Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwellen - (pijnigen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kwellen 1 ww. ‘pijnigen’
Mnl. quellen ‘folteren; kwellen, in het nauw brengen’ [1240; Bern.], in met epilemsien ... gequellet ‘gekweld door toevallen’ [1265-70; VMNW], uasten ... daer gi v seluen mede quellet ‘vasten, waar u uzelf mee kastijdt’ [1265-70; VMNW], op radere quellen ‘folteren op raderen’ [14e eeuw; MNW], ook wel ‘lijden’ in een siecte ... daermen langhe mede quelt ‘een ziekte waar men lang aan lijdt’ [1434-36; MNW]; vnnl. quellen, kwellen ‘pijnigen, in het nauw brengen’ in alle droevige zwenken, die ons nu kwellen ‘alle droeve wendingen van het lot die ons nu kwellen’ [voor 1580; WNT zwenk], quellen ‘folteren, kwellen, lastigvallen’ [1599; Kil.].
Causatief van het verouderde sterke werkwoord kwelen ‘lijden (aan ziekte, pijn e.d.), kwijnen’. In het Middelnederlands kwam kwellen ook voor in de betekenis van kwelen, maar deze verouderde in het Vroegnieuwnederlands. Andersom kwam ook kwelen voor in de overgankelijke betekenis ‘pijnigen’, zelfs al in de oudste attestaties: onl. uan him gequelet ‘door hem gepijnigd’ [ca. 1100; Will.], there lichamon her dede quelen ‘hij liet hun lichamen pijnigen’ [1150-1200; Reimbibel]. Ook sterke en zwakke vervoeging beïnvloedden elkaar: quellen werd in de 16e en 17e eeuw vaak sterk vervoegd (qual, gequallen, ook quol, gequollen), terwijl kwelen op den duur meestal zwak werd vervoegd (kweelde, gekweeld). Opvallend is ook al de zwakke vervoeging gequelet ‘gekweeld’ in het Oudnederlands, aangezien kwelen in het Middelnederlands meestal nog sterk werd vervoegd (stamtijden qual(en), ghequolen).
Os. quellian ‘martelen’; ohd. quellen ‘pijnigen’; ofri. quella ‘kwellen’ (nfri. kwelle); oe. cwellan (ne. quell ‘onderwerpen, de kop indrukken’), me. cullen (ne. kill ‘doden’, zie → killen); on. kvelja ‘martelen’ (nzw. qvälja); < pgm. *kwaljan-, causatief bij het sterke werkwoord *kwelan-, waaruit naast kwelen: os. quelan ‘sterven’ (mnd. quelen ‘pijn hebben, gekweld zijn’ en door ontlening me. quaylen ‘terugschrikken, sidderen’, ne. quail); ohd. quelan ‘sterven’ (mhd. quelen); oe. cwelan ‘sterven’. Zie ook het zn.kwaal.
Verwant met: Oudpruisisch golis ‘dood’, gallintwei ‘doden’, Litouws gélti ‘steken, pijn doen’, gėlà ‘pijn’; Oudkerkslavisch žęla ‘smart’, žalĭ ‘pijn’ (Russisch žal' ‘medelijden’), Kerkslavisch žaliti ‘klagen’; Oudiers at-bai(l) ‘sterft’, Welsh vel ‘(hij) slaat’; Armeens kelem ‘ik pijnig’; < pie. *gwelH- ‘steken, doorboren; pijn; dood’ (LIV 207, 208).
kwel zn. ‘ellende’ in kommer en kwel. Mnl. eerst de vorm quelle ‘kwelling, leed, verdriet’ in te vergeefs ... es onse quelle ‘onze (zelf)kwelling is tevergeefs’ [1393-1402; MNW-R], onse wee en quelle ‘onze smart en ons leed’ [1480; MNW-P], dan ook quel ‘id.’ in si doen u groot quel ‘zij doen u groot leed aan’ [1450-1500; MNW]; vnnl. alle quellen zijn onlusten voor 't ghemoedt ‘alle kwellingen, smarten, zijn ...’ [1610-19; WNT]. Afleiding van kwellen. Na de 19e eeuw in de standaardtaal alleen nog in de uitdrukking kommer en kwel ‘narigheid’ [1984; Van Dale], die in het Middelnederlands voorkomt in de vorm commer ende quale, zie → kwaal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwellen1* [pijnigen] {quellen [pijnigen] 1201-1225} oudsaksisch quellian, oudhoogduits quellen, oudengels cwellan, oudnoors kvelja, causatief bij middelnederlands quelen [lijden, kwijnen], middelnederduits quelen, oudhoogduits quelan [pijn lijden], oudengels cwelan [sterven] (vgl. kwellen2, kwaal).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwellen 1 ww., mnl. quellen ‘folteren, kwellen, plagen’ (intrans.) ‘sukkelen, kwijnen, lijden, bedroefd zijn’, os. quellian, ohd. quellen (nhd. quälen), oe. cwellan, on. kvelja ‘martelen’, soms ‘doden’, een afl. van kwaal. — Zie ook: kwalster 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwellen ww., mnl. quellen “folteren, kwellen, plagen, verontrusten”, ook intrans. “sukkelen, kwijnen, lijden, bedroefd zijn”. = ohd. quellen (nhd. (quälen), os. quellian, ags. cwellan, on. kvelja “martelen”, in sommige talen ook “dooden”. Causativum van mnl. quēlen enz.: zie kwaal.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwellen ono.w., Mnl. quellen, Os. quellian + Ohd. quellen (Mhd. queln, Nhd.quälen), Ags. cwellan, On. kvelja: met e = ä factit. van kwelen. Het Nndl. werkw. is ten onrechte soms sterk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kwellen ‘pijnigen; (verouderd) lijden’ -> Frans dialect dicwèli, discwèli ‘kwijnen, verzwakken’; Negerhollands quiel ‘verwelken (van bloemen en planten)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwellen* pijnigen 1201-1225 [CG II1 Floyris]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut