Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kunde - (bekwaamheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kunde zn. ‘bekwaamheid’
Mnl. kunde ‘kennis, bekendheid’ [1240; Bern.], meestal conde, in die steen es buter lieder conde ‘die steen ligt buiten de kennis van de mensen, is de mensen niet bekend’ [1285; CG II], die erde verlieset sine conde an die scaep ‘de herder verliest zijn vertrouwdheid met de schapen’ [1287; CG II]; vnnl. kunde ‘kennis’ in kund van alder verwen scheel ‘kennis van het verschil tussen alle kleuren’ [1600; WNT], mits de kunde der plaatzen ‘vanwege hun geografische kennis’ [ca. 1635; WNT], door kunde en smaak ‘door bekwaamheid en smaak’ [1774; WNT toeleggen].
Mnd. kunde ‘kennis, bekendheid’; ohd. -chundi (mhd. künde); < pgm. *kund-īn- ‘het bekend zijn’, afleiding met grammatische wisseling van *kunþa- ‘bekend’, zie → kond.
In het Middelnederlands is cunde de klankwettige vorm (met umlaut), die vooral in het oosten voorkomt; de vorm conde ontstond onder invloed van het werkwoord connen. Naar analogie van datzelfde werkwoord, dat in het Vroegnieuwnederlands → kunnen werd, werd later opnieuw kunde de gewone vorm. Dezelfde ontwikkeling geldt voor de hieronder genoemde afleidingen.
De Middelnederlandse betekenis van conde, cunde was in eerste instantie ‘bekendheid’ en ‘kennis’. Pas in het Nieuwnederlands ontstond de huidige betekenis van kunde ‘bekwaamheid, vaardigheid’ en wordt het woord vooral geassocieerd met kunnen in de betekenis ‘in staat zijn’. Zie ook → -kunde als tweede lid in samenstellingen.
kundig bn. ‘bekwaam, ervaren’. Mnl. cundeg ‘trots, hoogmoedig’ [1240; Bern.], maar meestal condich ‘bekend’ in wi maken v condegh dat ‘wij maken u bekend, dat’ [1257; CG I], in actieve opvatting ‘kennis hebbende’ in diere ane condich was ‘die daarvan wist’ [begin 14e eeuw; MNW]; nnl. ô wys' ô kundige Boerhave! ‘o wijze o bekwame Boerhave’ [1769; WNT]. Afleiding met het achtervoegsel → -ig van het synonieme bn. mnl. cont ‘bekend’. De oorspr. betekenis ‘bekend’ is inmiddels verouderd en bestaat alleen nog in de samenstelling wereldkundig. De betekenis ‘hoogmoedig’, die als oudste is geattesteerd, is secundair en ook reeds lang verdwenen. Voor het huidige taalgevoel lijkt kundig eerder een afleiding van kunde. Zie ook → deskundig. ♦ wereldkundig bn. ‘openbaar’. Vnnl. wereltskondige resolutie [1625; WNT], door al de werelt kondig maken ‘over de hele wereld bekendmaken’ [1629; WNT kundig], werelt-kundigh ‘openbaar, publiek’ [1650; Hofman publijck]. Samenstelling van → wereld en kundig in de oude betekenis ‘bekend’. ♦ onkunde zn. ‘gebrek aan vakmanschap’. Mnl. onconde maect dicke onminne ‘onwetendheid veroorzaakt vaak onenigheid’ [1300-50; MNW-R]. Afleiding met het ontkenningsvoorvoegsel → on- van mnl. conde. ♦ onkundig bn. ‘onwetend, ondeskundig’. Mnl. oncondich ‘onbekend’ in dat hare onkondech was die sprake ‘dat die taal haar onbekend was’ [1265-70; CG II], dan ook in actieve opvatting ‘onwetend’ in mnl. onkundigh alre weelden ‘onwetend van alle overvloed’ [ca. 1420; MNW]. Afleiding met het achtervoegsel → -ig van onkunde. Nnl. onkundig heeft zijn oude betekenis behouden, en is door de betekenisverandering van kundig daar niet het tegengestelde van.

-kunde achterv. ‘wetenschap’
Vnnl. zellefs kund ‘zelfkennis’, waarheids kund ‘kennis van de waarheid’, reenkunds onvermooghen ‘het tekort schieten van de redeneerkunde’ [alle ca. 1610; WNT], wereldkunde ‘kennis van de wereld, aardrijkskunde’ [1630; WNT], starre kund ‘kennis van de sterren, astrologie’ [1650; WNT], meet-kunde (in een boektitel) [1664; Picarta], Wijzgeerte, Natuurkunde en Wiskonst ‘wijsbegeerte, natuurkunde en wiskunde’ [1661; WNT natuurkunde].
Ontstaan uit → kunde ‘kennis’ als tweede lid in samenstellingen.
De voorloper van -kunde als achtervoegsel was -kunst ‘vaardigheid, ambacht, wetenschap’, uit eerder -const(e), -konst(e), zie → kunst. Kiliaan nam in zijn woordenboek (1599) nog alleen gietkonste, letterkonste, rekenkonste, schermkonste enz. op en geen enkele samenstelling op -kunde. In de 17e eeuw kwamen woorden op konst/kunst en op kunde beide voor, aanvankelijk nog zonder betekenisonderscheid, onder andere in de woordenboeken van Meijer; zie bijv. geneeskunde onder → geneesheer. Als gevolg van de betekenisontwikkeling van kunst naar ‘(product van) menselijke vaardigheid’ ontstond gaandeweg een betekenisonderscheid: de woorden op -kunde en -kunst waren de namen van resp. een theoretische wetenschap en een praktische bekwaamheid. Vanaf de 17e eeuw ontstonden vele nieuwe wetenschapsnamen op -kunde, bijv.aardrijkskunde, meetkunde (eerder meetkunst), → natuurkunde, → scheikunde, → wiskunde (eerder wiskunst), en verdwenen de vormen op -kunst.
In navolging van het Nederlands werden ook in het Duits sinds het eind van de 17e eeuw wetenschapsnamen op -kunde gevormd, bijv. Erdkunde ‘aardrijkskunde’, Geschichtkunde ‘geschiedkunde’, Tierkunde ‘dierkunde’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kunde* [het kunnen] {conde, cunde [bekendheid, kennis van persoon of zaak, vertrouwen] 1201-1250} middelnederduits kunde [kennis, bekendheid], oudhoogduits -chundi; abstractum van kond.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kunde znw. v., mnl. conde, cunde v. ‘bekendheid, kennis, vertrouwelijke omgang, kondschap, getuigenis’, mnd. kunde ‘kennis, bekendheid’, ohd. chundī (in unchundī ‘onkunde’, nhd. kunde onder invloed van het bnw. kund), owfri. kēde ‘kondschap, verkondiging’. — Abstractum met -īn van kond.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kunde znw., mnl. conde, cunde v. “bekendheid, kennis, vertrouwelijke omgang, kondschap, getuigenis”. = ohd. chundî (in unchundî “onkunde, ’t niet kennen”; nhd. kunde met u naar kund), mnd. kunde v. “kennis, bekendheid”, owfri. *kêthe, kêde v. “kondschap, het verkondigen”. Abstractum van kond.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kunde v., Mnl. conde + Hgd. kunde, Eng. kith: afleid. van kond.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kunde ‘het kunnen’ -> Fries kunde ‘kennis, bekendheid; persoon die men kent’; Duits -kunde (Erdkunde, Geschichtskunde) ‘wetenschap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kunde* het kunnen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal