Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwab - (weke lap vet of vlees, deel van lichaamsorgaan; vis (Lota lota))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kwab zn. ‘weke lap vet of vlees, deel van lichaamsorgaan; vis (Lota lota)’
Mnl. eerst qwappe, eyn visch ‘kwabaal ...’ [1477; Teuth.]; vnnl. quabbe, quappe ‘vis, dikkop’ en quabbe ‘halskwab van rund’ [beide 1599; Kil.], ‘weke lap vlees’ lippen ... als groote quabben [1635; WNT]; nnl. quab, kwab ‘deel van hersenen, lever enz.’ in 't quabbetje van de kleine herszenen [1720; WNT], de rechter leverkwab [1860; WNT], ‘zekere vis’ in kwabbe, kwabaal [1862; WNT].
Een klankexpressief woord, waarvan de grondbetekenis ‘soppend geluid’ en vandaar ‘week, slijmerig iets’ moet zijn. Een vergelijkbaar woord is kweb(be) ‘verraderlijk moerasland’ [1838; WNT kweb I]. In het Middelnederlands bestond ook een frequentatieve werkwoordsvorm quablen ‘bungelen’ [1477; Teuth.], en zie → kwebbelen; in het Nieuwnederlands wordt wel kwabberen gebruikt voor ‘lillen’. Klinkervariaties en wisseling tussen vormen met -bb- en -pp- komen bij klankexpressieve woorden vaker voor.
Mnd. quabbe, quobbe ‘puitaal, kwabaal’ (nnd. Quab ‘dikkerd met bolle wangen’); ohd. quappa (nhd. Quappe ‘puitaal; kikkervisje, dikkop’); ne. vero. quab, quabbe ‘puitaal, kikkervis, zeeslak’ is ontleend aan het mnl. of mnd.; nzw. kvabba ‘puitaal’ is wrsch. ontleend aan het mnd. Daarnaast mnd. quebbe ‘moeras’; ne. (verouderd) quab, quabbe ‘id.’; nno. kvabb ‘kleiachtig fijnzand (grondsoort)’. Verder de werkwoorden me. quappe ‘trillen, beven’ (ne. vero. quab ‘id.’); nde. kvabbe/kvappe ‘soppen, glibberen’, frequentatieven nnd. kwabbeln ‘bobbelen, puilen’; nhd. dial. quappeln, quabbeln ‘lillen, schuddebuiken’; nzw. dial. kvabbla ‘walgen’. Verder nde. kvabset ‘mollig’.
Als eerste lid komt het woord voor in de samenstelling kwabaal ‘bepaalde zeevis (Lota lota)’, voorheen ook als simplex kwab, kwabbe. Vermoedelijk is deze naam voor een vis met brede kop ontleend aan Latijn capito ‘dikkop, vis met brede kop’, een afleiding van caput ‘hoofd’, zie → hoofd; die ontlening is dan aangepast aan het in de Germaanse en Balto-Slavische talen al bestaande woord quabbe, quappe ‘kikker’ (Kluge).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwab* [puitaal] {quabbe [halskwab] 1599, vgl. qwapp [naam van een vis] 1477} oudsaksisch quappa [puitaal], hoogduits Quappe; buiten het germ. latijn bufo, oudkerkslavisch žaba, oudpruisisch gabawo [padde]; van een stam met de betekenis ‘zacht, week’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwab, kwabbe znw. v., Kiliaen quabbe ‘halskwab, kossem’ maar ook ‘pad, kikvors, sommige vissen’, vgl. 16de-eeuws quappe, os. quappa v. ‘puitaal’, nhd. quappe. — opr. gabawo ‘pad’, osl. žaba ‘pad’. — Men gaat uit van idg. *gebh ‘iets slijmigs, lillends’, vgl. ook mnd. quebbe, quobbe, ne. quab ‘moeras’, zw. dial. kvabb, skvabb ‘iets diks en vets’, nijsl. kvap n., kvapi m. ‘dril, iets gelei-achtigs’, nnoorw. kvabb, kvap ‘brei-achtige massa’. Daarnaast het ww. Teuth. quablen ‘bungelen’, nnd. kwabbeln ‘puilen, bobbelen (van weke, vette dingen), fri. kwabje ‘puilen’ (vgl. A. van Loey, Hand. Comm. Top. Dial. 17, 1943, 269-278; waar ook de vorm kwacht behandeld wordt). — Het woord is duidelijk als klankwoord gevoeld; voor de anlaut kw- zie ook: kwakkelen en kwalster.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwab, kwabbe znw. Kil. kent quabbe = “halskwab, kossem” en als benaming van pad, kikvorsch en eenige visschen; als vischnaam ook quappe, reeds 16.-eeuwsch en in den Teuth. Deze laatste vorm is oud blijkens os. quappa v. “puitaal” (nhd. quappe). Verwant met obg. žaba “kikvorsch”, opr. gabawo “pad”, lat. (uit ’t Umbrosamnitisch) bûfo “id.”. Deze woorden komen van een basis gō̆bh-, die wellicht ospr. de lillende beweging van een slijmerige massa aangaf. Hiervan ook de ndl. vorm met bb benevens Kil. kwabbel “hard gezwel”, Teuth. quablen “bungelen”, ndd. (westf.) kwabbeln “puilen, bobbelen” (van weeke, vette voorwerpen), mnd. quebbe, quobbe “moeras”, fri. kwabje “puilen”, kwab “vette huidplooi”, eng. quab “moeras” en, evenals de. kvabbe, “aalkwab”. Het naast elkaar voorkomen van bb en pp behoeft bij een onomatop. gevoelde woordgroep als deze geen nadere verklaring. Zie kwakkelen en kwalster.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwab 1 v. (visch), voor *kwap, Mnl. quappe, Os. quappa + Lat. bufo, Osl. žaba = puit, Opr. gabawo = pad. Hgd. quappe komt uit Ndd.

kwab 2 v. (lil), + Ndd. kwabbe = halskwab, moeras, Ags. cwabbe = moeras (Eng. quab = kwab), van denz. wortel als kwab 1.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kwab ‘vetmassa’ -> Engels † quab ‘zeeslak; kwabaal of puntaal; vormeloos ding’; Sranantongo kwabu ‘vetmassa; gezichtszwelling (bof)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwab* vetmassa 1544 [Paludanus, Dictionariolum rerum maxime vulgarium]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal