Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwibus - (dwaas persoon, zonderling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kwibus zn. ‘dwaas persoon, zonderling’
Vnnl. quibus ‘dwaas persoon’ in wet raatelt deuse gek, wet ryt me deuse quibus? ‘wat kletst deze gek, wat valt deze kwibus me lastig’ [1662; WNT kwibus].
Waarschijnlijk met verkorting ontleend aan Middelfrans coquibus ‘onwetende’ [1425-50; Grandsaignes], een woord uit de laat-middeleeuwse studententaal; ongetwijfeld wordt met dit pseudolatijnse quoquibus het gebrabbel nagebootst van iemand die het Latijn niet goed machtig is. FEW oppert de minder waarschijnlijke mogelijkheid van verband met coq ‘haan’: coquibus zou in het Middelfrans een bijnaam zijn voor een zot, onnozel persoon, vergelijk Oudfrans coquidet ‘gek’ en de familienaam Coquibus. Traditioneel werd kwibus afgeleid van Latijn quibus (ablatief meervoud) in cum quibus ‘met dewelken’ in een zin uit de katholieke liturgie, uitgesproken door de priester op het moment dat de diaken bij hem kwam staan; cum quibus zou door het volk schertsend opgevat zijn als ‘Kom, kwibus’. Deze uitleg maakt echter niet helder waarom het woord een pejoratieve betekenis heeft gekregen. In een oudere opvatting wordt het woord als variant beschouwd van Latijn quidam ‘een zeker iemand’ (met ongunstige betekenis). Het is inderdaad niet uit te sluiten dat quidam gecombineerd is met een volkse naam met de uitgang -us, zoals Kobus, Dorus, Manus, Drikus, tot een nieuwe vorming kwibus. Een soortgelijke vorming is het West-Vlaamse woord met dezelfde betekenis kwibias (De Bo), wrsch. uit quidam plus Tobias?
Lit.: R. Grandsaignes d'Hauterives (1947), Dictionnaire d'ancien français, Moyen Age et Renaissance. Larousse, Paris; J. Vercoullie (1914), ‘Van jakken en jassen. Van kwidams en kwibussen’, in: Volkskunde. Tijdschrift voor Nederlandsche Folklore 25, 12-16; E. Dewolfs (1952), ‘Een nieuwe etymologie van kwibus’, in: Eigen Schoon en de Brabander 35, 282-283

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwibus [dwaas] {1662} wel overgenomen uit latijn quibus, 6e nv. mv. van quis [welke] en dan schertsend losgemaakt uit een lat. zinsverband in kerklat. of studententaal. Denkbaar is een ontlening in de situatie waarbij de celebrant van de mis in de prefatie een … cum quibus … uitspreekt, waarop diaken en subdiaken zich bij hem voegen, zodat grappenmakers daarvan … kom kwibus … maakten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwibus znw. m., eerst 17de eeuws, zal wel een woord van de studententaal zijn = lat. quibus.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwibus znw., niet bij Kil., wel 17.-eeuwsch. Wsch. de lat. pronominale dat.-ablat. quibus: wsch. ʼt eerst in de studententaal in de tegenwoordige bet. gebruikt (als schertsende variant van quidam “zeker iemand”?).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwibus m., uit den aanhef van de laatste § der praefatie cum quibus, schertsend verstaan als “kom Kwibus”, want als de celebrant deze woorden spreekt, gaan diaken en subdiaken, die tot dan achter hem op de altaartrappen stonden, zich bij hem vervoegen en aan zijn zijden staan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kwibedo, zn.: kwibus. Contaminatie van kwibus en kipedo < Cupido.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

kwibus, zn. m.: zot, dwaas. Door alle etymologische woordenboeken verklaard uit Lat. quibus, dat. mv. van quis, als een deel van een Latijnse mistekst; cum quibus zou zelfs als 'kom kwibus' verstaan zijn. Ongetwijfeld veeleer verkort uit Ofr. coquibus 'onnozel, dwaas' (Eigen Schoon en de Brabander 35 (1952), 282-283). Ook familienaam Coquibus. Fr. coq 'haan', symbool van de trots en vandaar van verwaandheid, dwaasheid, en Lat. uitgang (dat.mv.) -ibus. Vgl. ook Ofr. coquidé gek'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kwibus, kwibias (DB), zn. m.: zot, dwaas. Verkort < Ofr. coquibus ‘onnozel, dwaas’ (Eigen Schoon en de Brabander 35 (1952), 282-283). Ook familienaam Coquibus. Fr. coq ‘haan’, symbool voor de trots en vandaar van verwaandheid, dwaasheid, en Lat. uitgang (datief mv.) -ibus.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kwibus: rare vent; snoeshaan; dwaas; gek. Oorspronkelijk studententaal. Mogelijk (in de zeventiende eeuw) ontleend aan een Latijns kerklied Cum quibus (met wie), door het volk opgevat als ‘kom, kwibus’, waardoor kwibus in gebruik raakte als persoonsnaam.

‘’t Is ’n kwiebus!’ verklaarde Anna. (Marcellus Emants, Inwijding. Haags leven, 1901)
Kom kwibus, we gaan ontbijten. (Cissy van Marxveldt, Een zomerzotheid, 1927)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kwibus (van Latijn quibus)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwibus dwaas 1662 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1308. Een kwibus,

d.i. een vreemde, rare vent, een zot, een kwit (Twente; ook Antw. Idiot. 737), een kwantOver den oorsprong zie Franck-v. Wijk, 846., een kwibias (De Bo, 596). Het woord komt in de 17de eeuw meermalen voor. Zie Van Moerk. 457; 468; Kluchtspel II, 159; verder Halma, 525: Quibus, een regte quibus, un sot fieffé; Sewel, 657: 't Is een regte quibus, he is a fool, a simpleton; fri. kwibus, snaak, grappenmaker; Molema, 234 a: kwiebis (kwibus), vroolijke, aardige snaak; voor Zuid-Nederland vgl. Tuerlinckx, 579: de kwibus spelen, zich dwaas aanstellen; Teirl. II, 194: kwiebuus; soms van vrouwen. Waarschijnlijk is dit znw. kwibus de dat. abl. plur. van quis, qui, wie, welk. Zie Vercoullie in Volkskunde XXV, 13: ‘Tal van geijkte Latijnsche formules uit de wetenschappen of uit het scholierenlatijn of uit de kerkelijke teksten waren er die het volk woordelijk kende. De minste homonymie met een woord uit de volkstaal of een invallend grappig verband was bij de ernstigen, zelfs bij predikanten, voldoende om ook zonder ontzag voor het heilige een scherts te maken, die eindigde met in de volkstaal door te dringen. Zoo is de oorsprong van kwidamSedert de 16de eeuw bekend. Zie Ndl. Wdb. VIII, 778 en vgl. fr. quidam certain individu, personne dont on tait le nom. te zoeken in het Homo quidam fecit coenam magnam (= een zekere man richtte een grooten maaltijd in), dat men dikwijls in het lof na de eerste benedictie zingt, waarin Homo quidam kon opgevat worden als Baas Kwidam. Voor Kwibus is het ongetwijfeld het cum quibus waarmee de laatste § van de gewone prefatie begint, vooral als men in aanmerking neemt dat als de celebrant deze woorden zingt, de diaken en de subdiaken, die tot dan elk afzonderlijk achter hem stonden, nu bij hem komen om hem voorts te bedienen, en dat het woord Kwibus alleen voorkomt bij ons, wier taal de homonymie cum quibus = kom, kwibus toelaat’In het Fransch heeft quibus de beteekenis van geld; vgl. de quoi..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal