Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kut - (in pejoratieve samenstellingen)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kuthola: (jeugdtaal) waardeloos iemand. Kan zowel op een man als op een vrouw slaan. Variant op tuthola*. Voor het eerst bij Hoppenbrouwers.

13 jarige gothic kuthola’s bij Jenny Jones was ook erg vermakelijk, puistenkoppies met namaak hoektandjes uit de carnavalswinkel op de hoek die erg treu waren omdat ze naar kleine kinderen blaften… heb me regelmatig kapot gelachen. (Lezersbrief, 29/5/2001 op website Hollands Metaal)

kutkammer: 1) (in Vlaanderen) dameskapper. Vermeld door De Graef.

2) iemand die zich met details bezighoudt; muggenzifter*; pietlut*; beuzelaar*. Het werkwoord kutkammen kwam reeds voor bij Querido (Levensgang, 1901) en in de soldatentaal (zie Salleveldt: 1978). Bij Querido lezen we nog volgende toespeling: ‘Sijn se sterrik, je kaèmme? … hei je se geperbeerd op de kut vaèn je waif?’

Gatverdamme wat een kutkammers zeg! (www.thebiggestsecret.org/forum, 21/01/2003)

kutkankerboer, kutkankerkop: (onder de Ajax-aanhang) Groningse voetbalsupporters. Zie ook boer* (2).

Het zingen van ‘Joden worden kampioen’ is provoceren. En het schreeuwen van ‘kut-kankerboeren’ kun je niet verbieden omdat het niet racistisch is, dat is namelijk gewoon onbeschoft. (Nieuwe Revu, 26/09/1991)
Als ik in het voetbalstadion zit en Kees Jansma loopt langs de lijn, dan beginnen 59.000 van de 60.000 aanwezigen ‘Hé vuile kutkankerkop’ te roepen. (Youp van ’t Hek in De Groene Amsterdammer, 18/12/1996)

kutkever: stomme klootzak. Kever* is ook een Bargoens woord voor een man uit de provincie. Heestermans (1989) noemt de kutkever de ‘vrouwelijke variant van de kloothommel’.

Oké, stelletje kutkevers, kiss and say goodbye. (Kees van Beijnum, De oesters van Nam Kee, 2000)

kutkrabber: verachtelijk persoon; klootzak*.

Maar die twee gelokte kutkrabbers die ik achter de voorruit zag kleven leken me geen neosoulpooiers, eerder van die gasten uit Amstelveen die hun vaders wagen hadden geleend. Zodra ik opzij stapte, spoot de auto weg en die etterbak achter het stuur wierp me een blik toe, zo’n blik die het een beschaafd mens niet eenvoudig maakt de nacht door te komen zonder al te veel soortgenoten op te ruimen. (Kees van Beijnum, De oesters van Nam Kee, 2000)

kutlap: verachtelijke man; klootzak*.

In tegenstelling tot de journalistieke mores van het NOS Journaal is schrijver Gerri Eickhof verre van objectief. Zo beschrijft hij Irakezen meerdere malen als een rotvolk. Letterlijk: ‘Alle Irakezen zijn kutlappen, en dan druk ik me nog diplomatiek uit.’ (Nieuwe Revu, 08/06/2005)

kutlijer: rotvent; vervelende, onaangename kerel. Variant van klerelijer*.

En nou opsodemieteren. Kutlijer! (Bert Hiddema, In gesprek, 1991)

kutlikker: (jeugdtaal) vervelend, onaangenaam persoon. Gesignaleerd door Laps.

kutlul: vervelend, onaangenaam persoon.

Hee, grote kutlul, moet ik je een handje komen helpen? (A.F.Th. van der Heyden, Onder het plaveisel het moeras, 1996)
Dacht ik eindelijk: 1-0 voor de bi’s te scoren, stond er in de krant dat het 0-0 was gebleven. Kutlul. (Nieuwe Revu, 03/03/1999)

kutmus: sullig persoon; onnozelaar.

Ze heeft me één vraag gesteld. Ik zat erbij als een stomme kutmus. (Vrij Nederland, 18/07/1998)

kuttenkijker: (vulgair) gynaecoloog. In jeugdtaal ook schertsend een spelonkoloog genoemd. Voor het eerst vermeld door Laps.

Fijne dokter. Begreep dat hij een gepensioneerde gynaecoloog is. Zijn die hockeyers van die watjes dat ze zo’n voormalige kuttenkijker als dokter moesten hebben? (Youp van ’t Hek in NRC Handelsblad, 01/11/2003)

kuttenlikker: (vulgair) lesbienne. Verwijst naar de seksuele handeling: het beffen. Vermeld door Kunst & Schutte. Zie ook kuifpikker*, pot*.

Francien Schouwenaar begon te schelden. Kampjoekel, kuttenlikker, rothoer. (NRC Handelsblad, 10/02/2003)

kutmarokkaan: Marokkaan. Naar analogie van samenstellingen zoals kutwijf*. De term werd populair gemaakt door de Nederlands-Marokkaanse rapper Raymzter die in het najaar van 2002 een enorme hit scoorde met een gelijknamig lied en regelmatig op MTV te zien was. Nieuwslezer Philip Freriks berichtte vervolgens in het NOS-journaal (van 21 oktober 2002) over de KA-UU-TEE-Marokkanen met de toevoeging ‘als ik het zo mag uitspreken’. Eerder dat jaar werd het woord al geïntroduceerd door de Amsterdamse PvdA-wethouder Rob Oudkerk tijdens de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen. Maar Jan Wouters van PSV riep in 1995 zijn vliegensvlugge tegenstander van NAC, Yassine Abdellaoui, al dit scheldwoord toe. Wouters moest zich naderhand publiekelijk verontschuldigen, niet vanwege het vieze woord, maar om de toevoeging: ‘Rot toch op naar je eigen land.’

Als tegenstelling is de laatste jaren het begrip ‘ok-marokkaan’ te horen. Je ziet dat de discussie wel erg over de band van de islam en de zogenaamde ‘kutmarokkanen’ wordt gespeeld. (Nieuwe Revu, 15/01/2003)
Een land waarin een provincieraadslid er zich over bekreunt dat hij ‘een lul’ wordt genoemd, terwijl hij zelf behoort tot het slag volk dat vindt dat we eindelijk maar eens het woord ‘kutmarokkaantjes’ in de mond moeten durven nemen. (Tom Lanoye, Vitriool voor gevorderden, 2004)

kuttenkop, kuttenkont: dom, onbenullig persoon. Een scabreus kinderrijmpje uit eind vorige eeuw heeft volgende regels: ‘Kuttekop en lullebek/ deden samen vies/ Ik ben geil en jij bent gek/ stront dat is geen pies.’Als Bargoense term is kuttenkop al in het begin in gebruik. Mogelijk een verbastering van een ander Bargoens woord: kattenkop (kattige vrouw). Dit scheldwoord raakte echter pas midden jaren zeventig, mede via de jeugdtaal, meer ingeburgerd. Vgl. ook gelijkaardig Amerikaans slang cunthead en Frans argot tête de con.

En desondanks ouwehoeren pastoor Van Suchtelen en dominee Kuttekop avond-in-avond-uit op de televisie over de oneindige goedheid van God de Vader. (Paul A. Wilking, De roerige wereld van Pistolen Paul, 1968)
Wel ze noemen jou een kuttekop en ze noemen jou een lul. (Raymond van het Groenewoud, Trek het je niet aan, 1979)
Waar blijft die kuttekop nou. (Jan Wolkers, De perzik van onsterfelijkheid, 1980)

kutvreter: (Bargoens) pooier, souteneur. Eigenlijk: iemand die leeft van het zedenloos bedrijf van zijn vrouw.

Ja, jou zou zo’n baantje wel bevalle, hè? Zo’n baantje van kutvreter! (Herman Heijermans, Kamertjeszonde, 1898, herdruk 1966)

kutwijf: onaangename, verachtelijke vrouw. Een erg geliefd scheldwoord, zeker op het web. Er bestaat zelfs een weblog met deze naam (http://kutwijf.web-log.nl/). Onder jongeren blijkt het bovendien een populaire aanspreekvorm (onder vriendinnen bijvoorbeeld): hey kutwijf!

Ondertussen krijgt Armin herrie op school, heeft de juffrouw uitgescholden voor kutwijf. (Anja Meulenbelt, De schaamte voorbij, 1976)
Kuthoer! Smerig kutwijf! (Leon De Winter, Een Abessijnse woestijnkat, 1991)

kutzak: onaangenaam iemand. Samentrekking van kut* en klootzak*?

Weer thuis sprak hij zijn grinnikende vader een week lang aan met ‘kutzak’. (Inigo Meerman, Donatello en Moerlemei. Twee novellen, 1994)

kutzwager: (smalend of spottend) man die als zwager van een andere man wordt beschouwd omdat hij met dezelfde vrouw naar bed geweest is. Wim T. Schippers bracht in 1984 een toneelstuk met de naam ‘Kutzwagers’. Het eerste woordenboek dat de term opneemt is ‘Battus. De Encyclopedie’ (1978), waarbij Battus een pseudoniem is van H. Brandt Corstius. Daarna volgde Van Dale Hedendaags Nederlands (1984), en vrij snel daarna de andere woordenboeken. Volgens Onze Taal (december 1984) was het woord echter al courant in de Amsterdamse studententaal van de jaren zestig. Mogelijk heeft het toneelstuk van Schippers de kutzwager ruimere bekendheid gegeven.

Een kutzwager heet zo iemand. Ik wil dit begrip enigszins uitbreiden en noem ook de kutzwager van de kutzwager een kutzwager. (Vrij Nederland, 19/04/1975)
Dat is toch een prachtig lelijk woord, Kutzwagers, met die rare opeenhoping van ‘tzw’. Harry Mulisch kon niet naar dat toneelstuk kijken vanwege dat woord, liet hij me weten. (Wim T. Schippers in Vrij Nederland, 20/09/1986)
Er is geen vrouwelijke pendant van het woord ‘kutzwager’, maar als er zoiets als ‘snikkelschoonzusters’ bestond, dan waren deze twee het. (HP/De Tijd, 07/11/2003)

geitenkut: domme vrouw. Vgl. geitenlul*; apenlul* en bokkenlul*.

Wat begrijpen die geitekutten van tegenwoordig die in hun blote naad met een veter in hun reet en een oogkleppie voor hun kut achter de ramen staan te dansen nou eigenlijk van het leven? (Haring Arie, De Sarkast, 1990)

haringkut: erg magere vrouw. Meer algemeen ook voor een verachtelijke vrouw. Van de (gewestelijke) uitdrukking zo mager als een haring. Vgl. gratenkut*.

En je moet accepteren dat je elke dag door die knapen verrot wordt gescholden. Als je daar werkt, is het normaal dat je dagelijks door de pupillen wordt uitgemaakt voor teringhoer of haringkut. (Nieuwe Revu, 08/12/1993)

kanariekut: verachtelijke, domme, waardeloze vrouw. Kanarie dient hier enkel ter versiering. In dezelfde lijn ligt kippenkut*.

Kijk maar eens naar de door mij hevig begeerde Vlaamse TV-omroepster Birgit van Mol. Dat is nog eens wat anders dan die harde, eigenwijze kanariekutten die je bij Veronica voorbij ziet komen. (HP/De Tijd, 16/07/1999)

kippenkut: verachtelijke vrouw. Een gelijkaardig scheldwoord is kanariekut*.

Krijg de pleuris in je hart… kippekut of laat je natzeiken door een dronken Arabier. (Haring Arie, De Sarkast, 1989)

knijpkut: 1) vrouw die niet ingaat op mannelijke avances, die afstandelijk blijft. Betekent eigenlijk ‘vrouw die aan vaginisme lijdt’. Dit scheldwoord werd al opgenomen in Van Dale.

Ze doet het niet, en dat betekent maar een ding: Dat spraakje van mevrouw is wat ze werkelijk is: Een knijpkut. (www.gaysite.nl, 11/10/2002)

2) (meestal verkleinvorm) (marinetaal) iemand die zuinig is of niets weggeeft aan de tap.

greppelkut: ergerlijke vrouw. Variant van greppeldel* maar hier zonder het succesvolle binnenrijm.

Mannen houden het in gescheld vaak liever op seks en genitaliën. Want wat het verschil is tussen bijvoorbeeld een greppelkut en een gratenkut is mij niet helemaal duidelijk. Iets met geur en textuur zou je denken, maar ik weet vrij zeker dat deze uitdrukkingen maar zelden op ervaringsdeskundigheid berusten. Huppelkut spreekt wél weer boekdelen. Maar of een gleufdier neukbaarder is dan een kippetje? Het lijkt mij wel, garanties heb ik echter niet. De gemiddelde hockeyslet zal van betere komaf zijn dan haar buurkippetje, maar ze is duidelijk niet meer veel waard, op het moment dat het om scoren gaat. Al zou je wellicht anders verwachten in een gemiddelde sport. Wat de hockeyslet voor heeft op de frigide ijskast, behoeft volgens mij geen verdere uitleg. (Nieuwe Revu, 18/11/2005)

huppelkut, huppelmuts(je): dom, onnozel meisje. Deze pejoratieve term werd vooral populair na de oudejaarsconference van Youp van ’t Hek in 1989. Hij gebruikte het woord in toepassing op oudere heren in crisis. Volgens een lezer van Onze Taal (februari/maart 1998, blz. 44 en oktober 1997, blz. 242) in het Amsterdam van de jaren veertig reeds in de betekenis van ‘hoer’. Joop Koopman (begeleider van Youp van ’t Hek en voormalig presentator van ‘Twee voor Twaalf’) blies het woord in de jaren negentig nieuw leven in door het in de mond te leggen van Youp. Zie ook huppeltrut*.

Ineens krijg je dan zo’n huppelkut aan tafel die mee komt eten. (Elsevier, 15/09/1990)
De poenerige, rijke jet-set van New York en omstreken: de patsers, de goudclub, de ‘lawyers’ en ‘brokers’, de managers en hun huppelkutjes. (Nieuwe Revu, 09/09/1992)
… het gestuntel van dat autistische huppelkutje, Juffrouw De la Bretonnière. (Theo van Gogh, Er gebeurt nooit iets, 1993)

klapkut: 1) (Bargoens) zwarthandelaarster die tijdens haar verhoor anderen verklikt.

Klapkut, (z.h.) zwarthandelaarster, die bij politioneel verhoor andere zwarthandelaren aanbrengt om haar proces-verbaal niet te laten doorgaan. (Henry Roskam, Boevenjargon, 1948)

2) (vulgair) vrouw; hoer. Klap wordt hier enkel gebruikt ter versterking. Vgl. klaplul*. Het woord komt ook voor in de verwensing krijg een klapkut! (soms met de toevoeging met weerhaken). Volgens de internetencyclopedie Wikipedia is een klapkut ook soldatentaal voor een opvouwbaar kunststof drinkmokje.

‘Stomme trut! Jij kunt ook helemaal niks. Achterlijke overdwars genaaide klapkut! Val toch in moten voor m’n poten!!!’ dan trakteer je de afzender op een glimlach. (de Volkskrant, 26/05/1995)
Die irritante klapkut zit weer mee te zingen. (http://forum.fok.nl, 24/05/2005)

koeienkut: lomp persoon. In soldatentaal betekent een koeienkut ook een ‘kwartiermuts’. Vanwege de gelijkaardige vorm.

‘Kom daar maar eens uit,’ mompelde Kas. ‘Koeiekutten.’ (Bouke B. Jagt, De muskietenoorlog, 1976)
En net azzie denk dat je alles gehad hep komter nog es zo’n koeiekut aan je kop zijke. (J.A. Deelder, Drukke dagen, 1988)

lepkut: verachtelijke vrouw. Zie ook: kut*.

Wat heeft dat er nu te mee te maken, gore lepkut! (Nieuwe Revu, 04/05/1994)

mienkut: domme vrouw. De vrouwelijke tegenhanger van janlul*.

‘Godverdomme, Mien Kut die ik ben’, zegt ze als de heroïne (in papier) van het dashboard valt. (Nieuwe Revu, 13/11/1996)

natkut: (Bargoens) dronkaard, zuiplap; waardeloos persoon. Variant van nathals*.

Een half meier is het natkut…! (Haring Arie, De Sarkast, 1989)

piepkut: aankomend meisje, bakvis. Zie ook piepkuiken*.

Ik hompelde wat dichter naar ze toe en siste tegen de achterste: ‘Hoort bij de examenstof!’ Ze draaide zich verschrikt om alsof ik ‘Piepkut!’ geroepen had. (Rob Schouten, Gestolen goed, 1989)

schapenkut: domme vrouw. Vgl. greppelkut*; haringkut*; keutelkut*; kippenkut*; klapkut*; koeienkut*.

Al was het alleen maar om jou nog te kunnen afzeiken omdat ik je een enorme azijnpisser vind, en omdat je een mexicaanse schapenkut met klapdeuren bent met een iq dat gelijk is aan de schoenmaat van een dwerg. (www.geenstijl.nl, 24/01/2004)
… weet je wat nóg erger zou zijn als je ook nog eens een stom mens bent. oftewel;
niet zeiken schapenkut. (www.punx.nl, 02/09/2004)

schimmelkut, schimmelnek: verachtelijk, waardeloos of onzindelijk persoon. Het eerste woord wordt vaak voorafgegaan door ‘uitgedroogde’ en slaat doorgaans op een vrouw; het tweede is meestal van toepassing op een man. Als nickname is schimmelkut erg populair op talrijke chatsites. Voor het eerst gesignaleerd door Laps.

schompekut: verachtelijke, gemene vrouw. Andere samenstellingen met -kut zijn: greppelkut*; haringkut*; keutelkut*; kippenkut*; klapkut*; koeienkut*; schapenkut*.

Met die schompekut heb ik toevallig niet ene mallemoer te maken. (Boudewijn Büch, Brieven naar Mick Jagger, 1988)

spinaziekut: (jeugdtaal) truttig uitziend meisje. Vgl. greppelkut*, haringkut*, keutelkut*, kippenkut*, klapkut*

Verlepte sloerie, leipe trut, portiekhoer, slet, spinaziekut. (Robert Long, Beschaafde Tango, 1977)

viskut: vrouw met een nauwe vagina. Vandaar ook scheldwoord voor ‘een vrouw’ in het algemeen.

Onvolgbaar, zoals ze met haar madonnalachje, dat een beetje onwennig trok in de mondhoeken, woorden uitsprak als ‘drooggeilen’, ‘votsen’, ‘reetroeier’, ‘viskut’, ‘snerpende schede’… (A.F.Th.van der Heyden, De Movo Tapes, 2003)

zeverkut, zeverzwijn: (jeugdtaal) iemand die flauwe praat of onzin verkoopt. Sedert ca. 1984.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kutsmoes zeer slechte smoes 1968 [Aanv WNT]

kutzwager* man die met dezelfde vrouw geslapen heeft 1975 [Aanv WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

kutzwager, schertsende slangaanduiding voor mannen die met dezelfde vrouw naar bed geweest zijn. Wim T. Schippers bracht ooit in de jaren tachtig een toneelstuk met deze naam. Het eerste woordenboek dat de term opneemt is Battus. De Encyclopedie (1978), waarbij Battus een pseudoniem is van H. Brandt Corstius. Daarna volgde Van Dale hedendaags Nederlands (1984), en vrij snel daarna de andere woordenboeken. Volgens Onze Taal (december 1984) was het woord echter al courant in de Amsterdamse studententaal van de jaren zestig. Mogelijk heeft het toneelstuk van Schippers de kutzwager ruimere bekendheid gegeven.

Dat is toch een prachtig lelijk woord, Kutzwagers, met die rare opeenhoping van ‘tzw’. (??) Harry Mullisch kon niet naar dat toneelstuk kijken vanwege dat woord, liet hij me weten. (Wim T. Schippers in Vrij Nederland, 20/09/86)
Wij zijn toch maar échte kutzwagers, jongen. (Boudewijn Büch: Het bedrog, 1993)
Achteraf vind ik het nogal komisch dat Simon (Carmiggelt — MDC) en ik ‘kutzwagers’ bleken, maar toen ik later ‘Mijn beter ik’ las, dacht ik: dat enge rotmens heeft Simon de dood ingedreven. (Peter van Straaten in HP/De Tijd, 12/09/97)

Winkler Prins Boek van het jaar (1958-1980), Amsterdam / Brussel (lemma ‘Nieuwe woorden in onze taal’)

kut- (1980) naast kutfilm, kutsmoes e.d. behoren kutzooi en kutvent tot het normale, hoewel platte, taalgebruik.
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut