Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kween - (oude, truttige vrouw; onvruchtbare koe)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kween zn. ‘oude, truttige vrouw; onvruchtbare koe’
Onl. quena ‘echtgenote, vrouw’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. quene ‘oude vrouw die geen kinderen meer kan krijgen’ [1240; Bern.], dan ook als scheldwoord ‘wijf, oud wijf’ in hoe men wiuen ende ouden quenen moet gelouen ‘wat men van vrouwen en oude wijven moet geloven’ [1265-70; VMNW], ‘onvruchtbare koe’ in ossen, coeyen ende quenen ‘ossen, koeien en onvruchtbare koeien’ [1444; MNW], vnnl. een oude quene van tseventich iaren ‘een oude vrouw van 70’ [1544; MNW-R], quene ‘echtgenote; lome, ijdele, praatzieke vrouw; verdorven vrouw; onvruchtbare vrouw; onvruchtbare koe’ [1599; Kil.], quene ‘onvruchtbare koe’ in vlees van ossen, koeyen, quenen, veersen [1617; WNT].
Het is niet helemaal zeker of het bij kween in beide betekenissen wel om hetzelfde woord gaat. Als dat inderdaad zo is, dan heeft de betekenis zich wrsch. ontwikkeld van ‘vrouw’ > ‘oude vrouw’ > ‘onvruchtbare vrouw’ > ‘onvruchtbaar rund’. Minder wrsch. is (NEW) dat het homoniemen zijn, waarbij kween ‘onvruchtbaar rund’ een afleiding is van de wortel van → koe.
Ohd. quena, cwena ‘vrouw, echtgenote’ (nhd. Queen, Quän ‘jong vrouwelijk rund’); oe. cwene ‘vrouw, slet’ (ne. quean ‘slet, lichtekooi’); on. kona (nzw. kvinna ‘vrouw’); got. qinō ‘vrouw’; < pgm. *kwenō-. Daarnaast ablautend pgm. *kwēni-, waaruit: os. quān ‘echtgenote’; oe. cwēn (ne. queen ‘koningin’); on. kvæn, kván ‘echtgenote’; got. qēns ‘id.’.
Indien kween ‘onvruchtbare koe’ bij koe hoort, dan zou het teruggaan op pgm. *kwī-nōn-, waarbij met ander achtervoegsel ook on. kvíga ‘jonge koe’ (nzw. kviga ‘vaars’) < pgm. *kwī-gōn-.
Pgm. *kwen-, *kwēn- is verwant met: Grieks gunḗ; Sanskrit jáni-, -jāni-; Avestisch jəni- (Perzisch zan); Oudpruisisch genno; Oudkerkslavisch žena (Russisch žená); Oudiers ben < guenâ; Armeens kin; Albanees zonjë; Tochaars A śäm, Tochaars B śana; alle ‘vrouw, echtgenote, enz.’; < pie. *gwenh2-, *gwonh2-, *gwn- (IEW 473-474).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kween* [oude vrouw] {oudnederlands quena 901-1000, middelnederlands quene} oudsaksisch, oudhoogduits quena, oudnoors kona, gotisch qino [vrouw] en ablautend oudsaksisch quān, oudengels cwēn(e) [vrouw, koningin], cwene [vrouw, slavin, hoer] (engels queen [koningin] en quean [slet]), oudnoors kvān, gotisch qēns [echtgenote]; buiten het germ. grieks gunè, oudiers ben, oudkerkslavisch žena, oudindisch jāni- [vrouw].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kween 1 znw. v. ‘oude vrouw’, mnl. quēne ‘vrouw, oudere vrouw’, onfrank, quĕna ‘uxor’, os. quena ‘vrouw, echtgenote’, oe. cwene ‘vrouw, hoer’, got. qinō ‘vrouw’ < germ. *kwinō. — Daarnaast nultrap *kunō in on. kona ‘vrouw’ en rekkingstrap in *kwēni vgl. os. quān ‘vrouw, echtgenote; oe. cwēn ‘vrouw, uxor’ (ne. queen), on. kvān, kvœn got. qēns ‘vrouw, echtgenote’. — Idg. grondvorm is *genā vgl. oi. gnā ‘vrouw van een god’, av. gənā, γnā, ‘vrouw’, gr. gunế ‘vrouw’, boeot. baná, oiers ben (< * genā), opr. genna ‘vrouw’, osl. žena ‘vrouw’, toch. A. säm, Β śana ‘vrouw’ (IEW 473-4).

kween 2 znw. v., mnl. quēne ‘onvruchtbare koe’, nnd. kwēne, westf. kwīne ‘jonge koe’. Daarnaast staat nnl. kwee, dat misschien ontstaan is, door kween als meerv. op te vatten (vHaeringen Suppl. 94; maar waarom?). Daarentegen neemt W. de Vries, Woordv. 23 invloed van het woord koe aan.

FW 362 neemt aan, dat dit woord hetzelfde is als kween 1. Maar als wij daarmee vergelijken on kviga ‘jonge koe, kvigr ‘stierkalf’, dan is met Holthausen Wb, des Alt-westn. 168 een afl. van de stam van koe toch wel waarschijnlijk. Johansson UUÅ 1927, 71 leidt kviga < idg. *guī-kā af, zo zou kween een *guī-nā kunnen weergeven. — Voor het uitbreidingsgebied in Neder-Saksen. zie H. Wesche, Fschr. L. Wolff 1962, 87-89.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kween I (oude slet), mnl. quēne v. “vrouw, vrouw op leeftijd”. = onfr. quëna v. “uxor”, ohd. quëna v. “vrouw”, os. quëna v. “vrouw, echtgenoote”, ags. cwëne v. “vrouw, hoer”, got. qino v. “vrouw”. Met ablaut: 1. on. kona v. “vrouw” (voor den ablaut vgl. komen), 2. os. quân v. “vrouw, echtgenoote”, ags. cwên v. “id.” (eng. queen), on. kvân, kvæ̂n v., got. qens v. “id.” (*kwêni-). Buiten het Germ.: ier. ben “vrouw”, gr. gunḗ, boeot. banấ, obg. žena, opr. genna, genno “id.”, arm. kin “echtgenoote”, oi. jánĭ-, jâni- (= germ. *kwêni-) “vrouw”, gnấ “godenvrouw”.

kween II (onvruchtbare koe), is wsch. ʼt zelfde woord als kween I; immers quēne is in deze bet. reeds mnl. en blijkbaar ouder dan ʼt synoniem nnl. kwee. Vgl. voor de bet. mier. ainder “jonge vrouw” (uit ʼt Kelt., bask. andre “vrouw”): bret. ounner, kymr. anner “vaars”, okymr. enderic “vitulus”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] kween II. Ook ndd. dial. Westf. met opvallende vocaal kwîne.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kween II (onvruchtbare koe). Het synonieme nnl. kwee is misschien opgekomen doordat men in de -n(e) een flexie-uitgang zag: vgl. de — niet geheel gelijksoortige — gevallen van els II, zeis. Daar kwee reeds in de 17e eeuw voorkomt, toen ook nog de vorm op -ne bestaan zal hebben, is de verklaring van W.de Vries Woordv. 23 uit invloed van het vocalisch eindigende koe minder waarschijnlijk. — Vgl. nog nnd. kwêne ‘jonge koe’, westf. kwîne (v.Wijk Aanv.). Over het vocalisme van deze en andere ndd. vormen zie Sarauw Ndd. Forsch. I, 54 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kween v., Mnl. quene, Onfra. en Os. quena + Ohd. quena (Mhd. kone), On. kona (Zw. id., De. kone), Go. qino (= vrouwspersoon); met ablaut Os. quân, Ags. cwén (Eng. queen d.i. vrouw des konings), On. kvân, Go. qens (= echtgenoote) + Skr. janis, Arm. kin, Gr. gunḗ, Oier. ben, Osl. žena = vrouw: Igd. wrt. gen, verwant met wrt. ǵen) (z. kind).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kween s.nw. Ook soms kwen, kwien en kwyn en ook, streektaal, kwin en kwint (veral in bet. 1).
1. Onvrugbare vroulike dier. 2. (minder gebruiklik; neerhalend) Kinderlose of onvrugbare vrou. 3. Sedelose vrou. 4. Onverfynde of soms twissieke en bemoeisieke vrou. 5. (ongewoon) Persoon wat onproduktief is, veral wat publikasies van letterkundige aard betref.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. kween (Mnl. quene). Bet. 4 en 5 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekeninge in Afr. in bet. 1 by Pannevis (1880) in die samestelling kwienkoei en by Mansvelt (1884) in die vorm kween.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kween: onvrugbare dier (meer bep. koeie en merries; by bok- en skaapooie word gew. v. gus (q.v.) gepraat), so o.a. by Trig (lRo T DLT 245); Ndl. (begin 17e eeu) kween, o.a. “onvrugbare koei” (by vRieb (mv.) qeuen; vroeër ook “onvrugbare vrou”, soos in Mnl. quene), Eng. (veroud.) quean ter ondersk. teenoor queen – hierdie gebr. v. kween gaan terug op Gr. gunê, “vrou”.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kween: (in Vlaanderen) overdreven vrome en preutse vrouw. Betekent eigenlijk ‘onvruchtbare koe’.

‘’t Is zeker die kween ginder, die u dat oplegt,’ preutelde Fine. ‘Kwezel bij gebrek aan ezel! Had ze maar ’nen notaris of ’nen dokter kunnen krijgen, of ’n rijken vent, ze zou er niet op gespuwd hebben! Nu bidt ze Ons-Heer van zijn kruis!’ (Reimond Stijns, Hard labeur, 1904)
Nette bekende dat zij eigenlijk ook geen kween geweest was in heure tijd en dat ze iedereen zijn eigen gang liet gaan. (Ernest Claes, Charelke Dop. 10de druk, 1960. 1ste druk 1923)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kween ‘onvruchtbare koe’ -> Duits dialect † Queen ‘onvruchtbare koe’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kween* onvruchtbare koe 1444 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut