osl. živŭ, lit. gývas ‘levend’ (IEW 467-9). — Zie: kweek en kweken.

De beoordeling van germ. *kwikwa is onzeker. Men kan uitgaan van idg. *gi-go wat echter wel zeer hypothetisch is. FW 364, die denkt aan een vorm met gebroken reduplicatie, gelooft niet dat men reeds oergerm. *kwikwa aannemen mag. Daarentegen zou een vorm *kwika normaal zijn en voor het nl. woord een bevredigend uitgangspunt zijn; de kk in nhd. keck meent men echter uit kw te moeten verklaren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwik II bnw., ook kwiek, mnl. quic (zelden) “levendig”, meer als znw. o. (m.) quic, (quec) “dier, stuk vee, vee”; dit znw. ook in verwante talen. Het nnl. bnw. is misschien een anglicisme. = onfr. quic (in quicca fê “animalia”), ohd. quëh, quëk (hh en cch; nhd. queck; bijvorm ohd. chëch, nhd. keck), os. quik “levend, levendig”, ofri. quik, ags. cwic, cwicu, cucu (eng. quick), on. kvikr “levend”. Naast den stam *kwikwa-, *kwiku- de stam *kwiwa- in got. qius “levend”, dat identisch is met ier. beo “id.”, gr. bíos “leven” en ablautet met lat. vîvus, obg. živŭ, lit. gývas, oi. jîvá- “levend”. Hierbij o.a. nog: ier. bith “wereld”, lat. vîvo, gr. bíomai, bióō, zṓō “ik leef”, obg. živą, žiti “leven”, lit. gyjù “ik herleef”, gaivùs “levendig”, alb. ngê “kracht”, arm. keam (*gijâmi) “ik leef”, oi. jívati “hij leeft”. Zie kweek, kweken. De ablaut kwikw-: kwaikw- wijst op een reeds oergerm. basis kwĭkw-, kwaikw- met gebroken reduplicatie. Of we echter een reeds oergerm. bnw. *kwikwa- “levend” mogen aannemen naast *kwiwa- is onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwik 1 bijv.(levendig), Mnl. quic. Onfra. quic + Ohd. kwec en kec (Mhd. quec en kec, Nhd. queck en keck), Ags. cwicu (Eng. quick), Ofri. quik, On. kvikr. Go. qius + Skr. jīvas = levend, Arm. keam = ik leef, Gr. bíos en zōḗ = leven (b = Idg. g, z = Idg. g i̯). Lat. vivere = leven, Oier. beo, Osl. źivŭ = levend: Idg. wrt. geiṷ; Germ. wrt. kwiw; al de Germ. vormen behalve Go. beantw. aan kwikw- assim. uit kwiw-.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Kwik; kwikstaart, kwikzilver, ’t Eerste woord, mnd. quic, verwant met got. quius, lat. vivus, beteekent levendig, vroolijk. Kwikstaart is een samenstelling met dit b.nw. of met den stam van het hiervan afgeleide ww. kwikken. Kwikzilver, mnl. quicksilver, de benaming van een zilverkleurig metaal, dat vloeibaar en bijzonder beweeglijk is, ook bij afkorting kwik genoemd, is een samenstelling van kwik en zilver en een vertaling van het lat. argentum vivum. Hetzelfde kwik, zelfstandig gebruikt, is door Roemer Visscher gebruikt als benaming voor een klein, grappig gedichtje, en wordt nu nog, dikwijls in verbinding met strik, gebruikt voor een klein beweeglijk sieraadje, als lintjes, en derg.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwiek* levendig 1897 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut