Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kurk - (bast van de kurkeik (Quercus suber); voorwerp hiervan gemaakt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kurk zn. ‘bast van de kurkeik (Quercus suber); voorwerp hiervan gemaakt’
Mnl. in samenstellingen een silveren koirkijser ‘een zilveren kurkentrekker’ [midden 15e eeuw; via MNW]; vnnl. curckteldere ‘kurkteller’ [1545; MNHWS], corckboom ‘kurkeik’ [1567; WNT], dan korck ‘bast van de kurkeik’ [1599; Kil.], kurk [1600; WNT]; nnl. ook ‘voorwerp van kurk’, i.h.b. ‘flessenstop’ in bouteille- of kurktrekkers [1698; WNT kurketrekker] of ‘drijver aan een net’ in de kurken gaan onder [1717; WNT].
Ontleend aan Spaans corcho ‘kurk’ [1495; Corominas], dat ontleend is aan Spaans-Arabisch qurq ‘id.’, en dat is weer ontleend aan Latijn cortex (genitief corticis) ‘kurk, voorwerp van kurk’, uit algemener ‘bast’ en oorspr. ‘omhulsel, huid, schil’. Het Latijnse woord is wrsch. verwant met corium ‘huid’, zie → kuras.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kurk [schors van kurkeik, materialen daarvan] {corc, curc(k) 1545} < spaans corcho < arabisch qurq < latijn cortex [schors, bast van de kurkeik].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kurk znw. o.m., omstreeks 1500 ontleend uit het spa. alcorque ‘vrouwenpantoffel met kurkzool’ (reeds 1419 heeft mnd. korck, dat zeker wel uit het nl. zal zijn overgenomen). Men noemde dus de hier onbekende boomschors naar het schoenwerk, dat ervan gemaakt werd. Het spa. woord stamt uit het mozarabisch en gaat uiteindelijk op lat. quercus ‘eik’ terug.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kurk (de, het). Ontleend, wsch. tegen 1500, uit spa. corcho “kurkhout, kurk”, dat van lat. cortex “schors” wordt afgeleid. Ook in andere talen overgegaan, deels door ndl. bemiddeling.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kurk o. en v., gelijk Hgd. kork en Eng. cork, uit Sp. corcho, van Lat. corticem (cortex) = schors (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1kurk s.nw.
1. Ligte, poreuse weefsel van die buitenste baslae van 'n sekere soort eik. 2. Artikel uit kurk (1kurk 1) vervaardig, veral 'n kurkprop.
Uit Ndl. kurk (Mnl. corc). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).
Mnl. corc uit Sp. corcho.
D. Kork, Eng. cork.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kurk (Spaans corcho)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kurk (vroeger ook kork), van ’t Spaansch corcho en dit van ’t Lat. cortex (ook scorcia) = schors. De kurk komt vooral uit Spanje, vandaar ’t Sp. woord.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kurk ‘schors van kurkeik; materialen daarvan’ -> Engels cork ‘schors van kurkeik; materialen daarvan’; Duits Kork ‘schors van kurkeik’; Deens kork ‘schors van kurkeik’ ; Zweeds kork ‘schors van kurkeik; materialen daarvan’ (uit Nederlands of Duits); Fins korkki ‘schors van kurkeik; materialen daarvan’ ; Japans kiruku, koruku ‘schors van kurkeik; materialen daarvan’; Negerhollands koruk ‘schors van kurkeik; materialen daarvan’; Berbice-Nederlands korku ‘schors van kurkeik; materialen daarvan’; Papiaments kòrki (ouder: kurki) ‘schors van kurkeik; materialen daarvan’; Sranantongo korku ‘schors van kurkeik; materialen daarvan; dobber; dop’; Aucaans koloekoe ‘schors van kurkeik; materialen daarvan’; Sarnami korku ‘schors van kurkeik; materialen daarvan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kurk schors van kurkeik, materialen daarvan 1545 [HWS] <Spaans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

651. Een goed geloof en een kurken ziel dan kunje drijven.

Dit antwoordt men op eene ongeloofelijke of onwaarschijnlijke mededeeling. De spreekwijze komt bij Harreb. I, 225 voor als: een goed geloof en eene kurken ziel: dan drijft men de zee over (of altijd boven), in den zin van met goed vertrouwen en luchthartigheid (onbezwaard gemoed) komt men alles te boven; zie Ndl. Wdb. IV, 1238, waar gewezen wordt op het hd, ein guter Glaube und ein Korkpfropf halten sich imner oben (Wander I, 1698Waarschijnlijk eene vertaling van de Ndl. spreekwijze.). In de litteratuur trof ik de zegswijze aan in Nest. 106: Een goed geloof en een kurken ziel, dan kan je drijven, bromde hij; B.B. 77: Een goed geloof, en een kurken ziel, daar ga je! Nkr. III, 11 April p. 2: Met een blij gemoed en 'n kurken ziel kom je ten slotte het verst; Nw. School II, 230: Ze zouden de paedagogiek hervormen? Een goed geloof en een zwemblaas voor ziel!

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal