Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kussen - (gevulde zachte zak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kussen 2 zn. ‘zak met zachte vulling’
Mnl. cussine (mv.) ‘hoofdkussens’ [1228-50; Tavernier], cuossen ‘zitkussen’ [1220-40; CG II], cussin ‘hoofdkussen’ in onder hare houede moten si wel hebben plumine cussine ‘onder hun hoofd moeten ze beslist veren kussens hebben’ [1236; CG I].
Ontleend aan Oudfrans cuisin [1100-50; TLF], cussin (Nieuwfrans coussin), ontwikkeld uit Laatlatijn coxinus ‘zitkussen’, een afleiding van coxa ‘heup’ naar het model van pulvīnus ‘kussen’.
Latijn coxa is verwant met: Sanskrit káksa- ‘oksel’; Avestisch kaša- ‘oksel’; Welsh coes ‘been’; < pie. *koḱs- ‘gewricht’ (IEW 611).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kussen2 [gevulde zachte zak] {cussin, cussijn, cussen 1343-1344} < oudfrans cussin, coissin, teruggaand op vulgair latijn ∗coxinus (pulvinus) [kussen, peluw], van latijn coxa [dij, heup].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kussen 1 znw. o., mnl. cussijn, cussen, evenals mnd. kussen, ohd. chussi(n), kussi(n) (nhd. kissen) < ofra. cossin naast coissin (nfra. coussin) < gallo-rom. *culcinum met ander suffix gevormd naast lat. culcita.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kussen II znw. o., mnl. cussijn, cussen o. = ohd. chussîn, chussi (nhd. kissen), mnd. kussen o. “kussen”. Uit een ouderen vorm van ofr. cuissin (fr. coussin) “kussen” (lat. *culcitînum of *coxînum), uit ’t Ofr. ook eng. cushion. Vgl. tijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kussen 2 o. (zitkussen), Mnl. cussen, cussijn, gelijk Hgd. kissen en Fr. coussin (van waar Eng. cushion), uit Mlat. cussinum (-us), uit Lat *culcitinum, dimin. van culcitra = matras.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kösse (zn.) kussen; Vreugmiddelnederlands cussin <1228-1250> < Frans coussin.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kussing s.nw.
1. Langwerpige, reghoekige of platronde sak, opgestop met sagte of elastiese materiaal, en wat gebruik word om die liggaam of 'n deel daarvan te ondersteun. 2. Enigeen van verskillende voorwerpe soortgelyk aan 'n kussing, maar wat vir ander doeleindes gebruik word, bv. as skokbreker, hulpmiddel in sommige soorte handwerk, om iets mee op te stop, ens. 3. Betreklik sagte, elastiese, vlesige gedeelte wat onder die hande en voete van mense of die pote van diere voorkom, wat druk op die onderliggende weefsel verlig en veerkragtige beweging mntl. maak. 4. (ekonomie) Enige maatreël wat die uitwerking van ongunstige ekonomiese faktore of tendense versag. 5. Enigiets, bv. 'n toestel of onderdeel daarvan, materiaal of vloeistof, gas of lug, e.d. wat skokke absorbeer of verminder, wrywing tussen bewegende dele voorkom, weerstand verminder of as beskerming of stut dien.
Uit Ndl. kussen (Mnl. cussen). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).
Eng. cushion.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Kussing snw. Met substitusie van suffiks, of wat as suffiks opgevat word, uit kussen. -–Van Schothorst 161: Kösǝṇ [ṇ is die guthurale nasaal. Vgl. a.w. &35].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kussen (Oudfrans cussin)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kussen, kussentje ‘gevulde zachte zak’ -> Negerhollands kissintje, kisintśi ‘gevulde zachte zak’; Papiaments kusinchi (ouder: koesientje, bunsinchi) ‘gevulde zachte zak voor een bed, bank, of fauteuil; venusberg, schaamheuvel’; Sranantongo kunsu ‘hoofdkussen, gevulde zachte zak’; Aucaans koensoe ‘gevulde zachte zak’; Saramakkaans kúnsu ‘hoofdkussen, gevulde zachte zak’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kussen gevulde zachte zak 1201-1250 [Tavernier] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1302. Op het kussen zitten (- raken),

d.w.z. eene regeeringsbetrekking vervullen; in de staats- of stadsregeering zijn, aan het bewind zijn of komen. De hooggeplaatste regeeringspersonen zaten op kussens, voorzien van het wapen der stad, provincie, enz; vandaar deze uitdrukking, die voorkomt bij Anna Roemers Visscher, Sinnepoppen, 1ste schock, XXIII: Die beminders van het ghemeene beste, zeggen, datmen wel mach bidden dat rijcke en hoogh-ghebooren lieden wyse kinders krijghen, want zy raken op 't kussen; Jan Vos, Aran en Titus, bl. 17 (ed. 1662); Brederoo II, 189, 1076; Hooft, Ned. Hist. 29; 39 en vgl. Tuinman II, 156; Halma, 296; Sewel, 427; Ndl. Wdb. VIII, 610; Afrik. op die kussing sit. In Zuid-Nederland op de kussens zitten, geraken. Vgl. het fr. siéger, être assis sur les fleurs de lis, een hoog rechterlijk ambt bekleeden.

1347. Ledigheid is des duivels oorkussen,

d.w.z. ledigheid leidt tot allerlei kwaad, is de oorzaak van veel slechtheid; vgl. Jesus Sirach XXXIII, 27: multam enim malitiam docuit otiositas, want de ledicheyt leert veel quaets; en het lat. nihil agendo homines male agere discunt (Otto, 9). Dezelfde gedachte vindt men ook uitgedrukt in Lsp. III, 3, 177 vlgg.; Proza Sp. d.S. 62 a; in Con. Somme, bl. 253: Saertsheit of dertenheit van herten, dat is des duvels coets. Oorspronkelijk zeide men in onze taal: een leegh mensch is een duyvels oorkussen (= hoofdkussen)’, dat wil zeggen: een luiaard is een plaats, waarin de duivel zich gemakkelijk neervlijt; daar ligt hij als in een bed op een oorkussen ter ruste en broedt dan allerlei kwaad; vgl. Cats 2, 287 a: In een ledig hert, daar wascht ongure lust, en 't is de rechte peul, daer op de duyvel rust. In de 16de eeuw lezen we: een ledich mensch is een pluemkussen des viants (Tijdschrift XXI, 203); bij Coornhert I, 387 d: Ende want de slaperighe Ledigheydt een ghemackelijck oorkussen is alder zonden, ja alder Duyvelen zelve, so moet elck vermijden haer gheselschap. Zie Ndl. Wdb. XI, 119; VIII, 1227; XII, 1436; Taal en Letteren III, 263 vlgg.; De Dekker I, 146: De Droes maeckt (zoo men zegt) zyn' hoofdpeul van den leugen; De Brune, 491: Een le'egh mensch is een duyvels kussen; Van Effen, Spect. IX, 110; C. Wildsch. II, 175; Sewel, 440; Harreb. I, 164; Villiers, 72; Wander III, 791-792: Müssiggang ist des Teufels Ruhebank (oder aller Laster Anfang); Eckart, 319: Leddiggang is des leidigen Düvels Howetküssen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut