Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwee - (peervormige vrucht)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

kweepeer zn. ‘vrucht, cydonia oblonga’
Mnl. quedeboem ‘kweeboom’ (1330), verder Mnl. que(e)de v. ‘kwee’ en quede appel ‘kweeappel’. Later valt de d tussen de klinkers weg, vandaar bij Kiliaan (1599) que en que-appel ‘malum cydonium’ naast o.a. que-peyre ‘malum strutheum’. Het verschil tussen beide samenstellingen wordt in 1554 als volgt door Dodoens beschreven: Queappelen sijn tweederleye / Die eene sijn ront ende worden gheheeten Queappelen / Die andere sijn meerder ende ghefatsoeneert ghelijck die Peeren ende dese worden Quepeeren ghenaemt. Zie voor meer uitleg en illustraties het Cruijdeboek. Nnl. kwee, quee blijft tot in de twintigste eeuw in algemeen gebruik naast de samenstellingen kweepeer en kweeappel.
Verwante vormen: Mndd. quede, Ohd. quitina, Mhd. quiten, Mohd. Quitte f. De afwezigheid van het n-suffix in het Middelnederlands en ‑nederduits is opvallend. Mogelijk is *kwedene > Mnl. *kweden als een meervoud opgevat, en heeft men er een nieuw enkelvoud kwede van afgeleid.
Westgermaans *kwidina is een leenwoord uit Latijn *quidōnea dat zelf uit het Grieks komt. De combinatie qui- gebruikt het Latijn soms om Grieks ku- weer te geven, al vinden we in geschreven bronnen enkel Lat. cydōnia. De Oudgriekse vormen kudṓnia (mãla) ‘Kydonische (appels)’, kudōnéa ‘kweeboom’, verwijzen naar de stad Kydōnía op Kreta. Dat is een volksetymologie: de oudere naam van de vrucht is Gr. kudómalon, een leenwoord uit Anatolië.
Hetzelfde woord belandde nog in een andere vorm in het Latijn, als cotōneum. De t kan wijzen op een Etruskisch tussenstadium in de ontlening, maar er kan ook contaminatie met Gr. kóttanon ‘klein soort vijg’ > Lat. cottanum in het spel zijn. In het Galloromaans ontstond *kodoneum, en vandaaruit Oudfrans cooin, MoFra. coing. Het Oudfranse woord kwam in het Middelengels als coyn terecht, waarvan MoE quince een oorspronkelijk meervoud is. Op *kodoneum gaan ook de Hoogduitse vormen Ohd. kottana, kutin(n)a, cudina, Mhd. kütten en Mohd. (verouderd) Kütte terug, die met quitina, Quitte concurreerden. De Westvlaamse, veertiende-eeuwse varianten code en codeappel ‘kwee’ (1351) lijken eveneens *kodoneum voort te zetten.
[Gepubliceerd op 30-10-2014 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwee1 [vrucht] {quede(ne) 1380-1420} oudhoogduits qitina (hoogduits Quitte) < laat-latijn quidonia < latijn malum citoneum, (malum [appel]) < grieks kudōnion malon, (malon [appel]), van kudomalon, een voor-gr. woord, dat werd geïnterpreteerd als appel van de stad Cydonia op Kreta → merkaton.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwee znw. v., mnl. quēde, onfrank. quidena, mnl. quede, quedde, ohd. qitina < lat. quidonia. — De boom hoort thuis in Transkaukasië, Iran en Turkestan. De Grieken leerden daar de boom kennen en noemden hem kudómalon, waarvan het 1ste lid aangepast is aan de naam van de kretische stad Kudónia. Bij de overname in het Latijn werd ku- door qui- weergegeven.

Door Etruskische bemiddeling kwam de naam in de vorm cotonea in het Latijn, waaruit vulg. lat. codonea. Dit werd overgenomen als ohd. kutinna, frank, cudina, vgl. mhd. küten, kutten, nhd. kütte(n). Deze woorden zijn met de vroegmiddeleeuwse kloostercultuur in het Germaans binnengedrongen. Maar reeds in de Romeinse tijd werd de kwee in Duitsland bekend als naam. voor kleine Syrische vijgen, die ook cotonea genoemd werden; daaruit ontstond ohd. chozzana (voor de duitse klankverschuiving!) en cottana (daarna).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwee znw., mnl. quēde v. = mnd. quēde, quedde v. “kwee”. Identisch met of een formantische variant van mhd. quiten v. (nhd. quitte) “id.”. Hiernaast mnl. cōde v., ohd. chutina v. (nog zwits. χütene), ags. cod-æppel m. “id.”. Deze laatste vormen kunnen uit mlat. cotônea resp. cydônia (gr. kudṓnia) “kwee” ontleend zijn. Voor de boven geciteerde vormen met qu is die afl. wegens den anlaut onzeker. [Evenmin kunnen zij als eng. quince uit fr. coing “kwee” verklaard worden.] Vgl. echter bij keule en kolokwint.

[Aanvullingen en Verbeteringen] kwee. De vormen met qu- uit een lat. (in de 6. eeuw voorkomenden) vorm met qui- : qui- is een gewone lat. representatie van ’t ku- van gr. leenwoorden. Ohd. chutina uit lat. (mâla) cudenaea of een dgl. vorm; de o-vormen (ook ohd.) uit lat. vormen met o. Lat. (niet eerst mlat.) cotôneun, -ium (-a), gr. kudṓnion kunnen van kleinaziatischen oorsprong zijn (hier en in aangrenzende streken is de vrucht inheemsch), gr. kodúmalon wordt wel voor een ouderen vorm dan kudṓnion gehouden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kwee. De vormen met qu- zijn ontleend aan een later-lat. vorm met qui-, een gewone weergeving van ku- in ontleningen uit het Gr. Ook (mâla) qudenaea, cudenaea komt voor; hieruit wsch. ohd. chutina: v.Wijk Aanv. Lat. cotôneum, gr. kudṓnion (ouder koduma͂lon) zijn wsch. uit een klein-aziatische taal afkomstig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwee v., Mnl. quede, gelijk Ndd. id., Mhd. quiten (Nhd. quitte), alsook Fr. coing (Eng. quince), uit Lat. cydonium, van Gr. kudṓnion, wellicht een Aziat. w.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kweper s.nw.
1. Eetbare vrug van die kweperboom met 'n harde, geelwit, suurderige vleis en 'n klokhuis met 'n soort jellieagtige stof. 2. Kweperboom.
Uit Ndl. kweepeer (Mnl. quedepeer, quepeer). Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm kweeper en in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm kweper.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kweper: vrug- en pln. (Cydonia vulgaris, fam. Pomaceae); Ndl. kweepeer/kweeappel (Mnl. que(de), by vRieb quee, (mv.) queen), verw. aan Eng. quince uit Fr. coing en gew. verb. aanvaar m. Lat. cydōnia uit Gr. kudōnia, “kweperboom”, en kudōnion mêlon, “appel v. Kudonia” (Cydonia), ’n stad v. Kreta, maar heelwat i.s. aard v. samehang en ontw. nog duister.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kweepeer ‘peervormige vrucht van de kwee’ -> Noord-Sotho kwepere ‘peervormige vrucht van de kwee’ ; Tswana kwepere ‘peervormige vrucht van de kwee’ ; Xhosa kwepile ‘peervormige vrucht van de kwee’ ; Zoeloe kwipili ‘peervormige vrucht van de kwee’ ; Zuid-Sotho kwepere ‘peervormige vrucht van de kwee’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwee vrucht 1330 [Jacobs 20] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut