Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwalijk - (slecht, moeilijk, ongunstig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kwalijk bn. ‘slecht, moeilijk, ongunstig’
Mnl. qualike, qualic ‘slecht, niet goed, onvoldoende’ in So wie so iemene ... qualike handelde ‘al wie iemand zou mishandelen’ [1237; VMNW], ‘moeilijk, bezwaarlijk’ in menech steen din ic v soude qualic genoemen ‘menige edelsteen die ik moeilijk voor u zou kunnen opnoemen’ [1265-70; VMNW], ook in de vorm quaetlik in quaetlike ghevarvet ‘slecht, kwalitatief onvoldoende, geverfd’ [1282; VMNW]; vnnl. quaelick, quaedelick ‘slecht, verkeerd’ [1599; Kil.], quaelick aen zijn ‘er slecht aan toe zijn, ongezond zijn’ [1599; Kil.], in de vaste verbinding kwalijk nemen ‘ongunstig opnemen, euvel duiden’ in ghy en sult het niet qualijck nemen, indien ick ... [1644; WNT].
Afleiding van mnl. quaed, quade ‘slecht’; zie → kwaad, met het achtervoegsel → -lijk, met syncope van de intervocalische -d-; in de variant quaetlic heeft geen d-syncope plaatsgevonden.
Mnd. quelik, quelike, ofri quādelik(e), quālik(e) (nfri. kweal(i)k ‘amper’, kwelts ‘kreupel’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwalijk* [slecht] {qualike 1237} van middelnederlands quaet, middelnederduits quelik(e), gevormd als lelijk bij leed (vgl. kwaad).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwalijk bnw., mnl. qualijc ‘krenkend, ongepast’, en bijw. qualike, quaellike ‘slecht, lelijk, nauwelijks, op smadelijke wijze’, Teuth, quaelicken ‘slecht, boosaardig’, mnd. quelike, quellike, quatliken ‘slecht, boosaardig; nauwelijks, niet gemakkelijk’. — Ontstaan uit kwaadlijk met uitval van d evenals goelijk en lelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwalijk bijw. bnw., mnl. zelden als bnw.; opgekomen naast mnl. quâlike bijw. “slecht, verkeerd, gemeen, onrechtmatig, in slechten staat, ongelukkig, naar, leelijk, nauwelijks, niet licht”. = Teuth. quaelicken “slecht, boosaardig”, mnd. quêlik(e), quellik(e), -en, quâtliken “id., nauwelijks, niet licht”, owfri. quâlike, quâdelike “slecht”. Kwalijk : kwaad = lelijk : leed.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwalijk bijv., geassimil. uit kwaadlijk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

koelek 1. bn. kwalijk 2. bn. onpasselijk 3. bijw. nauwelijks; Vreugmiddelnederlands qualike <1237>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

koelek, bw.: nauwelijks, amper. Heterofoon van kwalijk door assimilatie van de w met een volgende velare klinker.

kullek, bn. : onwel. Uit kwalijk door assimilatie van de w aan de volgende velare klinker.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kwaak, bn.: misselijk, slecht, flauw, bezwijmd. Samengetrokken uit kwalijk. Afl. kwaalte, uitsp. kwolte < kwaalkte < kwalijkte ‘bezwijming’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kwalijk ‘slecht’ -> Fries kwalik, kwaalk ‘slecht’;? Duits dialect kwalik ‘slecht’; Negerhollands qualik, qwaelik ‘slecht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwalijk* slecht 1237 [CG I1, 32]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

532. Effen is kwalijk treffen (of kwaad gepast),

d.w.z. iets precies te vinden zooals men het hebben wil, is moeilijk; ook: men kan het moeilijk iedereen naar den zin maken. Het gezegde komt voor bij Winschooten, 185: Effen is quaad te passen, dat is: men kan het alle man niet effen te pas maaken; Van Effen, Spect. VI, 73: Die spreuk kan hem niet onbekend zyn, dat effen is quaed te passen; Halma, 498: Effen is qualyk te passen, il est difficile de rencontrer juste, il est bien malaisé de faire ni trop ni trop peu; Sewel, 210: Effen is kwaalyk te passen, 't is very difficult to satisfy every one; Harreb. I, 190: Er is maar een F (Effe) in het ABC, en die is kwaad te treffen of Effen is kwaad treffen. In Het Schoolblad, 8 Mei 1906, p. 1: Effen is kwalijk treffen. Dat ondervond het N.O.G. bij het zenden van zijn adres om wijziging van art. 21. Terwijl de Bode oordeelt dat het er wat laat mee is, meent De Katholieke School dat het er eigenlijk nog te vroeg mee komt. In 't fri.: effen is slim (kwea) treffen; de wet fen effen is slim to treffen; in de Neder-Betuwe: der is moar een Effe(n)-in-'t ao-b-c.

1305. Iets kwalijk nemen,

d.w.z. iets ten kwade duiden, euvel opnemen; 17de eeuw: iets onwaardig nemen of iemand iets kwalijk afnemen; mnl. iet in onwaerden, in arghe nemen of iet qualike (of evele) nemen; Kiliaen: Quaelick nemen, moleste, aegre, acerbe, graviter ferre; Halma, 523: Iets quaalijk neemen, la prendre en mauvaise part; Ndl. Wdb. VIII, 689; Villiers, 70; hd. etwas übel (oder krumm) nehmen; eng. to take s. th. ill (zeldzaam); fri. immen hwet kwealik nimme.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal