Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwant - (kerel, snaak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kwant zn. ‘kerel, snaak’
Vnnl. quant ‘kerel’ in wij sellen nu hoven als quanten van lijven ‘wij zullen nu schransen als flinke kerels’ [1504; WNT hoven], al waert een quant grof ‘al was het een grove kerel’ [ca. 1525; WNT], als een lief quant ‘als een dierbare kameraad’ [1626; WNT].
Wellicht is er verband met het bn. mnl. quant ‘listig, sluw’ [eind 15e eeuw; MNHWS], dat verder overigens niet voor lijkt te komen. In dat geval is het, net als Engels quaint ‘eigenaardig’, ontleend aan Oudfrans cointe, quointe ‘gewiekst, listig’, ontwikkeld uit Latijn cognitum. Een andere mogelijkheid is ontlening aan middeleeuws Latijn quantus (bn.) ‘groot, belangrijk’, als woord uit de middeleeuwse studententaal. Dit is dan het naamwoordelijk gebruik van het klassiek-Latijnse bijwoord quantus, quantō ‘hoeveel, hoezeer’, afleiding van quam ‘hoe, hoezeer’, een verbogen vorm van het voornaamwoord quis, quid ‘wie, wat’, verwant met → hoe.
Mnd. quant ‘pedante, onbeduidende kerel’ (ontleend in het nzw. als kvant) zou dezelfde herkomst kunnen hebben. Hellqvist (1922: 374) vermoedt echter dat het Nederduitse en Nederlandse woord oorspronkelijk hetzelfde woord is als ne. quant ‘stok om mee te bomen’, met een niet ongebruikelijke betekenisontwikkeling van ‘stuk hout’ naar ‘(klunzig) persoon’, zie bijv.knuppel.
In oude vindplaatsen wordt het woord zowel in gunstige als in ongunstige zin gebruikt, afhankelijk van een bijvoeglijk naamwoord of andere context. Zonder nadere specificatie had het woord meestal een ongunstige betekenis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwant [vent] {quant [gezel, kameraad] 1555-1560, ouder als bn. in de betekenis ‘vals, sluw’ 1476-1500} etymologie onbekend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwanselen ww., sedert Kil.: quantselen “commutare, permutare”. Een nld. s-afl. of een ontl. uit het Hd.: du. diall. hebben quanzen, andere in ndd. vorm quanten, quenten “schacheren, ruilen, knoeien”. Mnl. komen voor quantelen “knoeien”, quantelaer m. “knoeier”, quantelicghe v. “knoeister”. Wsch. van mnd. quant m. “pedante, onbeduidende kerel” = ndl. kwant, sedert de 16. eeuw, bij Kil. behalve “scitus homo” ook “handelsvriend, klant”. Men verklaart dit woord wel uit ofr. coint (< lat. cognitus) “bekende, vriend”; dit werd echter in de 16. eeuw niet *kwant uitgesproken. Ook is men voor ʼt ww. van mlat. in quantum “voor hoeveel”, vandaar “auctie” (fr. encan) uitgegaan. De oorsprong blijft onzeker; ʼt is niet uitgemaakt, of kwant iets met mnd. quant m. “beuzelarij, wat slechts in schijn wat is” te maken heeft. Wellicht is kwant eenvoudig het schertsend, misschien ʼt eerst voor een schacheraar gebruikte lat. quantus (vgl. kwibus). Of zou ʼt uit de dieventaal kunnen komen?

[Aanvullingen en Verbeteringen] kwant. Mogelijk = eng. dial. quant “lange stok om te boomen, jong eikje, wandelstok”: vgl. zw. dial. kvatt 1. “onrijp hout”, 2. “big”, 3. (ook kvant) “kleine jongen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kwanselen. Ndl. kwant, mnd. quant wordt wel geïdentificeerd met eng. dial. quant ‘stok, vaarboom’, vgl. zw. kvant ‘kleine jongen, schelm’ (uit het Ndd.?), zw. dial. kvatt ‘onrijp hout; kleine jongen; big’ (v.Wijk Aanv.). Voor de bet.-ontw. vgl. dan b.v. bengel, kwast en dgl. woorden; zie ook dergelijke veronderstellingen bij knaap, knecht en knecht Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwant m., en Ndd. id., wellicht uit een tekst als Job IX, 14: quantus ergo sum ego = wat ben ik dan, schertsend verstaan als: een kwant dan ben ik. Eng. quaint niet verwant.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kwant ‘vent’ -> Frans dialect cande, câne ‘klant’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwant vent 1555-1560 [MNW] <?

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1308. Een kwibus,

d.i. een vreemde, rare vent, een zot, een kwit (Twente; ook Antw. Idiot. 737), een kwantOver den oorsprong zie Franck-v. Wijk, 846., een kwibias (De Bo, 596). Het woord komt in de 17de eeuw meermalen voor. Zie Van Moerk. 457; 468; Kluchtspel II, 159; verder Halma, 525: Quibus, een regte quibus, un sot fieffé; Sewel, 657: 't Is een regte quibus, he is a fool, a simpleton; fri. kwibus, snaak, grappenmaker; Molema, 234 a: kwiebis (kwibus), vroolijke, aardige snaak; voor Zuid-Nederland vgl. Tuerlinckx, 579: de kwibus spelen, zich dwaas aanstellen; Teirl. II, 194: kwiebuus; soms van vrouwen. Waarschijnlijk is dit znw. kwibus de dat. abl. plur. van quis, qui, wie, welk. Zie Vercoullie in Volkskunde XXV, 13: ‘Tal van geijkte Latijnsche formules uit de wetenschappen of uit het scholierenlatijn of uit de kerkelijke teksten waren er die het volk woordelijk kende. De minste homonymie met een woord uit de volkstaal of een invallend grappig verband was bij de ernstigen, zelfs bij predikanten, voldoende om ook zonder ontzag voor het heilige een scherts te maken, die eindigde met in de volkstaal door te dringen. Zoo is de oorsprong van kwidamSedert de 16de eeuw bekend. Zie Ndl. Wdb. VIII, 778 en vgl. fr. quidam certain individu, personne dont on tait le nom. te zoeken in het Homo quidam fecit coenam magnam (= een zekere man richtte een grooten maaltijd in), dat men dikwijls in het lof na de eerste benedictie zingt, waarin Homo quidam kon opgevat worden als Baas Kwidam. Voor Kwibus is het ongetwijfeld het cum quibus waarmee de laatste § van de gewone prefatie begint, vooral als men in aanmerking neemt dat als de celebrant deze woorden zingt, de diaken en de subdiaken, die tot dan elk afzonderlijk achter hem stonden, nu bij hem komen om hem voorts te bedienen, en dat het woord Kwibus alleen voorkomt bij ons, wier taal de homonymie cum quibus = kom, kwibus toelaat’In het Fransch heeft quibus de beteekenis van geld; vgl. de quoi..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut