Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kussen - (zoenen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kus zn. ‘uiting van genegenheid, zoen’
Onl. kus ‘zoen’ in mit themo cusse sines mundes ‘met de kus van zijn mond’ [ca. 1100; Will.]; mnl. vaak in de vorm cussen ‘kus’ [1240; Bern.], en cussen vor minen mont ‘een kus op mijn mond’ [1291-1300; VMNW], ook cus in des vreden cus ‘vredeskus’ [1375-1400; MNW-R], ein cus ... van minen monde ‘een kus van mijn mond’ [1390-1410; MNW-R]; vnnl. kus ‘kus, zoen’ [1599; Kil.].
Klanknabootsend woord. De Middelnederlandse nevenvorm cussen ‘kus’ is wrsch. ontstaan als zelfstandig gebruikte infinitief van het werkwoord kussen (zie onder).
Os. kus, kuss; ohd. kus, kos (mhd. kus, kos, nhd. Kuss); ofri. kos; oe. coss (me. kiss o.i.v. het ww.; ne. kiss); on. koss; < pgm. *kussa-. Hierbij de afleiding *kuss-jan- ‘kussen’, waaruit: os. kussian; ohd. kussen (nhd. küssen); ofri. kessa; oe. cyssan (me. cussen, dial. kissen, ne. kiss); on. kyssa (nzw. kyssa).
kussen 1 ww. ‘een kus geven, zoenen’. Onl. cussen ‘zoenen’ in cusse her mich ‘moge hij mij kussen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. cussen, kussen ‘kussen geven’ in cussen ‘kussen uitwisselen’ [1240; Bern.], dat cruce metten monde gekusset ‘het kruis met de mond gekust’ [1265-70; VMNW]. Afleiding van kus.
Lit.: Philippa 2004

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kussen1* [zoenen] {cussen, cossen 1201-1250} oudsaksisch kussian, oudhoogduits kussen, oudfries kessa, oudengels cyssan, oudnoors kyssa; vermoedelijk klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kussen 2 ww. mnl. cussen, os. kussian, ohd. chussen (nhd. küssen) naast eenmaal chossōn, ofri. kessa, oe. cyssan (ne. kiss), on. kyssa. — Afgeleid van kus.

Daarnaast staat got. kukjan en oostfri. kükken, nnd. kücken, vgl. nnl. dial. kukkel en kuksken; deze zijn gebaseerd op dezelfde klankverbinding ku, misschien met typische reduplicatie van de kindertaal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kussen I ww., mnl. cussen. = ohd. chussen (nhd. küssen; ohd. eenmaal chossôn), os. kussian, ofri. kessa, ags. cyssan (eng. to kiss), on. kyssa “kussen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kussen 1 o.w. (zoenen), Mnl. cussen, gelijk Hgd. küssen en Eng. to kiss, denomin. van kus, Mnl, id., Os. cus + Ohd. kus (Mhd. kus, Nhd. kusz), Ags. coss (Meng. id.), Ofri. kos. On. koss: niet buiten het Germ. Het Eng. zelfst.nw. kiss en Zw. kyss met De. kys zijn verbaalabstr.Judaskus naar Matth. XXVI, 48-49 en Luc. XIV, 44-45.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kussen. Wat voor likken geldt, geldt ook voor kussen. Beide werkwoorden komen voor in verwensingen die ‘uitnodigen’ tot handelingen die grenzen aan de randen van de nacht of gewoon taboe zijn. Met kussen komen de volgende hedendaagse verwensingen nog voor: kus mijn aars, botten, broek, ende, gat, hiel, hol, kloosterstraat, knoppen, kont, krent, naars, oor, orgel, poeper(d), reet. Voor ons hebben ze de betekenis van ‘laat mij met rust, loop naar de drommel’. De verwensing kus mijn kloten betekent ‘loop heen’, ‘maak dat je wegkomt, je kunt mij wat’. De verwensing je, ge kunt ze kussen laat voor ze van alles denken. Waarschijnlijk staat het voor kloten; die suggestie wordt in elk geval bevestigd door het WNT, waar wij in deel xxviii, kolom 369-370 van het trefwoord zij, kunnen lezen: “Dikwijls wordt ze gebruikt in (vooral gewest.) uitdr. wanneer men bep. zaken, persoonsattributen of lichaamsdeelen niet wil noemen of behoeft te noemen.” In een nadere uitleg zegt dezelfde bron heel beslist “in toepassing op de testikels”. Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen ge weet ze hangen, ge moogt ze kussen! Een correspondent uit het Oost-Vlaamse Bornem geeft de pregnante vorm kus ze! op. Daarnaast komt voor kust mijn reet den baan in! De betekenis van alle genoemde verwensingen is ‘bekijk het maar’, ‘je kunt me wat’ en drukt onverschilligheid en minachting uit van de spreker. Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen verder nog kust de kont van Herodes! en kust mijnen orgel dan hebt ge muziek voor niets!; kust de bok zijn kloten! Voor de emotionele en actuele betekenis hiervan geldt hetzelfde als wat ik voor de voorafgaande verwensingen opmerkte. → hiel, klos, kut(je), likken, zij (1).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kussen ‘zoenen’ -> Negerhollands kus, kis ‘met de lippen aanraken’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kussen* zoenen 1100 [Willeram]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut