Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwartel - (vogel (Coturnix coturnix))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kwartel zn. ‘vogel (Coturnix coturnix)’
Mnl. quaccle, quackele ‘kwartel’ [1240; Bern.], quattele [ca. 1375; MNW]; vnnl. quartel [1537; Pelegromius].
Klanknabootsend woord met oude verkleiningsuitgang -el zoals ook in sommige andere diernamen, bijv. hommel, zie → druppel. Het is onduidelijk of, en zoja hoe, de huidige vorm kwartel is ontstaan uit de oudere, maar nu nog slechts gewestelijke varianten kwakkel en/of kwattel. Volgens Eigenhuis (2004) zou het gewicht van een kwartel ongeveer een kwart van dat van een patrijs bedragen en is er dus sprake van volksetymologie.
De klanknabootsende vogelnaam is al veel eerder geattesteerd als middeleeuws Latijn quaccola, quaccoles, quacules (Noord-Frankrijk) [8e eeuw; TLF], dat ook tot Frans caille ‘kwartel’ heeft geleid. In het Duits werd de slag van de kwartel zonder begin-k gehoord: Wachtel (ontleend als nde. vagtel, nzw. vaktel).
Mnd. quartele.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwartel [hoenderachtige] {1608} nevenvorm van kwakkel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwartel znw. m. v., nederrijns kwortel, volgens Th. Frings, Germ. Rom. 1932, 175-6 overgenomen uit rom. quarquara (een klankwoord) en vermengd met het ohd. wahtila. — Zie ook: kwakkel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwakkel znw., mnl. quackel(e) (wsch. v.). = mnd. quackele v. “kwakkel”. Onomatopoëtisch (vgl. kwak II), evenals mnl. quattele, ohd. quattala, os. quattula v. “id.” en nnl. kwartel, een ook ndd. en fri. woord. Vgl. de woordfamilie van mlat. quacara, quacula, rhaet. quacra, it. quaglia, fr. caille “id.”, in de Reichenauer glossen quacoles, quacules “kwakkels”. Ontl. uit het Germ. (eventueel omgekeerd in ’t Germ. uit het Rom.) is mogelijk, maar die veronderstelling is heelemaal niet noodig. Ook wachtel, mnl. wachtele, ohd. wahtala (nhd. wachtel), mnd. wachtele, ags. wiehtel v. “kwartel” zal wel van een klanknabootsend *wak zijn afgeleid. Een idg. benaming schijnt bestaan te hebben, blijkens gr. órtux, oi. vártikâ-, vartaka- “kwartel”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwakkel m., Mnl. quackele + Ndd. quakkel + Mlat. quaquila (Fr. caille, Eng. quail); daarnevens Mnl. quattele, Mndd. id., Ohd. quattala; ook Mndd. quartele, Mnl. kwartel: alle drie vormen (kwakkel, kwattel, kwartel) onderling verwant en onomat. (z. ook wachtel).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kwakkel 1, zn.: kwartel; blunder, vals krantenbericht. Ook Vlaams en Brabants. Mnl. quackel ‘kwartel’, Vnnl. quackel voghel ‘caille’ (Lambrecht), quackel ‘kwartel’ (Kiliaan). Mnd. quackele < Mlat. quaccula. De betekenis ‘vals krantenbericht’ is wellicht hierdoor te verklaren: wie bij het boogschieten maar een kwartel van de volgelmast schoot, die schoot eigenlijk een bok. Vgl. toch ook Fr. canard ‘valse noot > vals bericht’, D. Ente, Zeitungsente.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kwakkel, zn.: kwartel; blunder, vals krantenbericht. Ook Vlaams. Mnl. quackel ‘kwartel’, Vnnl. quackel voghel ‘caille’ (Lambrecht), quackel ‘kwartel’ (Kiliaan). Mnd. quackele < Mlat. quaccula. De betekenis ‘vals krantenbericht’ is wellicht hierdoor te verklaren: wie bij het boogschieten maar een kwartel van de volgelmast schoot, die schoot eigenlijk een bok. Vgl. toch ook Fr. canard ‘valse noot > vals bericht’, D. Ente, Zeitungsente.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kwakkel zn. m.: kwartel; stommeling. Ook Vlaams, evenens in de bet. ‘blunder, vals krantenbericht’. Mnl. quackel ‘kwartel’, Vnnl. quackel ‘kwartel’, Vnnl. quackel voghel ‘caille’ (Lambrecht), quackel ‘kwartel’ (Kiliaan). Mnd. quackele < Mlat. quaccula.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

kwakkel (B, G, W), zn. m.: kwartel; blunder, vals krantenbericht. Mnl. quackel 'kwartel', Vnnl. quackel 'kwartel', Vnnl. quackel voghel 'caille' (Lambrecht), quackel 'kwartel' (Kiliaan). Mnd. quackele < Mlat. quaccula. De betekenis 'vals krantenbericht' is wellicht hierdoor te verklaren: wie bij het boogschieten maar een kwartel van de volgelmast schoot, die schoot eigenlijk een bok. Vgl. toch ook Fr. canard 'valse noot > vals bericht', D. Ente, Zeitungsente.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kwakkel, zn. m.: kwartel > blunder > dwaas, oen. De bet. ‘blunder’ is zo te verklaren omdat de kleinste vogels onderaan op de vogelmast kwakkels waren. Wie maar een kwakkel afschoot, had dus eigenlijk een bok geschoten. Mnl. quackel ‘kwartel’, Vroegnnl. quackel ‘coturnix, ortyx’ (Kiliaan). Mnd. quackele < Mlat. quaccula.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kwartel: – kwakkel – , patryss. (Coturnix coturnix africana, fam. Perdicidae/Phasianidae); Ndl. kwartel/kwakkel, albei wsk. ontln. aan Rom. tale en deureengeloop, ook m. Ndl. wachtel (Mnl. quackel/quackele en quattele), Hd. wachtel, Eng. quail, Fr. caille (Ofr. quaille), It. quaglia, uit Ll. quaquila/qualia/qualea/quacara/quacula, wat almal direk of indirek verb. hou m. Lat. coacula en kn. is.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

KWARTELCoturnix coturnix
Duits Wachtel
Engels Quail
Frans Caille des blés
Fries Kwartel
Betekenis wetenschappelijke naam: men neemt aan dat Coturnix een gelatiniseerde klanknabootsing is van de roep (de ‘drieslag’) van deze soort, met name van het mannetje. Dit geldt ook voor Kwartel, een naam die stamt uit het Griekse Wortux, het Oudperzische Vartax, het Oudhoogduitse Wahtala en het Latijnse Quaquila. Vergelijkbare namen in ons land zijn Kwakkel, Kwakel (Eem, Lb), Kwardel (Gr), Quartel, Wachel(e) (Ach, Twe) en Wachtel (Riv). Van de drie-lettergrepige kwartelroep zijn de volgende volksnamen afgeleid: Kuutjeblik (Gr), Kietkediet (ONB), Kikemedie (NB), Kwikmedit – in Engeland Quick-me-dick – Hutte-ke-dut (NB) en Prutje-Dut (Ach). De vogel wordt ook Korenschriek (Bet) genoemd omdat de soort vooral in gerst- en roggevelden broedt. Zie ook de Franse naam. Het naamdeel schriek, van het Oudsaksische werkwoord skrikon, betekent schreeuwer. Zie voorts bij de Kwartelkoning en Waterral. In zijn naam Gröskajjer (Ach) of Grozekajjer (Ach) lijken ‘knol’ en kanjer’ te zijn vervat, in welk geval z’n gedrongen uiterlijk in het veld wordt weergegeven. Maar ook kan ‘graskauwer’ (zoals bij de Grasmus) zijn bedoeld. De Friese woorden Kwakkeldôf en Kwarteldôf betekenen Oostindisch doof en duiden erop dat deze schuwe vogel doof lijkt, omdat hij bij gevaar pas op het allerlaatste moment op de vleugels gaat. Het is een gedrag dat hij toepast om z’n situatie niet te verraden, met name in het broedseizoen. Andere uitdrukkingen en zegswijzen waarin de vogel een rol speelt zijn: een kwakkelwinter; kwakkelen = sukkelen, b.v. met de gezondheid; zo vet als een kwartel; als de kwartel rustloos slaat, weet dan dat het spoedig regenen gaat.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kwartel: 1) (meestal voorafgegaan door dove) doof iemand. Reeds opgetekend bij Bredero: ‘Die dove Quartel, die Knor-pot, die rechte Vreck’.

…Op de táfel… Da’s ’n penitentie – zo’n dove kwartel… Wat heb je gelezen? (Herman Heijermans, Op hoop van zegen, 1900)
Hou jij je bek, dove kwartel! Wij willen ’t horen. (Paul Biegel, Anderland, 1990)

2) (jeugdtaal, eind vorige eeuw) vreemde snoeshaan; persoon die zich raar gedraagt.

Kwartel, vreemd figuur: wat is dat voor een kwartel, heeft ie een gaatje in z’n kop? (Cor Hoppenbrouwers, Jongerentaal, 1991)

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Quartel Oude schrijfwijze voor Kwartel, o.a. bij Dodonaeus 1608: “In Holland Quartels beyen om dat de quartelen oft quackelen deze beziën niet noode en eten.” > In Holland [heten deze bessen (bedoeld zijn de bessen van de Heggenrank Bryonia dióica)] Quartels-beyen, omdat de Kwartels (of Kwakkels) deze bessen heel graag eten (zie hiervoor ook sub Kwalster) [Kleijn 1979].

Quattel Quattele Mnl naam voor Kwartel [MH].

Kwartel Coturnix coturnix (Linnaeus: Tetrao) 1758. Kleine Hoenderachtige, die bij ons alleen ’s zomers voorkomt en zich bijna uitsluitend door zijn driedelige roep aan de mensen kenbaar maakt. Thijsse 1944 geeft de roep weer als: “kwikmedit, kwikmedat”, en de Engelsen als “wet-my-lips”. De groningse volksnaam Kuutjeblik ↑, helgolandfries Flikdibyks ↑, twents Hutketuk ↑ en achterhoeks Prutjedut zijn bedoeld als zuivere onomatopeeën.
vD 1904/1970 noemt naast Kwartel ook Kwakkel ↑. Groningse volksnamen zijn Kwaddel en Kwardel; Kwakel is limburgs [Albarda 1897] en in het rivierengebied kent men de naam Wachtel (in feite nog mnl), welke ook de officiële D naam is. De officiële friese naam luidt Kwartel (al minstens sinds De Vries 1912); hierin wordt de r niet uitgesproken. In oostfries Kwattel (De Vries 1912) wordt de r bovendien niet geschreven.
ETYMOLOGIE De naam Kwartel is ws. een verbastering (door een ingevoegde r) van mnl Quattel, Quattele [MH 1932]. Voor ohd quahtila zie onder Kwakkel. Een oude vindplaats van Quartel is bij Dodonaeus 1608: “In Holland Quartelsbeyen om dat de quartelen oft quackelen deze beziën niet noode en eten.” [Kleijn 1979 (zie ook sub Kwalster)]. Een nog oudere vindplaats is bij Pelegromius 1537 [Sijs]. In het gronings staan de vormen met en zonder r nog naast elkaar: Kwaddel en Kwardel (met stemhebbende d in plaats van stemloze t). Nederduits Kwartel kwartele ?kwart) van een Patrijs wogen, kan het woord quart bij de vorming van Kwartel (uit Quattel) een rol gespeeld hebben. Ws. is de reeks die tot Kwakkel ↑ leidt, inderdaad van oudere oorsprong.
Kwartel, Kwakkel en alle daarop gelijkende namen zijn van oorspr. wel geluidsnabootsingen. De drielettergrepigheid (van de Kwartelroep) is echter, na afslijting, verloren gegaan.
F Caille ‘Kwartel’ (Quaille) is qua uitspraak zelfs éénlettergrepig geworden; deze naam en het ww. carcailler ‘roepen (van de Kwartel)’ (zo weer wél 3-lettergrepig!) stammen van drielettergrepige woorden: m.e.Lat quaccola, quacula, quacara, quaquila (8e eeuw) [Robert 1993; C&C 1995]. Het onomatopoëtisch aspect bestaat voornamelijk uit de drielettergrepigheid; de klinkers in de weergave door de mens verschillen sterk. In bulgaars Пъдпъдък P’dp’d’k ‘Kwartel’ staat zelfs helemáál geen klinker!
De wetenschappelijke naam is van (klassiek)Lat Coturnix (>Sp/portugees Codorniz), waarvan door Coomans de Ruiter et al. 1947 wordt vermoed dat het, vanwege de drie lettergrepen, eveneens een zuivere onomatopee is. Stowasser 1900 vermoedt echter <*Co(c)-turnix, waarbij het suffix, hetzelfde als in Spinturnix (= ‘vonken-vogel’), mogelijk met dorisch ornix ‘vogel’ overeenkomt [Kinzelbach 1995 p.10; Muller-Renkema 1961]. Verder is er Gr Órtux <wortux ‘Kwartel’ (vgl. ook Ortugo-mḗtra sub Kwartelkoning), welke namen aansluiten bij middelperzisch Vartax en oudindisch Vartakas. [Coomans de Ruiter et al. 1947; Blok 1988].

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwartel hoendervogel 1537 [Pelegromius, Synonymorum Sylva]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

460. Zoo doof als een kwartel (of een kwakkel),

d.w.z. zeer doof, stokdoof; potdoof, zoo doof als een pot (die ooren heeft en niet hoort; fr. sourd comme un potTijdschrift, XXXVIII, 286.; ook een weinig doof; vgl. Molema, 232 b: kwarteldoof, een weinig doof, zooveel als oostinjesdoof; fri. kwarteldôf, een weinig doof. Eene sedert de 16de eeuw voorkomende uitdr., die aangetroffen wordt bij Sart. II, 9, 85: Soo doof als een Quartel, proverbium in eos, qui non audiunt; V. Moerk. 316: Een doove kwartel; Brederoo I, 17: De doove Quartel ick, met een ghemaeckte stem, bedrieghelijcken broght in dunne Netgis hem; Winschooten, 318: soo doof als een quartel of quakkel; Rusting, 490: Blint en doof gelyk een quartel; Kluchtspel III, 38; Halma, 524: zij is zoo doof als een quartel, zij is heel doof; Waasch Idiot. 184 b: zoo doof als een erpel (mannetjes eend), een mol, een kanon, een pot, een kwakkel. Zie verder Wander IV, 1039; Harreb. I, 462; III, CXLIX; Gunnink, 158; Ndl. Wdb. VIII, 708 en Eckart, 514: he es so dauf as en Quartel. De verklaring dezer uitdr. is moeilijk, daar een kwartel volstrekt niet doof is, evenmin als eene lijster, en toch vindt men in het later Latijn surdior turdo (doover dan eene lijsterSart. II, 9, 86; Journal, 14., en ook evenmin als een ekster of een snip, terwijl men toch in het Friesch zegt sa dôf as in ekster, as in snip naast sa dôf as in kwartel. Elders kent men ulke-doofGallée, 47 b en Draaijer, 44 a. Ook in Twente., dus zoo doof als een bunzing (Harreb. II, 353); in het Engelsch as deaf as an adder, zoo doof als een adder (vgl. echter Psalm 58, 5), oostindisch doof, allemaal dieren, waarvan het in 't geheel niet bekend is, dat zij die eigenschap bezitten. Daar de kwartel tot die dieren behoort, welke, wanneer zij angstig worden, stil op den grond ineengedoken blijven zitten, zoodat men er wel op kan trappen, zonder dat zij zich verroeren, of een geweer vlak bij hen kan afschieten, zonder dat zij opvliegen, zóózeer zijn ze door schrik en angst bevangen, is het niet onmogelijk, dat men ze voor doof heeft gehoudenAndere verklaringen vindt men in Harreb. I, 462 en Taal en Letteren IX, 224. Volgens J. Daalder, Handelsbl. 5 Sept. 1909 (Ochtendblad) verkeert het wijfje van den kwartel gedurende den broeitijd in een staat van verdooving en blijft het meermalen op het nest, wanneer men er bij postvat. Vandaar onze spreekwijze.. Een doove kwartel is een stokdoove.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut