Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kuil - (holte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kuil zn. ‘uitholling in de grond’
Onl. *kūla ‘kuil’, in de toponiemen Leincultum (gelatiniseerd), letterlijk ‘Leemkuil’ [1131, kopie 17e eeuw; Künzel], Waterculen, letterlijk ‘Waterkuilen’ [1176, kopie 18e eeuw; Künzel]; mnl. cule ‘uitholling in de grond’ [1240; Bern.], cuyl ‘id.’ [1458; MNW-P].
Mnd. kūle ‘kuil; buil, teelbal’, waaruit door ontlening nhd. Kuhle ‘kuil’; mhd. kūle ‘kuil; buil, bolling’ (nhd. dial. Kaule, Kaulkopf ‘pos, vis met bolle kop’); on. kúla ‘buil’; < pgm. *kūlō-. De betekenissen ‘bolling’ en ‘uitholling’ hebben een gemeenschappelijk element ‘welving’. Misschien ablautend verwant met pgm. *keula- ‘schip’ (dan wellicht oorspr. ‘gewelfd vaartuig’), zie → kiel 2 ‘bodembalk van een schip’, en met nno. køyla ‘goot, kanaal’ < pgm. *kaulō-.
Verdere etymologie onduidelijk. Er zijn geen met zekerheid verwante woorden buiten het Germaans. Traditioneel voert men pgm. *kūl-/*keul- wel terug op een l-uitbreiding van een wortel pie. *geu-/*gū- ‘buigen, welven’ (IEW 393-398), waarvan ook andere woorden afgeleid worden, zoals → kogel, → koon, → koot, → kot, → kuit 1, → kut, mnl. codde ‘knuppel’ (zie → koddig). De niet-Germaanse woorden die door IEW genoemd worden, bijv. Sanskrit gōla- ‘kogel’, Litouws gùgė ‘bult’, Russisch vero. gúglja ‘bult, knobbel’ en Armeens kori ‘kanaal’, vormen echter een zeer kleine minderheid vergeleken met het aantal Germaanse. De Indo-Europese basis voor deze woorden is dus erg zwak.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kuil1* [holte] {cule, cuul, cuile 1201-1250} middelnederduits, middelhoogduits kule; buiten het germ. grieks gualon [welving, dal, koepelgraf].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kuil 1 znw. m. ‘groeve’, mnl. cûle v. m., mnd. mhd. kūle v. (nhd. md. kaule) ‘kuil, grafkuil’. Daarnaast abl. noorw. køyla ‘goot, kanaal’ en mnl. kiel m., kiele v. ‘diepte’. — Het woord behoort tot de idg. wt. *geu ‘buigen, welven’, zowel in de bet. ‘hol’ als ‘bol’. — Zie ook kiel 2 en on. kyllir ‘zak’.

Naast germ. *keula ‘holte’ staat ook de bet. ‘rond voorwerp’, vgl. mnd. kūle ‘gezwel, teelbal; knuppel’, ohd. kūli (nhd. keule) ‘stok met dik rond bovenstuk’, mhd. kūle (nhd. kaule) ‘kogel’, on. kūla ‘buil, kogel’ (IEW 397).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kuil I (groeve), mnl. cûle v. m. = mhd. (md.), mnd. kûle v. “kuil, grafkuil”(nhd.-md. kaule). Met ablaut noorw. køyla “goot, kanaal” en mnl. kiel m., kiele v. “diepte” (alleen in verbinding met het bnw. helsc). Al deze woorden, germ. *kûlô(n)-, *kauliôn-, *keula-, ô(n)- komen van een idg. basis gū̆ “hol zijn”, waarvan met r-formans arm. kori “gracht, kanaal”. De basis gū̆- “concaaf zijn” is identisch met gū̆- “convex zijn”, waarvan eenige afll. bij kiel II besproken zijn: de grondbet. is “gebogen zijn”. O.a. nog met formantische l: mhd. (vooral md.) kûle v. “bol” (nhd.-md. kaule), mhd. kiule (nhd. keule) v. “knots”, mnd. kûle v. “buil, teelbal, knots”, on. kûla v. “buil”, gr. gúalon “holte, welving van ’t panser, bergkloof, vallei”, wsch. ook ier. gualu “schouder”; ook lat. vola (*gu-ela) “holle hand”? Zonder l o.a. noorw. kaure “krullok”, ier. guaire “haar”, lit. gauraĩ “haren op’t lichaam”, gr. gūrós “rond”, serv. gȕra “bochel”, lit. gûrinéti (ŭ?) “gekromd gaan”, arm. kor “krom, gebogen”, gr. gúēs “een deel van den ploeg, halsbuiging, akkerland, een landmaat”, misschien av. gav-, gava- “hand”. Voor mogelijke afll. van verlengde bases zie keutel, keuzelen, kogel, kol I, kot, kuif, kuil II. Van een synonieme basis ĝū̆- kan arm. cuṙ “scheef, krom” komen, waarmee men gr. gūrós wel gelijkgesteld heeft.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kuil. Ier. gûalu ‘schouder’ is wsch. niet verwant: zie WP. I 556.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kuil 1 m. (diepte), Mnl. cule + Ndd. kule, dial. Hgd. kaule: Germ. wrt. keu + Gr. gúalon = holte, Oier. gualu = schouder, Lit. gûrinėti = gekromd gaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kojl (zn.) kuil, gat; Aajdnederlands cula <1131>.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

kuil 'komvormige verdieping in het terrein'
Onl. cule, mnl. cule, mnd. mhd. kule 'kuil, komvormige verdieping in het terrein', daarnaast ablautend mnl. kiel, kiele 'diepte'. Niet te verwarren met kuil < mnl. cudele 'zakvormig visnet, bodem van een viskorf, korf om vogels te vangen' (→ Kuil). Oudste attestaties in plaatsnamen 1131 kopie 17e eeuw Leincultum (slechte overlevering), ter plaatse van de Linculenstraat te Maastricht1 en 1176 kopie 18e eeuw Waterculen, opgegaan in Maastricht2.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 223, 2Idem 386.

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Wie een kuil of put graaft voor een ander, valt er zelf in, wie een kwade opzet bedenkt voor iemand anders, wordt er vaak zelf het slachtoffer van.

In Spreuken 26:27 staat het volgende: 'Wie een kuil graaft, zal erin vallen; / en wie een steen wentelt, op die zal hij terugrollen' (NBG-vertaling). Ook op andere bijbelplaatsen is het eerstgenoemde spreekwoord te vinden. De betekenis dat de kwade opzet voor een ander bedoeld was, is in deze bijbeltekst impliciet aanwezig, maar wordt in de ons bekende vorm, die ook in de NBV is overgenomen, expliciet toegevoegd.

Statenvertaling (1637), Prediker 10:8. Wie eenen kuyl graeft, sal daer in vallen: ende wie eenen muer doorbreeckt een slange sal hem bijten.
Langley begon een gat te graven vlak achter de straatdeur: wie binnen wou, moest onvermijdelijk in dat gat vallen -- hij graafde ook nog ingewikkelder gangen, tunnels en dwaalwegen, onder het hele huis door -- maar hij vergat het spreekwoord: wie een put graaft voor een ander... . (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 804)
Zijn ontroeringskracht dankt hij [Ollie B. Bommel] aan zijn opvallendste tekort: hij kan geen verbanden zien, houdt oorzaak voor gevolg en omgekeerd. En komt daardoor altijd in de kuil terecht die hij meende voor een ander te graven. (De Standaard, 13-7-1973)
Güzel Akgül overlegt met haar advocaat welke stappen er verder kunnen worden ondernomen. Zij en haar man Jan Vroom zijn extra gemotiveerd om de eigen sportschool op te zetten. Güzel Akgül: 'We houden de moed erin. Wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in.' (Meppeler Courant, okt. 1993)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kuil ‘holte’ -> Fries kuil, kuilbult ‘langwerpig, ondiep, recht afgestoken gat waarin, onder stro, plastic e.d., gras (hooi), wortelgewassen e.d. bewaard worden’; Noors kule ‘put, sleuf, (in samenstellingen) holte’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kuil* holte 1131 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1299. Die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in,

d.w.z. hij die een ander in het ongeluk wil storten, wordt dikwijls zelf daardoor getroffen; vgl. Rein. II, vs. 5683: Sulc pijnt seer om eens anders scade, ende loont hem selver al mit quade; mlat. effodit foveam vir iniquus et incidit illam of in foveam quam fecit ipse incidit (Werner 25; Journal, 145; Archiv. XIII, 383). Het spreekwoord, dat bij Campen, 96 (hy is in syn selfs cuyle ghevallen, die hy men anderen gegraeven hadde) wordt aangetroffen, is ontleend aan den Bijbel, waar het voorkomt in Spreuk 26, 27; Ps. 57, 7: Sy hebben een net bereydt voor mijne gangen, mijne ziele was nedergebuckt; sy hebben eenen kuyl voor mijn aengesicht gegraven: sy zijnder midden in gevallen; Psalm 7, 16: Hy heeft eenen kuyl gedolven, ende dien uytgegraven, maer hy is gevallen in de groeve [die] hy gemaeckt heeft; zie Zeeman, 337; Villiers, 70. De Romeinen zeiden in laqueos, quos posuere, cadunt (vgl. fr. qui tend un piège s'y prend le premier), terwijl Hesiodus, Werken en Dagen, 265 deze gedachte uitdrukt met de woorden: οι τ αυτω κακα τευχει ανηρ αλλω κακα τευχων; elders παγην ιστας εν παγη λεφθησει. Zie nog Wander II, 153: wer andern eine Grube gräbt, fällt selbst hinein; Mnl. Wdb. III, 2199; Harreb. III, 269; 270; Joos, 135; Van Moerk. 100 en Hooft, Ged. I, 256:

Die d' aerd', tot 's anders val, opwroeten,
Verraeden zelv' hun' eighe voeten.
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut