Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwal - (holtedier; naarling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kwal zn. ‘holtedier; naarling’
Vnnl. qualle ‘zeedier’ in sagen veel quallen drijven [1619; WNT zeeluis], dat uytwerpsel der zee, dat wy quallen noemen [1694; WNT uitwerpsel]; nnl. kwal ‘zeedier’ in zee-schepzels ... die, wegens de slymerige, snotterige vertooning, welke zy maaken, den naam van kwallen, kwalvisschen of slymvisschen voeren [1770; WNT zeenetel], bij overdracht ook ‘naarling, vervelende vent’ [1930; Wolters NE].
Wrsch. van dezelfde stam als → kwellen 2 ‘opborrelen, zwellen’; de oudste betekenis is wrsch. ‘nat, slijmerig, bol wezen’; ook kikkerdril wordt wel kwal genoemd [1769; WNT]. Daarnaast staat vnnl. kwalster ‘fluim, opgerocheld dik slijm’ [1599; Kil.], Fries kwalster ‘id.; natte, gedeeltelijk gesmolten sneeuw’, dat ontleend is aan het Nederduits (Toll.) en bij diezelfde stam voor ‘dikke, natte substantie’ zal horen. Een andere mogelijkheid is dat het woord is ontstaan uit een vroege ontlening aan Latijn coāgulum ‘stremsel, stollend middel’; dit woord werd in het Oudsaksisch ontleend als quagul ‘stremsel’, waarbij ook onl. gequahlit ‘gestremd’ [10e eeuw; W.Ps.]; Latijn coāgulum is gevormd uit → com- ‘samen’ en agere ‘in beweging zetten, handelen’, zie → ageren.
Nnd. kwalle ‘grote dikke kerel’; hieraan ontleend is mhd. qualle ‘id.’ (nhd. Qualle ‘kwal’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwal* [holtedier] {1727} middelnederduits kwalle, middelhoogduits qualle [grote dikke kerel]; van kwellen1 [zwellen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwal znw. v., eerst na Kiliaen, ook oostfri., vgl. mhd. qualle ‘grote dikke kerel’; eig. ‘iets dat opgeblazen is’ en behorend tot kwellen 2.

Intussen heeft het woord door de verbinding kw een klankkarakter, dat het op een lijn stelt met een woord als kwab.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwal znw., nog niet bij Kil. Een ook oostfri. woord. Vgl. mhd. qualle m. “groote, dikke kerel” en zie verder bij kwalster.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwal v., + Ndd. en Mhd. qualle, van denz. wortel als kwalster.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

kwal s.nw.
1. Enigeen van verskeie soorte holtediere met 'n sagte, deurskynende liggaam. 2. Ruggraatlose persoon.
Uit Ndl. kwal (al Mnl.). Ndl. kwal 'holtedier' hou wsk. verband met Ndl. kwellen 'swel' en Oudhoogduits quellan 'swel', so genoem omdat die pap, vormlose liggaam van die holtedier soos iets lyk wat uitgeswel het. Die persoon word so genoem omdat sy slap houding aan die liggaam van 'n kwal (kwal 1) herinner.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kwalle zn. v., meestal mv. kwallen: etensrest op het bord; kwak speeksel van tabakspruim. Naar het vieze en glibberige van een (zee)kwal. Van het ww. kwellen ‘zwellen’. Ww. kwallen ‘kokhalzen’.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kwal: dik persoon; iemand met een afstotend lichaam; vandaar ook meer algemeen voor mispunt*.

Wat een kwal! Wat een zeldzaam stuk imbeciel! (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)
Mooi blad hoor ‘Hitweek’. Sinds Muller weg is staat er niks meer van de Stones in. Die kwal die er nu aan werkt, moet wel een Beatle-fan zijn. (Hitweek, 22/07/1966)
Kwal, zei Willems. Lulleman! (Hans Plomp, Brigadier Snuf rookt stuff, 1972)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kwal ‘holtedier’ -> Sranantongo kwala ‘holtedier’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwal* holtedier 1727 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gel-2, gelǝ-, glē- a) ‘herabträufeln, überrinnen, quellen’; b) ‘werfen’, vermutlich zu vereinigen unter ‘fallen lassen’, intr. ‘herabfallen’, nach Wackernagel KZ. 67, 159 gehören jedoch a) und b) verschiedenen Verben an.

a) Ai. gálati ‘träufelt herab, fällt herab, verschwindet’, galitá-ḥ ‘verschwunden, gewichen’, Kaus. gālayati ‘gießt ab, macht fließen, seiht ab’; ai. galana- ‘träufelnd, rinnend’ (Lex.), n. ‘das Träufeln, Rinnen’ = ga-rana-m (Gramm.);
gr. βαλανεύς ‘Bademeister’, βαλανεῖον ‘Bad’ (> lat. balneum); βλύω, βλύζω ‘quelle hervor’ (Bildung nach φλύω), βλύδιον ‘feucht’ Hes., und aus der Sippe von βάλλω in ähnlicher Bed. ἀμβολάδην ‘aufsprudelnd (vom Wasser)’, Δέλλοι ‘Springquell bei Eryke’, vgl. auch εἰς ἅλα βάλλειν ‘münden’;
ahd. quellan (quall) ‘hervorquellen, schwellen’ (ll wohl aus ln), ags. (ge)collen ‘geschwollen’, ahd. quella, nhd. Quelle, mnd. qualm (‘*hervorquellendes’ =) ‘Qualm, Dampf, Rauch’, älter dän. kval ‘Dampf, Dunst’; nhd. Qualle, ndl. kwal, kwalle ‘Meduse’.
In vermittelnder Bedeutung (etwa aus ‘in sich zusammenfallen’) ai. glā-ti, glā́yati ‘fühlt sich erschöpft, ist verdrossen, schwindet’, Partiz. glāná-, glāna-m, glāni-ḥ ‘Erschöpfung, Abnahme’, Kaus. glā̆páyati ‘erschöpfen, jmd. zusetzen; in Verfall kommen lassen’?
b) Av. niɣrāire ‘sie werden herabgeschleudert’ (ni-gar-);
gr. βάλλω ‘werfe, treffe’ (*geln-ṓ), hochstufig ark. ἐσδέλλοντες = ἐκβάλλοντες, ζέλλειν· βάλλειν Hes., Aor. βαλεῖν, Perf. βέ-βλη-κα, Aor. ἔβλην ‘erhielt einen Schuß, wurde getroffen’, ἔβλητο, βλητός; βλῆμα ‘Wurf’, βολή, βόλος m. ds., βολίς, -ίδος ‘Wurfgeschoß’, βέλος, βέλε-μνον ‘Geschoß’, Ἑκατη-βελέ-της;
aus dem Kelt. vielleicht cymr. blif ‘catapulta’ (*glē-mo-, vgl. gr. βλῆ-μα); über air. at-baill ‘stirbt’ s. gel- ‘stechen’;
toch. AB klā- ‘fallen’, Van Windekens Lexique 40.
Mit einer Bedeutungsentwicklung ‘sich im Geiste auf etwas werfen, βάλλεσθαι ἐν θυμῳ̃, μετὰ φρεοί’ stellt man zu βάλλω auch (?) die gr. Sippe von βούλομαι ‘will’ (*βολσομαι, Konj. des s-Aor. zu βάλλω); βουλή, dor. βωλά: f. ‘Entschluß, Ratschlag’; aber thess. βελλόμενος, dor. δηλ- aus *gelso-; hierher auch βάλε ‘walte Gott!’.

WP. I 690 ff., Schwyzer Gr. Gr. I 284, 693 u. Anm. 9.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal