Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kust - (grens tussen land en zee)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kust 1 zn. ‘land langs de zee; oever’
Mnl. coste ‘kust’ in breken up de coste van Oostland ‘schipbreuk lijden op de kust van Noord-Duitsland’ [voor 1370; MNW oostland], wonende up de cost van der zee ‘wonend aan de zeekust’ [1468-97; MNW]; vnnl. ook de vorm kust ‘zeeoever’ in lancx de custen van Spaengien [1588; WNT], koste, kuste ‘kuststreek, kust’ [1599; Kil.], in de uitdrukking er zijn kapers op de kust ‘er zijn meer personen op hetzelfde uit’ [1608; WNT kaper I], kust ook wel ‘landstreek, land’ in ver van haar beloofde kust ‘ver van het beloofde land’ [1682; WNT].
Ontleend aan middeleeuws Latijn costa ‘kuststrook’ [9e eeuw; TLF], verkorting van costa maris ‘kant van de zee’.
Latijn costa ‘zijde, zijkant’ is verwant met: Sanskrit kōst ‘rib’; Oudkerkslavisch kostĭ ‘bot, rib’ (Russisch kost' ‘bot’); < pie. *kost- (IEW 616).
Meestal wordt ervan uitgegaan dat kust is ontleend aan Oudfrans coste ‘helling van een heuvel’ [1160-85; TLF], eerder al ‘flank, zijde’ [1160; TLF] (Nieuwfrans côte ‘kust, helling; zijde, ribstuk’, zie ook → kotelet), eveneens < Latijn costa, maar de betekenis ‘land langs de zee, kuststreek, kust’ is in het Frans niet voor 1502 geattesteerd (TLF, Rey).
Lit.: Schönfeld, par. 79

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kust1 [grens tussen land en zee] {cost(e) [landstreek, kust, kuststreek] 1436} < oudfrans coste [rib, kust] < latijn costa [rib, flank, zijde].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kust 1 znw. v. ‘strand’, mnl. cost, coste < ofra. coste (nfra. côte) < lat. costa ‘rib’, dat in het vulg. lat. de bet. ‘zijde, kant’ kreeg. — Het mnl. kost > mnd. kost. De vorm kust is later ontstaan en deze >nhd. küste (sedert 1664).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kust I (oever). Uit ofr. coste (fr. côte; > lat. costa “rib, zijde”), waaruit ook eng. coast “kust”. Men heeft de u willen verklaren als een adaptatie van den meer palatalen fr. klank aan de ndl. uitspraak. Deze voor een woord als keurs met o voor r aannemelijke verklaring is dat minder voor kust, dat overigens laat-mnl. als cost(e) v. (= mnd. kost v. “kust”) voorkomt. De u is op ndl. gebied uit o ontstaan, vgl. dof, duf. Uit ’t Ndl., nhd. küste v., de. kyst. Uit mnd. kost ouder-de. kost, zw. kust.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kust 1 v. (oever), gelijk Eng. coast, uit Ofra. coste (thans côte), van Lat. costam (-a) = rib, zijde, kant. Hgd. küste is ontleend aan ’t Ndd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Kust (de), (verouderend) het district Coronie. Het district Coronie, vroeger Opper-Nickerie gehete en in het verleden ook wel aangeduid met de namen de Zeekust* en de Kust () (Enc.Sur. 129). - Etym.: S. Kosoe. Het is vanuit Paramaribo gezien het dichtstbijgelegen gebied waar men over een grotere afstand over land aan de kust kan komen. - Zie ook: kokosdistrict*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kus I: mv. -te, “strand”; Ndl. kust (Mnl. cost/coste) wu. (17e eeu) Hd. küste, gaan soos Eng. coast (Meng. coste) terug op Ofr. coste (Fr. côte) via Ll. costa, “kant, sy”, uit Lat. costa, “rib”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kust (Oudfrans coste)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kust (oever), van ’t Ofr. coste (thans côte = kant, en dit van ’t Lat. costa = rib, zijde, kant. Voor: te kust en te keur, zie Keur.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kust ‘grens tussen land en zee’ -> Duits Küste ‘zeestrand’; Deens kyst ‘grens tussen land en zee’; Noors kyst ‘strook land langs de zee’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kust ‘grens tussen land en zee’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch † kjust ‘strook land langs de zee’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kust grens tussen land en zee 1436 [MNW] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1079. Er zijn kapers (of roovers) op de kust.

Deze uitdr. werd in de 17de eeuw gebruikt in den algemeenen zin van: er is gevaar, blijkens Winschooten, 214: ‘Daar sijn roovers op de kust, dat is, daar is onraad’; in dezelfde beteekenis vindt men ze in de Gew. Weeuw III, 29; Paffenr. 68. Zie verder Tuinman I, 146: ‘Daar zyn roovers op de kust. Dat zegt men, als 'er zyn, die ymand ergens van trachten te ontzetten’; evenzoo II, 39 en 166; Sewel, 681 en 371: Pas op, daar zyn kaapers op de kust. In Oost-Friesland zegt men schertsend hê hed 'n kaper op de küste voor: hij heeft een concurrent (Ten Doornk. Koolm. II, 171 b; Wander II, 1135: es ist ein Kaper(er) an de Küste, wenn jemand uns belauert und dasselbe ziel mit uns verfolgt; auch von Nebenbuhlern in Heirath angelegenheiten. Thans gebruiken wij deze uitdr. ‘wanneer iemand ons bespiedt en hetzelfde doel met ons bejaagt; wanneer wij gevaar loopen, dat een meisje ons ontvrijd wordt, een post of eenig voordeel ons ontgaat, omdat er mededingers naar het meisje, den post of het voordeel zijn’; Vgl. Sara Burgerhart, 676: Ik wou u eens vragen, of Juffrouw Letje t' avond of morgen niet een goede vrouw voor Willis zyn zoude? of zyn er al kapers op de kust? C. Wildsch. II, 156; V. Eijk I, 89; P.K. 98: Ik behoefde niet bang te zijn voor kapers, vat je? Jans was vijf en dertig toen we trouwden, en van zessen klaar, hoor! Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, 389: Ook gedoogt de jongelingsschaar maar noode dat een vreemde naar een meisje uit de streek komt vrijen. Zoo'n kaper op de kust houdt niet altijd den rug vrij; Het Volk, 3 Juli 1914 p. 8 k. 1: Ging het (bloemenverkoop) Zaterdag goed, Zondag kwamen er kapers op de kust, en wel van roomsche zijde. Ook zij boden bloemen te koop aan; Ndl. Wdb. VII, 1452; XIII, 1373. In 't fri. de Ingelsken binne op 'e kust, er is onraad.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut