Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwaal - (ziekte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kwaal zn. ‘ziekte’
Onl. kwala ‘pijn, kwelling’ in sines lichamen quale was manig folt ‘de pijn in zijn lichaam was hevig’ [1150-1200; Reimbibel]; mnl. quale ‘ellende, lijden; ziekte’ in vt allre werelliker qualen ‘uit alle kwellingen van het aardse bestaan’ [1265-70; VMNW], dogen ... groten commer ende quale ‘veel leed en ellende moeten doorstaan’ [1265-70; VMNW], van groter qualen daer si sal af steruen ‘door een ernstige ziekte waar zij aan zal sterven’ [1265-70; VMNW]; vnnl. quaele ‘kwelling, ziekte, verdriet, ellende’ [1599; Kil.], ‘ziekte’ in een ongeneeslyke quaal [1642; WNT].
Afleiding van dezelfde stam als in → kwellen 1 ‘pijnigen’.
Os. quāla ‘dood, vernietiging’; ohd. quāla ‘id.’ (nhd. Qual ‘kwelling, smart’); < pgm. *kwēlō-. Daarnaast ablautend pgm. *kwalō-, waaruit: oe. cwalu ‘dood, vernietiging’; on. kvöl ‘kwelling, pijniging’ (nzw. kval ‘kwelling’).
Er bestaan veel samenstellingen met kwaal, zoals maagkwaal [1778; WNT zuur II], leverkwaal [1806; WNT galsteen], hartkwaal [1861; WNT hartkwaal], vrouwenkwaal ‘typisch vrouwelijke kwaal’ [1879; WNT vrouw], familiekwaal ‘kwaal die in een familie veel voorkomt’ [1901; WNT familie], ouderdomskwaal ‘kwaal die het gevolg is van ouderdom’ [1906; WNT ouderdom].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwaal* [ziekte, gebrek] {quale, quael [ellende, pijn, kwaal] 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits quala [kwelling], oudengels cwalu, oudnoors kvǫl [kwelling] (vgl. kwellen1).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kwaal

In de middeleeuwen zei men: vrecheit is ene sware quale, gierigheid is een groot kwaad. Het woord quale, ons kwaal, had toen dus een bredere betekenis dan thans. Men verstond er onder vrijwel iedere treurige toestand, dus zowel minnepijn als lichaamspijn en zedelijk gebrek. Het werkwoord luidde quelen, niet wat de vogels doen, maar in de betekenis: ziek zijn, pijn lijden. Dit werkwoord was sterk; de tijden luidden: qual, gequolen, dus net als: stelen, stal, gestolen. Daarnaast staat kwellen: pijn aandoen. Het oude quelen komt nu nog alleen in streektalen voor. Ook bij Cats treft men het aan, bijvoorbeeld in het rijmpje: jonge kinders moeten spelen of van pijn en sieckte quelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwaal znw. v., mnl. quâle v. ‘lijden, kwaal, zedelijk gebrek’, os. quāla, ohd. quāla (nhd. qual) ‘kwelling, marteling, benauwdheid’. Grondvorm *kwēlō staat naast *kwalō in oe. cwalu v. ‘gewelddadige dood’, on. kvǫl ‘kwelling, lijden’. — Behoort bij het ww. mnl. quēlen ‘er slecht aan toe zijn, kwijnen, ziek zijn, droevig zijn, zondigen, kwellen’, mnd. quēlen ‘gekweld worden, pijn hebben, kwellen’, ohd. quēlan ‘hevige pijn hebben’, oe. cwelan ‘sterven’ (zie ook: kwellen). — lit. gelà, osl. žalí ‘pijn’, oiers. atbail ‘sterven’, arm. kelem ‘pijnigen’, van idg. wit. *gel die behalve ‘pijn, dood’, ook ‘steken’ betekent (IEW 470), vgl. gr. déllithes ‘wespen’, lit. gélti ‘steken; onpers. ‘pijndoen’, geluõ ‘stekel, angel’, gãlas ‘einde, dood’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwaal znw. (met â: N.Brab. kwool, achterh. kwoale), mnl. quâle v. “lijden (lichamelijk en geestelijk), kwaal, zedelijk gebrek”. = ohd. quâla (nhd. qual), os. quâla v. “kwelling, marteling, benauwdheid”, met ablaut ags. cwalu v. “gewelddadige dood”, on. kvǫl v. “kwelling, lijden”. Verbaalnomina bij mnl. quēlen “er slecht aan toe zijn, kwijnen, ziek zijn, gekweld worden, droevig zijn, zondigen, kwellen” (nog dial.) = ohd. quëlan “hevige pijn hebben”, mnd. quēlen “gekweld worden, pijn hebben, kwellen”, ags. cwëlan “sterven”. Voor ’t causativum zie kwellen. Verwant zijn ier. at-bail “hij sterft”, (wsch. niet obg. žaliti “weeklagen, bedroefd zijn”, dat wel hierbij gebracht is), opr. gallas “dood”, lit. geliù, gélti “steken”, ge͂lia “het doet pijn” (wsch. niet bij koud), arm. keł- “zweer”, kełem “ik kwel, plaag”. Niet onwsch. zijn de verdere combinaties met lat. vallessit “perierit”, oi. glā́yati, glâti “hij is bedroefd, uitgeput, kwijnt weg”, terwijl gr. bállō “ik werp, tref”, ark. –déllō-bállō” Hes. zéllein; bállein ook hierbij zou kunnen hooren. ’t Wordt echter ook anders –evenals trouwens ook lat. vallessit — verklaard. Sommigen brengen gr. belónē “naald”, bélos “speer”, maar niet bállō bij onze basis.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwaal v., Mnl. quali, Os. quâla + Ohd. id. (Nhd. qual, Ags. cwalu, On. kvạl (Zw. qval, De. kval): de twee laatste van den stam van ’t enk. imp., de andere van dien van ’t meerv. imp. van kwelen (z.d.w. en ook kwellen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kwaol (zn.) kwaal; Aajdnederlands kwala <1150-1200>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kwaal ‘lijden’ (Duits Qual)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kwaal van kwelen = pijn lijden, en kwellen is ’t causat. = pijn doen; van den Germ. wt. kwel, Idg. gel = pijnlijk zijn. Vgl. ’t Mnl.: „Des moet ic quelen” = Daarom moet ik pijn, verdriet hebben.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwaal* ziekte, gebrek 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal