Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kuis - (rein, ingetogen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kuis bn. ‘rein van zeden, zedig’
Mnl. cuusch, cuesch ‘rein van lichaam, eerbaar, zedig’ in cusch ende fijn ‘kuis en volmaakt’ [1265-70; VMNW], cuesch ende fijn ende onbevlect [1276-1300; VMNW]; vnnl. cuusch oft net ‘kuis of zuiver’ [1562; Naembouck], kuysch ‘kuis, zuiver’ [1599; Kil.].
Aangenomen wordt dat het woord ontleend is aan Latijn cōnscius ‘zich bewust’, gevormd uit → com- ‘met’ en het werkwoord scīre ‘weten’, verwant met → scheiden en zie ook → consciëntie. Uit ‘zich bewust’ ontwikkelde zich de betekenis ‘zich onthoudend van zinnelijk genot, kuis’.
Ook: os. kūski (mnd. kusch, kusche en door ontlening nzw. kysk); ohd. chuski, kūski (mhd. kiusch, nhd. keusch); oe. cūsc; ofri. -kūsk; alle ‘zedig, ingetogen’.
kuisen ww. (BN) ‘schoonmaken, reinigen, poetsen’. Vnnl. cuysschen [1562; Kil. purgo], kuyschen ‘zuiveren, reinigen’ en kuyschen de boomen ‘de bomen snoeien’ [beide 1599; Kil.]. Afleiding van het bn. kuis in de betekenis ‘zuiver, rein, net’. Van kuisen is weer het zn. kuis ‘schoonmaak, poetsbeurt’ afgeleid, zoals in de groote kuisch ‘de grote schoonmaak’ [1898; WNT kuischen]. In het NN bestaat kuisen voornamelijk in de betekenis ‘zuiveren van ongepaste taal of stijl’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kuis1 [rein, ingetogen] {cuus(ch), cuysch [zindelijk, rein, eerbaar] 1265-1270} oudsaksisch kūski, oudhoogduits kūski, oudfries kūsk [zedig] < latijn conscius [medewetend, bij zichzelf wetend, dus bewust, volgens het geweten] (vgl. consciëntie).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kuis 2 bnw. mnl. cuusc ‘zuiver, rein, zindelijk, kuis’, os. kūsk, kūski ‘zedig’ (alleen bijw. kūsko), ohd. kūski (mhd. kiusch, nhd. keusch), ofri. kūsk ‘kuis’, oe. cūsc ‘ingetogen’ (maar dit laatste ontleend aan os.). — Een oude ontl. < lat. conscius (Sperber WS 6, 1914-5, 53 vlgg.), voor het eerst in de Reichenau optredend. Het woord duidt allereerst aan ‘dat wat past, betaamt’ en verengt zich langzamerhand tot ‘zich onthoudend van zinnelijk genot’ (Th. Frings en G. Müller, Fschr. K. Helm 1951, 109-135).

Daartegenover staat de mening, dat kuis een germ. woord zou zijn. Zo heeft Sommer IF 31, 1912-3, 372 gedacht aan een sko-afl. van kiezen, wat weinig waarschijnlijk is. Daarentegen Brugmann Grdr II2, 1, 480 en Loewenthal NAF 35, 1919, 236 zoeken verband met oe. cyme ‘teder, mooi’, vgl. ohd. chūmig ‘zwak, teder’, dat verder bij ohd. chūmen ‘jammeren’ behoort (zie: kuimen); volkomen hypothetisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kuisch bnw., mnl. cuusc “zuiver, rein, zindelijk, kuisch”. = ohd. chûsk, chûski “zedig, matig, ingetogen” (nhd. keusch), os. *kûsk(i) “zedig” (blijkens kûsko bijw., kûskitha znw. v.), ofri. kûsk “kuisch” (blijkens afl.), ags. cûsc “ingetogen”. Oorsprong onzeker. Men heeft lit. żiauksau, żiauksoti “matig zijn” vergeleken. Minstens even dubieus is de combinatie met os. *kôskian, westf. kaischen, kaüschen “een kokende vloeistof door begieten met koud water tot rust brengen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kuis[ch]. Lit. žiauksoti is niet voldoende gewaarborgd; àls het voorkomt, is de bet. trouwens niet ‘matig zijn’, maar ‘werkeloos zijn, niets doen’, zodat de combinatie met kuis[ch] in ieder geval semantisch zwak staat. Onwaarschijnlijk is de — vroeger ook al door Kluge Urgerm.3 26 aangeduide — afl. uit lat. conscius ‘medewetend’ (over vulg.-lat. *côscius) door Sperber WuS. 6, 55 vlg.: het woord zou ingevoerd zijn met de geheime Mithracultus, waarvan de aanhangers tot kuisheid verplicht waren. — Eerder met Sommer IF. 31, 372 vlg. als -sko- afl. bij de wortel van kiezen. Hoewel de lange vocaal in deze woordfamilie geïsoleerd zou zijn, is deze etymologie semantisch toch aannemelijker dan de combinatie (Brugmann Grdr. II2, 1, 480; vgl. Loewenthal Ark. 35, 236) met ags. cŷme ‘teder, mooi’, dat met ohd. chûmig ‘zwak, teder’ behoort bij ohd. chûmen ‘jammeren’, chûma v. ‘klacht’: zie bij koeteren en koeteren Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kuisch bijv., Mnl. cuusc, Os. bijw. cûsko + Ohd. kûski (Mhd. kiusche, Nhd. keusch), Ags. cúsc, Ofri. kúsk: niet in het Oostgerm.; oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1kuis b.nw.
1. Rein, suiwer wat die seksuele of sedelike betref. 2. (t.o.v. sake) Wat rein, suiwer of ongeskonde voorkom.
Uit Ndl. kuisch (Mnl. cuusc). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kuis (Latijn conscius)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kuis ‘rein, ingetogen’ -> Duits keusch ‘rein, zedig’; Deens kysk ‘seksueel ingetogen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kysk ‘seksueel ongerept, deugdzaam, eerbaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kysk ‘rein, ingetogen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kuis rein, ingetogen 1265-1270 [CG Lut.K] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2218. Eene kuische Susanna.

Deze naam voor eene kuische vrouw is ontleend aan het verhaal, dat voorkomt in de apocriefe boeken, tweede aanhangsel op het boek Daniël; van een man sprekend, zegt men een kuische Jozef; zie Genesis 39, vs. 7-12.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut