Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kukelen - (tuimelen)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

kukelen ww. ‘tuimelen’
Nnl. kukelen ‘tuimelen’ (1897), omkukelen ‘op handen en voeten duikelen; omvallen’ (1897). Daarnaast bestaat de variant keukelen (1835), dat als ‘tuimelen, duikelen, strompelen’ in het Gelders, Overijssels en Drents bekend is, en ook ‘goochelen, toveren’ kan betekenen. Verder Kleverlands en Rijnlands kaukele, kookele, keukele ‘de koprol maken, onhandig lopen te doen’.
Ondanks de late datum van overlevering is keukelen de directe voortzetting van Middelnederlands kokelen ‘bedriegen’ (Noordoostnl., 1434-46, mogelijk uitgesproken als keukelen). Een afleiding is Mnl. kokelaer ‘tovenaar’ (1399), dat nog in Vlaamse en Brabantse familienamen als Keukelaere voortleeft. De betekenis van het werkwoord is dus van ‘bedrieglijke kunsten maken, goochelen’ naar ‘toeren uithalen, zich onhandig gedragen, omvallen’ gegaan.
De woordfamilie van goochelen vertoont nogal wat varianten. De oudste is *gauk- (Hd. gaukeln), waarnaast door assimilatie zowel *kauk- als *gaug- opkwamen. Oostnl. keukelen en de Rijnlandse vormen zetten *kauk- voort. Het Hollandse kukelen heeft waarschijnlijk de klinker overgenomen van guichelen ‘potsenmaken, spotten’ (uit *gūg-). Dat is als klanknabootsende variant bij giechelen ontstaan, maar omdat vorm en betekenis van guichelen en goochelen erg op elkaar leken, hebben beide werkwoorden elkaar blijkbaar beïnvloed.
Het kan moeilijk toeval zijn dat de oudste vorm voor ‘bedriegen’ Westgermaans *gaukalōn- is, met dezelfde stam als Proto-Germaans *gauka- ‘koekoek’ (Mnl. gooc ‘domoor’, Ohd. gouh, Nhd. Gauch, Oudengels gēak, Oudnoors gaukr ‘koekoek’), de aartsbedrieger onder de dieren. De vogelnaam zelf is vermoedelijk klanknabootsend, vergelijk Nl. koekoek.
[Gepubliceerd op 15-10-2015 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

keukelen* [buitelen] {1635} naast kukelen.

kukelen* [tuimelen] {1897} vorming van klankschilderende aard, vermoedelijk naast duikelen, middelnederlands duckelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kukelen ww. ‘tuimelen, buitelen’, daarnaast ook kōkelen, vla. kōkelen ‘buitelen’, vgl. ook rijnlands kōkeln ‘buitelen; goochelen’. — Zie: goochelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kuikelen, ww.: buitelen, tuimelen; struikelen. Zeeuws kukelen betekent ‘vallen’. Volgens het WNT komt kukelen in veel Ndl. dialecten voor met de bet. ‘buitelen, tuimelen’. Blijkens Weijnen ook keukelen, kokelen, kuikelen ‘tuimelen, buitelen’. Het woord gaat vermoedelijk terug op Mnl. cokelen, gokelen ‘goochelen’, Vnnl. kokelen (Kiliaan). Mnd. gokelen, Ohd. goukelon, gaugalon, D. gaukeln betekent nl. niet alleen ‘goochelen’, maar ook ‘dartelen, fladderen, heen en weer zweven’. Vgl. de betekenisontwikkeling van jongleur ‘evenwichtskunstenaar’ uit ioculator ‘grappenmaker’. Goochelaars en jongleurs maakten buitelingen.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

keukelen, kokelen, ww.: liefkozen, vertroetelen. Wellicht hetzelfde woord als Mnl. cokelen, gokelen ‘goochelen’, Vnnl. kokelen, guychelen ‘goochelen, schertsen, de hansworst spelen, foppen’ (Kiliaan). Freq. van Mnl. goken ‘misleiden’, Mnl. gooc ‘domoor’. Mnd. gökelen, gokelen, Ohd. gougalôn, Mhd. gougeln, goukeln D. gaukeln ‘goochelen > misleiden’. Het woord kan teruggaan op Lat. ioculari ‘schertsen, grappig doen’. Vgl. Mlat. cauclearius, cauculearius, cauculator ‘tovenaar’. De bet. ‘liefkozen’ staat dicht bij ‘vleien, misleiden’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kukelen ww.: vallen. Volgens het WNT komt kukelen in veel Ndl. dialecten voor met de bet. ‘buitelen, tuimelen’. Blijkens Weijnen ook keukelen, kokelen, kuikelen ‘tuimelen, buitelen’. Het woord gaat vermoedelijk terug op Mnl. cokelen, gokelen ‘goochelen’, Vnnl. kokelen (Kiliaan). Mnd. gokelen, Ohd. goukelon, gaugalon, D. gaukeln. D. gaukeln betekent nl. niet alleen ‘goochelen’, maar ook ‘dartelen, fladderen, heen en weer zweven’. Vgl. de betekenisontwikkeling van jongleur ‘evenwichtskunstenaar’ < ioculator ‘grappenmaker’. Goochelaars en jongleurs maakten buitelingen. Afl. om(me)kukelen ‘omvallen, omtuimelen’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kèùkele, kukele, kokele, kuikeln tuimelen, buitelen (Noordoost-Nederland, Veluwe, Vlaanderen, Zaanstreek, Bommelerwaard). Wschl. ~ n.o. keukele ‘goochelen’ (~ goochelen, hgd. gaukeln). Waarschijnlijk via Romaans « lat. *caucularius, afl. van lat. *cauculus ‘beker’, dimin. bij mlat. caucum ‘beker’. Bedoeld is de beker waaruit de goochelaar te voorschijn tovert.
Lexicon latinitatis neerlandicae medii aevi II 658, Bosch 2, Dijkhuis 409, Van Schothorst 158, WNT VIII 535, VII 2585, NEW 370, DB XV 143.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

keukelen (O, DB), ww.: tafelspel waarbij op een vierkant bord met twee zwaartelijnen de spelers hun drie penningen op één lijn moeten proberen te krijgen. Mnl. cokelen, gokelen ‘goochelen’, Vroegnnl. kakelen, guychelen ‘histrionem agere; ioculari, scurrari, ineptire, nugari, nugas agere, dexteritate quadam decipere, praestigiis fallere’ (Kiliaan). Freq. van Mnl. goken ‘misleiden’. Mnl. gooc ‘domoor’. Mnd. gokelen, Ohd. gouke-lon, gaugalon, D. gaukeln. Het kan teruggaan op Lat. ioculari ‘schertsen, grappig doen’. Vgl. Mlat. cauclearius, cauculearius, cauculator ‘tovenaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kukelen* tuimelen 1897 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ko ko, kak(k)-, ku(r)kur- u. dgl. als Nachahmung des Naturlautes der Hühner; Worte ohne nachweisbare ältere Geschichte

I. Gr. κακκάβη f., κακκαβίς f. ‘Rebhuhn’, κακκαβίζειν vom Naturlaut der Rebhühner (ebenso das entlehnte lat. cacabāre), κακκάζειν ‘gackern’;
lat. cacillāre ‘gackern (von der Henne)’;
ndd. kakkeln ‘gackern’, nl. kokkelen ‘kollern (vom Hahn)’, woneben ahd. gackizōn ‘gackern (von der ein Ei legenden Henne)’, nhd. gackern, dial. gaggezen, nhd. Gockel (s. auch unter ghegh-).
II. Lat. coco coco ‘Naturlaut der Hühner’ (Petron 59, 2), franz. coq ‘Hahn’, dän. kok, schwed. mdartl. kokk ‘Hahn’, anord. (afrz. Lw.) kokr, ags. cocc, nl. alt cocke ds.; aksl. kokotъ ‘Hahn’, kokošъ ‘Henne’, russ. kokotátь ‘gackern’ usw.
III. Ai. kurkuṭa-, kukkuṭa- m. ‘Hahn’, kukkubha- m. (mind. für *kurkubha-) ‘Fasan’; lat. cūcurriō, -īre ‘kollern’ (vom Hahn), cūcuru Interjektion; nhd. kikeriki (älter kükerukü, kükerlüküh), md. kuckern, kockern, köcken ‘krähen’; lit. kakarýkū ‘kikeriki’, klruss. usw. kukuríku ds., serb. kukùriječēm-, -ijèkati, russ. kukorékatь usw. ‘krähen’, gr. κουρίζω ds.
IV. Gr. κίκιρρος, κικκός ‘Hahn’ Hes.; osk. cicirrus, Cognomen des Messius, wohl ‘Kampfhahn’.

WP. I 455 f., WH. I 126, 212, 242, 300.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal